"Ik wil alles tot in detail weten. Dat zal de boekhouder in mij wel zijn'

Eindelijk ondervindt hij helemaal geen hinder meer van de hevige hooikoorts-aanvallen die hem zijn leven lang plaagden. De 32-jarige Zwitserse wielrenner TONY ROMINGER rijdt beter dan ooit. Hij is een van de favorieten voor de eindzege in de Ronde van Spanje die maandag begint.

Hij heeft zelden last van handtekeningenjagers. Het grote publiek herkent hem gewoonlijk niet eens. Van Tony Rominger mag dat zo blijven. Het erepodium met de televisie is niet zijn favoriete terrein, want glamour en glitter doen hem niets. “Het is beter tijdens de wedstrijd in beeld te zijn dan daarna”, meent hij. Eerder laat hij zich ontvallen “heel verbaasd” te zijn over de belangstelling uit Holland. “Ben ik dan werkelijk zo interessant?”

Het gesprek vindt plaats in hotel Leonardo da Vinci in Milaan. De kamer stinkt naar massage-olie, want een soigneur is bezig Romingers spieren soepel te wrijven. Hij is klein, zijn rug is wat krom en hij heeft een spichtig gezicht met grote oren - vandaar dat hij "de muis' wordt genoemd. De renner stelt voor Duits te praten. Engels, Frans of Italiaans zou wat hem betreft ook kunnen, want hij heeft een talenknobbel. Momenteel is hij bezig met Spaans. “Als kopman van een Spaanse ploeg moet ik ook het Spaans beheersen”, oordeelt hij, “want dat bevordert de goede communicatie. En die is heel belangrijk, zeker als het om teamwork gaat.”

Echtgenote Brigitte is die dag niet in zijn buurt. De Zwitserse ex-wielrenster is bij tamelijk veel wedstrijden van Rominger wèl van de partij. En niet om in de weg te lopen. Ploegleider Juan Fernandez van Clas nodigt haar soms zelfs buiten medeweten van de renner uit. Hij deed dat vorig jaar bijvoorbeeld in de Ronde van Spanje en bij het wereldkampioenschap in Benidorm. “Ze laadt de accu op”, vertelt Rominger, “met name in een grote ronde. Na twee weken heb ik dan genoeg van het fietsen. Op zo'n moment heb ik behoefte aan gesprekken die niet over het wielrennen gaan. Een vrouw kan een hele carrière kapot maken, ze kan ook helpen het grote succes te behalen. Brigitte heeft dat laatste gedaan. Zonder haar was ik nooit aan de top gekomen.”

Rominger heeft in zijn leven een ware gedaantewisseling ondergaan. Toen hij in 1986 prof werd was hij een breekbaar, emotioneel ventje. Het kneusje kwam in de maanden mei, juni en juli nauwelijks aan wedstrijden toe wegens hooikoorts. Hij ging van specialist naar specialist. “En ik kreeg er injecties voor”, herinnert hij zich, “maar die zorgden niet voor verbetering. Integendeel, ik voelde me alleen maar slechter. Ik moest mijn lot aanvaarden, hoe hard het ook was. De doktoren zeiden dat die allergie over zou zijn als ik een jaar of dertig was. Gelukkig hebben ze gelijk gekregen.”

Dat Rominger, vandaag niet te bewonderen in de Amstel Gold Race, in de afgelopen seizoenen tot een super- sterke kampioen is uitgegroeid, dankt hij naar zijn zeggen mede aan zijn vriend en vertrouweling professor Michele Ferrari, een leerling van de beroemde professor Francesco Conconi van de universiteit van het Italiaanse Ferrara, die Francesco Moser ooit begeleidde toen hij een aanval voorbereidde op het wereld-uurrecord. Ferrari leerde de Helveet eerst beter met zijn handicap omgaan en voorzag hem tevens van perfect uitgekiende trainingsschema's. “Ferrari prikte niet alleen regelmatig mijn bloed”, legt Rominger uit, “hij voerde ook testen met me uit. Tijdens tijdritten en in de bergen. Zonder hem was ik nooit op een hoog niveau gekomen.” Maar Rominger heeft ook veel zèlf gedaan. Hij veranderde zichzelf in een gedreven doorzetter, met een ijzeren zelfdiscipline. Alles heeft hij er voor over gehad om in het wielermétier te slagen.

Als tiener leek zijn kans op succes minimaal. Negentien jaar was hij al toen hij met fietsen begon. Regelmatig maakte hij tochten met zijn broertje van net vijftien, dat hem in de omgeving van hun woonplaats Salo aan het Gardameer in de beklimmingen altijd de baas was. Het was zo'n vernedering, dat hij er zowat een minderwaardigheidscomplex aan overhield. Rominger, destijds nog boekhouder van beroep, werd later desondanks een redelijke amateur. Pas in 1985 - hij was toen 24 - volgde er een echte doorbraak. Dat gebeurde in de Grand Prix des Nations, een tijdrit voor profs en amateurs in Zuid-Frankrijk. “Aanvankelijk was niet goed genoeg bevonden om te starten”, weet Rominger nog. “Toen de grot Stephen Roche zich ziek afmeldde mocht ik meedoen.” Hij verraste alles en iedereen met zijn tiende plaats. Prompt kreeg hij een profcontract aangeboden bij het Zwitserse Cilo.

