Het station van Exeter

Voor ik zelf een keizerskroon (Fritillaria imperialis) had, placht ik naar die van andere mensen te gaan kijken. Bij kennissen die er een paar hadden, en in de Clusiustuin in de Leidse Hortus: het was een dwangmatige handeling, zoals van een kinderloze vrouw die een baby steelt uit een kinderwagen bij Albert Heijn. Ik had mij gendoctrineerd er zelf niet aan te beginnen omdat zij in mijn tuin toch niet zou gedijen, en stelde me tevreden met bewonderen in de tweede graad. Redelijkheid beheerst het bestellen van bollen uit een catalogus, maar ik was verloren toen ik er een in werkelijkheid tegenkwam: in een dierenwinkel. Het was of ik van alle verantwoordelijkheid was ontslagen omdat ik hem in een dierenwinkel had gekocht.

Het bed waarin ik hem plantte was vorige lente gewijd geweest aan een "weelde' van allochtone rose tulpen (Tulipa bakeri "Lilac Wonder', met een prachtige oud-rose tint), vergeetmenieten en perebloesem, en ik was wat beducht op het effect van een oranje keizerskroon daartussen. Maar gelukkig hebben de tulpen zich gedragen zoals ze bij mij altijd doen, dat is te zeggen als eenjarigen, en dus was het bedje voor mijn keizerskroon gespreid.

Daar staat zij nu, 115 cm van voet tot kruin (uit niets! in luttele weken!), naief en schitterend oranje, en zeer buitenaards, alsof zij de clou was van een surrealistische collage. Dat is misschien omdat zij daar alleen staat; de indruk zou minder frappant zijn als het er meer waren. De plant gedijt daar dus uitstekend, maar dat zegt met bolgewassen weinig, dat deden de tulpen ook het eerste jaar. Intussen blijft het moeilijk te geloven dat er zoveel vegetatie uit één bol kan komen, al was die dan zo groot als een grapefruit.

De bloemen alleen al zijn 9 cm lang en verbluffend mooi, oranje met donkerrode adertjes. (Er bestaat, voor degenen die als gevolg van de jaren '60 behept zijn met een onoverwinnelijke afkeer van oranje, een gele variëteit). Het onderste gedeelte van de stengel, waar de bladeren zitten, is groen. Dan komt er een volkomen kaal stuk, met bovenaan de bloemen, en dat stuk is paars. De vijf bloemen zitten tegen elkaar gekropen in een cirkel rond die stengel, de kelk resoluut naar beneden zoals het een fritillaria betaamt, en dan, daar weer boven, komt de kroon op het werk, de kuif. Dat extra kransje bladeren, komend uit de bovenkant van haar hoofd, is wat de hele plant zo'n merkwaardige aanblik verschaft. Planten brengen gewoonlijk hun bloemen voort en daarmee uit, maar de keizerskroon ziet er uit of zij zich niet kon weerhouden er met een zwierig gebaar nog wat aan toe te voegen.

Ik had altijd gedacht dat dat de kroon was waar de naam naar verwijst; maar volgens Canon Ellacombe (In a Gloucestershire Garden, 1895, herdrukt 1982) staat er nog iets veel prachtigers op het programma. Wanneer de bestuiving eenmaal heeft plaatsgevonden richten de zaaddozen zich omhoog ""tot zij zich uiteindelijk in perfecte orde bovenop de bloemstengel rangschikken, aldus iets vormend dat met weinig fantasie gezien kan worden als een welgevormde kroon voorzien van scherpe, met juwelen bezette punten.'' Dat is een aanblik die ik nog niet heb aanschouwd: ik moet mijn bedevaarten naar de Hortus te vroeg hebben beëindigd.

