Oranje en het verloren verleden

De eerste herinnering is vaag. De weg is omzoomd door toeschouwers. Het kleine jongetje wordt opgetild door een van zijn ouders om de voorbijzoevende automobiel met daarin hoofd plus handschoen waar te nemen. Het jongetje is niet onder de indruk: was dat nu de koningin?

De tweede herinnering is scherper, want ze is vastgelegd. Het tafereel dateert van enkele jaren later. Op een van de eerste kleurenfoto's in het album is een bleek jongetje afgebeeld met kniekousen, opgeschoren haar en grote oren, aan de start van de estafette. Het bijschrift luidt "Koninginnedag'. Als de herinnering niet bedriegt leverde de race zelfs een prijs op: een metalen apparaat met trekveren en een soort biljartballen.

Zijn dit Vaderlandse Herinneringen? Ik aarzel, maar ik vrees dat ze niet in aanmerking komen. Ze hebben te maken met Oranje, maar als ze een Vaderlands verleden oproepen, dan toch slechts een zeer recent verleden. De beschreven koninginnedag dateert uit de tweede helft van de jaren zestig en de estafette was niet meer dan een gezellige wedstrijd, geen poging de deelnemers te doordringen van een groots nationaal verleden. Wellicht koestert een enkele Oranjevereniging de illusie dat de feestdag het Nederland van nu verbindt met Willem van Oranje of zelfs maar de negentiende-eeuwse monarchie, maar de kern van het feest is toch de Amsterdamse Vrijmarkt, een niet door het verleden gestoorde vorm van prettig rommelig vermaak. Hoort een nationale feestdag als koninginnedag eigenlijk wel thuis in de reeks over de Vaderlandse Herinnering? We zullen zien.

Deze reeks is - zoals Van Sas eerder in deze krant heeft uiteengezet - genspireerd door het Franse project van de Lieux de mémoire. Pierre Nora, de dirigent van het geheel, heeft getracht uit te leggen wat een lieu de mémoire is. Het is een letterlijke of figuurlijke plek waaraan zich de nationale herinnering kan hechten. Juist nu het nationale verleden in de vergetelheid raakt, willen Nora en zijn medestanders de "plekken' in kaart brengen die dat verleden nog zouden kunnen oproepen. Men kan daarbij denken aan historische gebouwen, monumenten of plaatsen, maar ook aan oude liederen, legendarische gebeurtenissen en zelfs boeken. Door de inleiding van Nora waart de geest van Marcel Proust A la recherche du temps perdu - volgens een leerling van hem die ik eens sprak is Nora een ware proustien. De reeks had inderdaad "het verloren verleden' kunnen heten, en wie wil weten wat een lieu de mémoire eigenlijk wil zijn, moet de bekendste episode uit het eerste deel van Prousts romancyclus herlezen. Het verleden wordt daar voor de hoofdpersoon plotseling tastbaar als hij - zoals hij dat als kind deed - een "madeleine', een koekje, in de thee doopt en de oude, lang vergeten smaak tot zich laat doordringen.

Als er ergens in Nederland een plek bestaat die het Oranjeverleden kan laten opstaan, dan moet ze in Delft te vinden zijn. Op zoek naar het koekje en de thee ging ik dus naar de stad van Prinsenhof en Nieuwe Kerk. De korte afstand van station naar Nieuwe Kerk brengt de wandelaar met grachten en oude gevels in de goede stemming.

De kerk is koud en leeg. Een kleine panelententoonstelling doet een poging interesse te wekken voor de geschiedenis van Oranje. Maar dat waarvoor de wandelaar gekomen is, vindt hij niet. Er is een praalgraf voor Willem van Oranje in koele renaissancestijl, er zijn enkele gedenktekens maar de weg naar de crypte waarin de Oranjes begraven liggen wordt versperd door een massieve, loodzware plaat in de vloer. De plaat sluit het verleden af; de Oranjes zijn onbereikbaar geworden.