In 1986 werd hij vijfde in die Grand Prix des Nations, hetgeen hem een plaats opleverde in de grotere Italiaanse formatie Brianzoli-Chateau d'Ax. Twee jaar later reed hij zijn eerste en tot nu toe enige de Tour de France, maar hij was “onzichtbaar”. “Hooikoorts verpestte alles”, aldus Rominger. Als kind van drie had hij al astmatische klachten - zijn (Deense) moeder en vader verhuisden daarom van het Deense Edlibach naar de Zwitserse bergen - en pas sinds twee jaar is hij daarvan min of meer verlost. Het is duidelijk te zien aan de erelijst van de laatbloeier: in 1991 won hij Parijs-Nice, de Ronde van Romandië en de finale (een tijdrit) van de Wereldbeker. Begin 1992 voorspelde hij met Zwitserse precisie dat hij in drie wedstrijden zou uitblinken, de ronden van Baskenland, Spanje en Lombardije. Hij won ze alledrie...

Bij de presentatie van Clas, in januari, meldde Rominger de internationale wielerpers dat hij deze competitie zijn zinnen had gezet op de Ronde van Baskenland, Luik-Bastenaken-Luik, de Ronde van Spanje en de Tour de France. In Baskenland triomfeerde hij, in Luik moest hij afgelopen weekeinde alleen Rolf Sörensen laten voorgaan. “Spanje? Ik wil de komende weken een goed figuur slaan”, legt Rominger uit. “Dat ben ik ook verplicht tegenover mijn sponsor, die me goed betaalt. Het is alleen moeilijk te zeggen of ik net als in '92 win. Ik begin iets anders aan de Vuelta dan vorig jaar, toen die wedstrijd mijn hoofddoel was. Nu volgt er nog een Tour. Ik droom van een plaats op het podium in Frankrijk, ik reken daar stilletjes zelfs op.”

Als Miguel Indurain net zo sterk rijdt als in '91 en '92, beseft Rominger, dan is de Spaanse Tourheld niet te kloppen. “Maar ook hij kan een zwakke dag hebben. Is dat zo, dan zal ik daar zeker van profiteren. In elk geval weet ik dat ik in de bergen met de allerbesten meekan. De laatste jaren heb ik in de cols steeds vooruitgang geboekt. Trouwens, dat wijzen ook de proeven van professor Ferrari uit. En vergeet niet dat ons team de sterkste groep is voor Alpen en Pyreneeën. Kijk maar naar de uitslagen van vorig seizoen. In de tijdritten verlies ik vanzelfsprekend van de expert Indurain. Maar Claudio Chiappucci, ook een groot concurrent, ben ik op dat onderdeel de baas, dat weet ik zeker.”

In de Ronde van Spanje ziet hij Pedro Delgado en met name Erik Breukink als zijn belangrijkste opponenten. “Breukink is zeer compleet. Een kanjer in de ritten tegen de klok. Ik ken die jongen al lang, hij is sympathiek. Wel een stuk jonger dan ik, maar toch van mijn lichting, want we debuteerden samen bij de profs. Hij heeft zich uitstekend ontwikkeld, ook al heeft hij misschien vaker dan een ander een slechte dag. Zo'n off-day kan mij in de Vuelta nog goed uitkomen. We wachten maar af.” Rominger is bezig aan zijn tweede seizoen bij Clas, waar hij zich beter op zijn gemak voelt dan bij het Franse Toshiba, zijn vorige werkgever. “In Frankrijk bepaalde de ploegleider waar ik starten moest. Of ik zin had of niet. Dat had overbelasting en wrevel tot gevolg. Van Fernandez mag ik nu mijn eigen programma samenstellen, zoals vroeger bij Chateau d'Ax, waar Stanga de leiding had. Maar daar werd het schema te pas en te onpas gewijzigd. Dat vond ik vreselijk. Ik wil lang tevoren weten waar ik precies aan toe ben. Tot in de kleinste details. Misschien is dat nog de boekhouder in mij.”

Van Fernandez krijgt Rominger eveneens de vrijheid zijn eigen plan te trekken bij de voorbereiding op een bepaalde wedstrijd. De chef d'equipe doet dat met een gerust hart, want hij weet dat zijn ambitieuze, plichtsgetrouwe kopman er nimmer met de pet naar gooit. Rominger stippelt graag dicht bij huis, bij Brigitte en dochtertje Rachel, trainingsroutes uit. Hij woont in een appartement, dertig hoog, in Monaco. “Ik zit daar lekker centraal”, verduidelijkt de Zwitser, wiens jaarsalaris volgens de Franse sportkrant l'Equipe bijna twee miljoen gulden bedraagt, “het is niet bijzonder ver van Spanje en slechts vijfendertig kilometer van het vliegveld van Nice verwijderd.” Het is voor de miljonair uiteraard mooi meegenomen dat het prinsdom ook nog eens een aantrekkelijk fiscaal klimaat heeft. Rominger wil tenslotte graag nog even kwijt dat hij in géén geval wegens de glamour en glitter naar Monte Carlo is getrokken want, herhaalt hij, van al die poespas moet hij echt niets hebben.