Canon Ellacombe noemde de keizerskroon ""een van de meest grandioze aprilbloemen - ik zou bijna zeggen een van de meest grandioze bloemen van het hele jaar.'' E.A. Bowles hield ook van ze, met één belangrijk voorbehoud: ""de oude variëteiten verspreiden een ellendige stank, een mélange van schurftige vos, vervuilde hondenkennel, de afdeling kleine roofdieren in de dierentuin, en het Station van Exeter... hoewel ik niet zonder keizerskronen kan moet ik soms mijn neus dichtknijpen als ik bij ze in de buurt ben.'' (My Garden in Spring). Misschien heb je er meer dan één nodig om het Station van Exeter-effect op te roepen: de mijne geeft niet meer af dan een zweempje ongewassen hond.

""Eens stond de keizerskroon in de Hof van Gethsémané; zij was toen nog wit en de bloemkelken stonden omhoog, en zij was te trots om het hoofd te buigen toen Onze Verlosser de tuin betrad'', aldus een legende geciteerd door Bowles. ""Toen zij mild werd berispt door de Schepper zag zij haar zonden in en boog haar hoofd met een blos van schaamte, en heeft deze houding sindsdien behouden, met tranen in de ogen.'' Die tranen zijn er echt, heel opmerkelijk, zes grote druppels nectar hangen in elke bloem, als waterdruppels die op het punt staan van een lekkende kraan te vallen; alleen doen ze dat niet, zelfs niet als je aan de plant schudt. Uit zijn Perzische vaderland (maar de plant wordt ook gevonden in Turkije, Afghanistan, Pakistan en Kashmir) komt het verhaal dat de plant ""een koningin was die door haar gemaal ten onrechte van ontrouw werd verdacht, en door een barmhartige engel in deze bloem werd veranderd; maar de tranen blijven tot zij met hem wordt herenigd.'' (Alice Coats, Flowers and their Histories) Volgens Roger Phillips en Martyn Rix (Bulbs, Pan Books 1989) was de plant in Perzië bekend als "Mariatranen'. Maria in Perzië? Misschien een amalgaam van de twee andere verhalen?

De keizerskroon heeft iets buitengewoon exotisch, of op z'n minst verrassends, maar tegelijk ook iets ouderwets en bekends. Niet alleen bekend uit zeventiende-eeuwse bloemenschilderijen en historische tuinen, maar bovendien sinds die tijd niet veranderd, want dankzij een of ander wonder ontsnapt aan "verbetering' door de gevreesde kruisbestuivers. Als je er een kweekt krijg je praktisch dezelfde plant als een zeventiende-eeuwse tuinier. Mr Bowles hoopte dat iemand een variëteit zou kweken die niet naar het Station van Exeter zou ruiken, maar ik ben dankbaar dat het niet is geprobeerd (of gelukt): je stelt je voor wat dat zou hebben opgeleverd - de Mini Crown Imperial, of de New Improved Purple.

De stad Leiden, waar mijn gigantische exemplaar nu staat te bloeien, was de eerste plaats in Noordwest-Europa waar de keizerskroon werd gezien (en in feite dus ook de plek waar het naar Station Exeter heeft geroken, eeuwen voor het gebouwd werd). Zij werd gentroduceerd door Clusius (Charles de l'Ecluse, 1526-1609), die haar eerst kweekte in Wenen in 1576, waar hij de medicinale kruidentuin van Keizer Maximiliaan II beheerde (en waaraan het predicaat van keizerlijk ontleend heet te zijn, hoewel Clusius zelf de plant kende als de Perzische Lelie); hij moet een stuk of wat bollen in zijn koffer hebben gehad toen hij in 1593 naar Leiden vertrok.

Dat is nu vierhonderd jaar geleden en het leek mij gepast het vierde eeuwfeest van Clusius' inkomst in Leiden te vieren met het kweken van deze door hem gemporteerde fraaiste plant. Het is ook bevredigend te bedenken dat hij, die zich af zou kunnen vragen wat latere generaties van zijn tulpen hebben gebakken, zijn keizerskroon onmiddellijk zou hebben herkend.

Fritillaria imperialis

CORONA IMPERIALIS POLYANTHOS, IN "HORTUS EYSTETTENSIS' DOOR BASIL BESLER, 1613

And Earth's old glooms and pains

Are still the same, and Life and Death