Het Prinsenhof dan? Met zijn bescheidenheid en allerminst vorstelijke voorkomen wekt het domicilie van Willem van Oranje sympathie. De carrière van klooster via paleis en kazerne tot museum is boeiend, maar ook hier is het verleden grotendeels geweken. Opgepoetst en voorzien van een onaanzienlijke schilderijententoonstelling ontvangt het gebouw de bezoeker. De geschiedenis gaat schuil achter glas. De kogelgaten die de moord van Balthazar Gerards in de muur heeft achtergelaten zijn volgens de gids ""door het betasten van nieuwsgierige bezoekers sterk vergroot''. Degelijk vensterglas bedwingt nu de nieuwsgierigheid; het verleden is niet tastbaar meer. Er zijn meer suppoosten dan bezoekers in het gebouw.

Een verhaal als dit kan men over veel historische gebouwen vertellen, in Nederland en ook elders. Misschien is de speurtocht naar het verleden in historische monumenten bij voorbaat wel illusoir. Het massieve en geregisseerde karakter van dergelijke monumenten doodt gemakkelijk de spontane "herinnering'. De hoeders van het nationale verleden in Nieuwe Kerk of Prinsenhof kunnen, hoe goed ze hun werk ook doen, niet aan mijn verwachting voldoen. De anekdote waarmee ik begon bevatte herinneringen, maar geen Vaderlandse. De speurtocht in Delft bood wel veel vaderland maar geen Herinnering. De band tussen vaderland en herinnering is niet gemakkelijk te leggen.

Het koekje in de thee geeft wel persoonlijke herinnering maar het nationale verleden verschijnt niet. De behoefte aan opwekking van het nationale verleden heeft niet te maken met het verdwijnen van de herinnering, maar met de ontmanteling van nationale traditie. Het Nederlandse Oranjeverhaal kan deze ontwikkeling tonen. Dat blijkt niet meteen in Delft, maar dat wordt zichtbaar als we de geschiedenis van koninginnedag onderzoeken. De nationale feestdag is met Oranje verbonden maar gaat vrijwel geheel voorbij aan het verleden. De oorzaak daarvoor moet men niet zoeken in een heden zonder historisch besef, maar in de eeuw waarin de geschiedschrijving groot is geworden, de negentiende eeuw.

Koninginnedag is iets meer dan een eeuw oud. Pas nadat historische gedenkdagen keer op keer mislukt waren, werd de nieuwe feestdag gentroduceerd. Toen de sterfdag van Willem van Oranje op 10 juli 1884 herdacht werd, bestond het feest nog niet. Een behoudend liberalisme zette op dat moment de toon in het politieke en culturele leven en bepaalde ook de geest van de herdenking. Liberalen presenteerden Willem van Oranje graag als held van tolerantie, ondogmatische gewetensvrijheid en verzoening: ""Nergens kunnen Nederlandse protestanten en katholieken elkander beter de hand reiken dan bij het graf van Willem van Oranje.''

De orthodoxe protestanten en de katholieken dachten daar echter anders over. De schoolstrijd was op een hoogtepunt en voor de confessionelen stond verzoening gelijk met onderwerping aan het dominante liberalisme. Zij weigerden daarom hun medewerking aan de herdenking, die volgens de anti-revolutionaire De Standaard ""een politieke manoeuvre van de liberalisten'' was ""om hun waggelend koninkrijkje op de been te houden en onze vaderlandse historie te exploiteeren in eigen voordeel''. De katholieke De Tijd had in het geheel geen behoefte een rebelse "Prins, die van de katholieke Kerk afvallig werd' te herdenken en meende bovendien dat het liberalisme ""geen plechtigheden kent zonder champagne en danspartijen''. Daarmee was het pleit beslecht. De herdenking was geen succes.

