Made in Germany..

HET GAAT NIET GOED in Duitsland. Er is een neerwaartse spiraal op gang gekomen van dalende produktie, dalende belastingopbrengsten, toenemende werkloosheid, noodzaak om te bezuinigen, enzovoorts. Tot op zekere hoogte gaat het om een normale recessie na een periode van oververhitting. De centrale bank heeft enkele jaren met hoge rentestanden gestreden tegen inflatie en is nu schoorvoetend met een tegenbeweging gekomen. Eergisteren nog werd de rente opnieuw en verrassend verlaagd met een kwart procent.

Toch is er meer aan de hand dan een natuurlijke golfbeweging. Er zitten scheurtjes in het harde, fonkelende marmer van de industriële grootmacht Duitsland. Het is niet alleen een kwestie van uit de hand lopende kosten voor de Duitse eenheid. De concurrentie uit het buitenland is serieuzer geworden. De opkomst van Azië ontpopt zich op de wereldmarkten meer en meer als een bedreiging. Prestige-bedrijven als Mercedes ontdekken dat de ster wel degelijk kan verbleken, Siemens verliest terrein en AEG eveneens. De produktie van de Duitse automobielindustrie viel dit jaar tot nu toe met maar liefst een kwart terug. Lufthansa en de Duitse spoorwegen hangen aan het staatsinfuus.

In de economische relatie tot het buitenland heeft zich in een paar jaar tijd een fenomenale verschuiving voorgedaan. Drie jaar geleden behaalde Duitsland nog een exportoverschot van 130 miljard D-mark, inmiddels overtreft voor het eerst sinds vele jaren de invoer de uitvoer. Uiteraard heeft de Duitse recessie hier alles mee te maken, maar het is tegelijkertijd niet toevallig dat de Duitse industrie inmiddels veel meer in het buitenland dan in het eigen land investeert. Ook de Duitse managers verwachten inmiddels meer rendement van investeringen elders dan thuis, en dat zegt wel iets.

WAT ZEGT HET? President Richard von Weizsäcker gaf bij de opening van de Hannover Messe een abstract, maar interessant antwoord. Zijn diagnose van de toestand luidde: “Het utopisch immobilisme van het status-quo denken”. Wat minder filosofisch uitgedrukt komt dat erop neer dat Duitsland na een hele reeks vette jaren nog moet ontwaken uit de droom van automatisch verder groeiende luxe en welvaart. De verzorgingsstaat ontpopt zich ook in Duitsland geleidelijk tot een blok aan het been, met klachten over ingewikkelde regelingen, fraudegevoeligheid en uitkeringen die te laag zijn om behoorlijk van te leven en te hoog om verzuurde luiheid te overwinnen. De kongsie van grote bedrijven, banken en politiek heeft grote conglomeraten in de hand gewerkt (Daimler-Benz), die zich meer bekommerden om marktaandeel dan om innovatie en efficiency en dat wordt bij economische tegenwind en concurrentie - ook uit Oost-Europa - nu pijnlijk duidelijk. De werknemers zijn al even weinig doordrongen van de veranderingen in de wereld. Vorig jaar kwamen zij met welhaast perverse looneisen van tien procent en meer, zelfs dit jaar halen zij in een recessiejaar zo'n drie procent binnen. En omdat Duitsland al even bureaucratisch is als Nederland en CAO-akkoorden algemeen verbindend worden verklaard, is er van flexibiliteit geen sprake. De IG Metall eist voor zijn Oostduitse leden zelfs 26 procent loonsverhoging, want de Oostduitsers lopen achter bij het Westen en in 1991 was beloofd de zaak gelijk te trekken.

Hiermee hangt een tekortschietende solidariteit samen tussen oude en nieuwe bondsstaten. Belastingverhogingen ten behoeve van de vroegere DDR heeft het Westduitse publiek onmiddellijk afgewenteld door hogere lonen te eisen, waarna de centrale bank weinig anders kon doen dan de aldus uitgelokte inflatie te pareren met hoge rentes. Het was een prijs waaraan, gegeven de monetaire machtsverhoudingen in Europa, dus ook de rest van Europa moest meebetalen.

Zo is Duitsland nu in een situatie beland van een rijke, wat verwende natie die nog moet ontwaken. Made in Germany is toe aan een structurele opknapbeurt.