”Geen sprake van medische indicatie bij euthanasie'

AMSTERDAM, 24 APRIL. Begin dit jaar ging de Tweede Kamer akkoord met een euthanasiewet die geen onderscheid maakt tussen psychisch en lichamelijk lijden. De regering liet het aan de rechter over in proefprocessen uit te maken in hoeverre enig onderscheid eventueel op zijn plaats is. Net zoals voorheen is het woord uiteindelijk aan de Hoge Raad. De uitspraak van de rechtbank te Assen in zo'n ”test-case', deze week, is nog slechts een eerste stap. Toch is er vanuit de regeringscoalitie direct om maatregelen geroepen na het ontslag van rechtsvervolging dat de rechtbank verleende aan een psychiater wegens hulp bij zelfdoding van een vijftigjarige vrouw die na ernstige trauma's (de dood van haar twee kinderen en het mislukken van haar huwelijk) bij herhaling te kennen had gegeven niet verder te willen leven.

De rechtbank passeerde in zijn vonnis welbewust de vraag of de vrouw ziek was in psychiatrische zin. Beslissend is volgens de rechters of het lijden van de vrouw uitzichtloos en ondraaglijk was en of haar hulpvraag in vrijheid en weloverwogen tot stand kwam. Dat zijn klassieke eisen in de jurisprudentie over euthanasie. Uit welke oorzaak het lijden is ontstaan - door ziekte of anderzins - oordeelden de rechters in Assen niet van belang: alleen het resultaat telt.

Het ging de rechtbank dus niet zozeer om de vraag of de aard van het lijden lichamelijk dan wel psychisch was, maar om de vraag of het lijden toe te schrijven viel aan een ziekte of gebrek. Als dat niet het geval is rijst onmiddellijk de tegenwerping dat een medicus krachtens zijn speciale taak en verantwoordelijkheid geen boodschap heeft aan een verzoek om hulp bij levensbeëindiging: hij is er immers voor “ziekte”.

Maar het ligt ingewikkelder. De emeritus hoogleraar gezondheidsrecht dr. H.J.J. Leenen heeft erop gewezen dat er voor euthanasie geen “medisch-professionele toets” bestaat. Dat blijkt ook wel uit de verdeeldheid over dit vraagstuk binnen de medische beroepsgroep. Zou er wel zo'n standaard bestaan dan zou eigenlijk iedere arts in de voorkomende gevallen euthanasie moeten plegen en zou hem bij nalatigheid zelfs een inbreuk op de beroepsethiek kunnen worden verweten. Zo ligt het bepaald niet, hetgeen volgens Leenen illustreert dat hier veeleer sprake is van een persoonlijk en maatschappelijk oordeel en niet een professioneel-medisch. “Er is bij euthanasie geen medische indicatie.” Dat voor de uitvoering medische deskundigheid is vereist betekent volgens hem nog niet dat het om een zuiver medische kwestie gaat, maar veeleer dat de medische normen alleen op de deskundige uitvoering betrekking hebben.

Zo sterk heeft de Hoge Raad in twee belangrijke precedenten in 1984 en 1986 de zaken echter niet gescheiden. Ons hoogste rechtscollege verwierp de stelling dat de strafbepalingen inzake euthanasie en hulp bij zelfdoding niet zijn geschreven voor een arts die handelt in de uitoefening van zijn beroep naar de regelen van de kunst (de zogeheten medische exceptie in het strafrecht). Dergelijke handelingen blijven ook in het geval van een arts strafbaar, maar deze kan zich wel rechtvaardigen door een beroep op overmacht: een botsing van plichten - in dit geval dus de plicht zich aan de strafwet te houden en de plicht tot hulpverlening aan een mens in nood.

Of die situatie zich voortdoet dient volgens de Hoge Raad mede te worden beoordeeld “naar wetenschappelijk verantwoord medisch inzicht en naar in de medische ethiek geldende normen”. Dat gaat verder dan alleen een deskundige uitvoering. Juist de arts kan zich ook moeilijker dan een ander beroepen op de psychische of morele druk in een bijzondere situatie, want er mag van hem worden gevergd dat hij ook onder belastende omstandigheden in staat is een eigen gedragslijn te bepalen.

Dat de rechtbank in Assen de vraag van de ziekte terzijde schoof vormde geen beletsel de handelwijze van de psychiater tenslotte te kwalificeren in de geijkte juridische termen van “verantwoord medisch inzicht”. Uit het vonnis blijkt dat het vooruitzicht van “een (feilbare) gruwelijke zelfdodingsweg” een belangrijke drijfveer vormde voor de arts dan maar de gevraagde hulp te bieden. Een belangrijke vraag in het vervolg van het proefproces is of dit niet ook had kunnen worden erkend als een vorm van te respecteren gewetensnood in een menselijk, meer dan in een medisch drama.