Het is een merkwaardig verschijnsel. Tegenwoordig slaan historische herdenkingen meestal niet aan door een zekere onverschilligheid voor het "officiële' nationale verleden. Honderd jaar geleden slaagden ze vaak ook niet, maar toen juist door een zeer grote betrokkenheid bij het nationale verleden. Iedere levensbeschouwelijke groep had haar eigen interpretatie van het nationale verleden en polarisatie maakte een gezamenlijke herdenking onmogelijk. De oplossing voor het probleem die toen gekozen werd, is echter de oplossing die nog steeds populair is. De aanleiding voor een nationale feestdag moest niet in het verleden, maar in het heden gezocht worden.

Op 26 juli 1885 stelde het Utrechts Provinciaal en Stedelijk Dagblad voor de verjaardag van prinses Wilhelmina als ""een nieuwen nationalen feestdag in het leven te roepen, waarop wij alle grieven en veeten ter zijde stellen en ons alleen herinneren, dat wij landgenooten zijn en er althans nog een band is, die ons allen vereenigt.'' Het blad was een voorstander van behoudend liberalisme en streefde - zoals ook uit het citaat blijkt - politieke en sociale pacificatie na. De plaats van het woord "herinneren' in het citaat is opvallend. Men diende zich alleen te herinneren ""dat wij landgenooten zijn''; het gepolariseerde heden en het omstreden verleden moesten blijkbaar vergeten worden.

De oproep miste zijn uitwerking niet. Vrijzinnig-liberale notabelen, die zich vaak hadden verzameld in Vereenigingen tot Veredeling van het Volksvermaak, namen de organisatie van "prinsessedag' op zich. Koning Willem III was niet populair en bovendien jarig in een voor feesten ongeschikte koude wintermaand en dus werd 31 augustus al een feestdag voordat Wilhelmina koningin was. Geheel zonder problemen ging dit niet. De minste bezwaren tegen de nieuwe feestdag hadden de katholieken. Als principiële conservatieven wilden zij de bestaande monarchie - in tegenstelling tot de zestiende-eeuwse stadhouder - steunen en daarom het hervormde geloof van het vorstenhuis door de vingers zien. Actieve participatie van het katholieke kerkvolk liet waarschijnlijk echter enige tijd op zich wachten.

Als we afzien van de socialisten die de organisatoren opzettelijk buitensloten, vormden de anti-revolutionairen waarschijnlijk het grootste struikelblok. Over de Oranjeliefde van het fin de siècle bestaan twee misverstanden, beide met een kern van waarheid. Het eerste is de gedachte dat anti-revolutionairen altijd de grootste voorstanders van Oranjefeesten zijn geweest. In het geval van koninginnedag gold dat aanvankelijk zeker niet.

Anti-revolutionairen hadden niet veel op met de nieuwe feestdag. Zij wilden niet feestvieren om een prinsesje, maar vasthouden aan herdenking van de historische Oranjes. Zij wilden zich het verleden juist wel "herinneren'; voor hen was Oranje de lieu de mémoire bij uitstek. Ook wezen zij de verbroederingsstrategie van de liberalen van de hand. Bovendien hadden zij bezwaar tegen het karakter van het feest. Koninginnedag was uitdrukkelijk bedoeld als volksfeest en verving hier en daar in het land de plaatselijke kermis. Het tafereel van een feestende menigte die ""hoste en joelde en schreeuwde zonder ophouden'' trok anti-revolutionairen niet aan. Misschien leek in dit opzicht de vroege koninginnedag meer op de huidige Vrijmarkt dan op het brave kinderfeest dat koninginnedag onder invloed van veelal orthodoxe Oranjeverenigingen later werd.

Het tweede misverstand is dat de hernieuwde populariteit van het koningshuis aan het eind van de negentiende eeuw vrijwel uitsluitend het werk is geweest van Emma en Wilhelmina. Het is vol te houden dat die populariteit vooral het gevolg was van het werk van burgerlijke elites. Zij propageerden Oranje als middel tot een nationale, anti-socialistische verzoening en als aanleiding voor een volksfeest dat, meer dan een historische herdenking, in een tijd van wordende democratie het gehele volk zou weten te boeien. Als gezegd bevatten de beide misverstanden een kern van waarheid. Zoals de anti-revolutionairen wel degelijk een sterke band voelden met Oranje - maar aanvankelijk niet met koninginnedag - zo droeg Emma bij tot de hernieuwde Oranjeliefde.

Het beeld is bekend. De onberekenbare, onmogelijke brombeer Willem III werd na zijn dood in 1890 opgevolgd door regentes Emma die, voorbeeldig als ze al was met haar ingetogen gedrag, fatsoenlijk optreden en constitutionele opvattingen, tijdens vele reizen door het land bovendien haar dochtertje Wilhelmina aan het volk presenteerde. Het beeld is niet onjuist. Het verbergt echter iets. Volgens welke normen was Emma voorbeeldig? Voldeed ze niet bij uitstek aan de eisen die de burgerlijke maatschappij en de burgerlijke parlementaire regeringsvorm op dat moment stelden? De afgelopen jaren is er tot vervelens toe door historici en sociale wetenschappers gesproken over het "burgerlijk beschavingsoffensief' dat in de negentiende eeuw en vooral na 1870 de arbeidersklasse fatsoen zou hebben bijgebracht. Merkwaardig genoeg is daarbij altijd uitsluitend gesproken over het offensief van boven naar beneden. Is de monarchie echter niet ook het doelwit geweest van een offensief? Wat men ook van Willem III wil zeggen, "burgerlijk' was hij in ieder geval maar ten dele.

Het is misschien geen toeval dat het fatsoenlijke, burgerlijke koningschap pas definitief bevestigd werd met de komst van de eerste vrouw. De liberale en confessionele burgers die het proletariaat wilden opvoeden, meenden vaak dat de arbeider het beste te bereiken was via zijn vrouw. Zij moest ervoor zorgen dat haar man een thuis kende van veiligheid, regelmaat en matigheid en het café vaarwel zou zeggen.

Welnu, zoals de huisvrouw zich moest onfermen over de arbeider in de kroeg, zo moest regentes Emma zich bekommeren om het koningshuis in het slop. Deze voorstelling van zaken is geen constructie achteraf, maar werd ook in de tijd zelf wel gezien. De argumentatie luidde dan bijvoorbeeld dat in een tijd van sociale wetgeving en compromisrijke parlementaire democratie het vrouwelijke talent van schikken en plooien onmisbaar was en een koningin de capaciteit bezat ""de misdeelden der samenleving te doen plukken van de gemoedseigenschappen harer kunne''. Emma speelde met verve in op de behoeften van de burgerij en toen de achttienjarige Wilhelmina in 1898 als vorstin werd ingehuldigd, was haar bed gespreid.

Emma en Wilhelmina luidden een nieuwe periode in. Op mijn schrijftafel staat een blikje van "hofleverancier' Wilhelmina pepermunt. Het is een "jubileumuitgave'. De pepermunt bestond vorig jaar honderd jaar. Als ik oneerbiedig zou zijn, zou ik de pepermunt rekenen onder de eerste massaal gefabriceerde monarchale snuisterijen die vanaf het einde van de vorige eeuw opgang maakten. Daar gaat het me echter niet om. Ik let slechts op de buitenkant. Op het blikje staan de vier vorstinnen afgebeeld die wij sinds die tijd gekend hebben. Vier vorstinnen, vier regeerstijlen. Het is interessant in de vier achtereenvolgende periodes de ontwikkeling te volgen die de verhouding van Oranje tot het nationaal verleden doormaakte.

Als vrouw die in het koningshuis introuwde, was Emma zich meer dan de geboren Oranjes bewust van de breekbaarheid van de Oranjetraditie. Zij hamerde op de grote traditie van het vorstenhuis, maar wilde deze aanpassen aan de tijd waarin ze leefde. Zij doordrong Wilhelmina van de prominente rol die zij als erfgenaam van een eerbiedwaardige traditie voor de natie te vervullen had. De jaren rond de eeuwwisseling, toen Wilhelmina koningin werd, waren een tijd van heftig nationalisme en uitbundig orangisme. Aan haar opvoeding en omgeving ontleende Wilhelmina een religieus getint zendingsbewustzijn dat haar - zoals de historicus C.A. Tamse onlangs heeft betoogd - aan het eind van haar regeringsperiode de kracht gaf uit te groeien tot een werkelijk nationale figuur. In de oorlogsjaren te Londen werd zij het (niet langer anti-socialistische) symbool van nationale saamhorigheid en verzet tegen het nazisme. Zoveel indruk maakte zij, dat de in een stevige mantel gehulde gestalte van onverzettelijkheid voor velen een ware lieu de mémoire is geworden.

Afgezien van de betekenis die zij zelf had, leefde in Wilhelmina ook het Oranjeverleden uitdrukkelijk voort. Niet voor niets draagt haar dochter de naam van de kordate stammoeder van Nassau. Juliana volgde haar in 1948 op. De eerste naoorlogse jaren waren de tijd van Doorbraak, warm en benepen gemeenschapsgevoel, en van ethisch, personalistisch socialisme. Was Juliana niet de koningin van de Doorbraak? Met haar voorkeur voor ethische politiek, links van het midden, en haar persoonlijke, bewogen presentatie sloot zij in ieder geval aan bij de geest van na de oorlog en bood zij een contrapunt voor de discipline van de Wederopbouw. Een volgende generatie kon haar gemakkelijk portretteren als moeder met de spruitjes.

Het nationale verleden had voor Juliana betekenis, maar in overeenstemming met de tijd waarin ze leefde, ontleende ze er - anders dan Wilhelmina - geen duidelijke opdracht aan. Het verleden vervaagde en gaf nauwelijks meer richting. Zeker vanaf 1980 was er geen plechtstatige band meer tussen Oranje en nationale traditie. Beatrix zal haar gedrevenheid misschien ontlenen aan haar familieverleden. Maar ze is de koningin van no nonsense, een moderne manager die niet beoordeeld wil worden als voortzetter van een traditie maar als schepper van een modern koningschap.

Beatrix is een Oranje maar geen orangist. Ze is ook een kind van haar tijd. In 1884 leidde de herdenking van de dood van Willem van Oranje tot heftige politieke polemiek, in 1934 was de herdenking nog een gebeurtenis van gewicht, in 1984 had ze veel minder betekenis. Het Oranjeverleden heeft zijn maatschappelijke werking grotendeels verloren. Kleine, voornamelijk orthodox-protestantse, groepen voelen zich nog nauw verbonden met de geschiedenis van Oranje, maar voor de grote meerderheid van de bevolking zijn de historische Oranjes hooguit aanleiding voor een vage belangstelling. Deze kan zich uiten in een televisieserie of officiële herdenking, maar een opdracht voor het heden wordt aan het Oranjeverleden niet meer ontleend.

Meer dan ooit is er informatie over alle delen van de geschiedenis. Meer dan ooit ook is er belangstelling voor zeer uiteenlopende aspecten van het verleden. De nationale herinnering heeft op dit moment echter slechts voor een kleine groep levende betekenis - met uitzondering van de herinnering aan '40-'45. En wat Oranje betreft heeft het heden gewonnen. Onze democratie wordt niet door Vaderlandse Herinneringen geleid (of gedisciplineerd). Wie nu wil feestvieren, gaat niet luisteren naar een herdenkingsrede. De hiërarchie van redenaar en publiek heeft plaatsgemaakt voor het egalitaire Oranjefeest van Amsterdam. Het defilé is afgeschaft. De koningin bezoekt het feest. En ze ontvangt een Zoen op de Vrijmarkt.