GEORGES BENJAMIN CLEMENCEAU; Politicus, staatsman, journalist en duellist

At the Heart of a Tiger. Clemenceau and His World 1841-1929 door Gregor Dallas 820 blz., gell., Macmillan 1993, f 80,50 ISBN 0 333 49788 0

Heldendom is ouderwets. Voor politieke krachtpatsers en agressieve oorlogshelden is in onze voorzichtige democratie geen plaats. Historici die hun werk goed doen beschrijven daarom politieke helden meer met verwondering dan bewondering. Is het bovendien niet veel interessanter in een biografie het heldendom te ontrafelen dan aan de voeten van het standbeeld te blijven zitten?

Over de Franse politicus, staatsman en oorlogsleider Clemenceau is een stapel boeken geschreven. Alleen al in het Engels bestaat een handvol biografische studies, waaronder enkele recente. Het is daarom merkwaardig als eerste regel van een nieuwe biografie te lezen: ""Of all major war leaders in recent times certainly the least known to English-speaking readers today is Georges Benjamin Clemenceau.'' Als alle biografen voor hem er niet in geslaagd zijn het publiek te bereiken, waaraan ontleent de in Frankrijk woonachtige Engelse publicist Gregor Dallas dan de pretentie dat hem dat wel zal gelukken?

In de inleiding van zijn boek volgt hij twee tegenstrijdige strategieën om de lezer te boeien. De eerste is klassiek en onbevredigend. Dallas betoogt dat door de Tweede Wereldoorlog de prestatie die Clemenceau in de Eerste leverde, is vergeten. Volgens hem staat Clemenceau op één lijn met Churchill en De Gaulle en iemand van een dergelijke statuur verdient de aandacht.

De tweede is origineler, beheerst het boek, maar is niet consequent doordacht. Clemenceau is beroemd geworden door zijn onverzettelijke houding als Franse premier in het laatste jaar van de Eerste Wereldoorlog, maar hij was toen al bijna tachtig jaar. Eigenlijk was hij een negentiende-eeuwer en stamde hij uit een wereld die ons niet meer vertrouwd is. Een biografie van Clemenceau kan dus een vreemde en verre wereld tonen. Dallas maakt van die mogelijkheid overvloedig gebruik. Als Clemenceau uit zijn geboortestreek naar Parijs vertrekt, geeft de biograaf een mooie indruk van het leven in de Franse hoofdstad; als Clemenceau voor enige tijd naar New York gaat, krijgt de lezer een beeld van de drukke wereldstad; als Clemenceau op verkiezingstournee gaat naar het zuiden van Frankrijk, wordt verteld over hobbelende koetsen en tochten op de rug van een ezel naar schilderachtige dorpjes, waar de burgemeester en het handjevol kiezers hem staan op te wachten.

LEGITIMATIE

Dallas gaat ver in zijn poging de lezer in het verleden binnen te voeren. Hoewel hij klaarblijkelijk gedegen onderzoek gedaan heeft, wil hij zijn publiek niet lastigvallen met een eindeloze literatuurlijst, laat staan met voetnoten (een lijst van archivalia en ""books of importance, interest and pleasure'' moet volstaan).

At the heart of a Tiger heeft duidelijk de bedoeling tot een grote oplage te reiken en zal in verkoopaantallen zijn legitimatie zoeken. Voorlopig geef ik toch de voorkeur aan het enkele jaren oude standaardwerk van Jean-Baptiste Duroselle. Misschien wel omdat het in het Frans geschreven is. Op de een of andere manier krijg ik bij Duroselle toch meer greep op Clemenceau dan in deze Engelstalige biografie van Dallas. Duroselle neemt minder afstand tot de vorige eeuw, maar schrijft rustig zodat men het voor lief kan nemen dat het hoofdstuk over de Eerste Wereldoorlog ""le pouvoir et la gloire'' heet en hij een enkele maal schrijft over ""l'honneur de la France'' of de ""grand homme''.

Het uitgangspunt van Dallas om de negentiende eeuw als een vreemde wereld te beschrijven is niet slecht. Hij vergeet echter iets. Niet alleen de maatschappelijke omstandigheden van die tijd zijn ons vreemd geworden; ook de personen die erin leefden zijn ons niet meer vertrouwd. Zeker voor Nederlanders valt het niet mee het Frankrijk en de Fransen van honderd jaar geleden te begrijpen. De Franse Derde Republiek die na de nederlaag van Napoleon III in de Frans-Duitse oorlog ontstond, heeft in Nederland zelden een goede pers gehad. Slechts een enkele liberaal begroette na 1870 de nieuwe republiek enthousiast. De parlementaire instabiliteit, de affaires en schandalen leken echter endemisch. Dus werd, mede door de Nederlandse overtuiging dat Fransen van nature frivool en niet serieus waren, de politiek van het land met een zeer kritische distantie gevolgd.

EIGENWIJZE POLITICI

Wie nu iets leest over de Derde Republiek moet een afstand overwinnen. Toen Siep Stuurman voor zijn studie over het Nederlandse liberalisme Wacht op onze daden zocht naar mogelijkheden tot internationale vergelijking kwam hij als vanzelf in Engeland terecht. Sam van Houten, de persoon aan wie hij de meeste aandacht schonk, vertoont echter op het eerste gezicht grote overeenkomsten met Clemenceau. Clemenceau werd in 1841 geboren, Van Houten in 1837. Beiden waren zij radicale, rationalistische liberalen, athesten, overtuigde antiklerikalen en dominante, eigenwijze politici. Beiden ook huldigden zij een pessimistische levensbeschouwing, hadden ze veel aandacht voor de rol van de wil in het leven en waren ze zeer strijdbare en individualistische persoonlijkheden die zich niet wensten te voegen in het gareel van een politieke partij. Beiden tenslotte speelden tot op hoge leeftijd een rol in de politiek.

Het onderscheid overheerst evenwel. Dat begint al met de rol van oorlogen in Clemenceaus carrièreverloop. Tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1870 deed hij zijn intrede in de politiek, gedurende de Eerste Wereldoorlog kon hij uitgroeien tot nationale figuur. Even belangrijk zijn de verschillen in de binnenlandse politiek. In Nederland waren er politieke controverses maar bleef de constitutionele monarchie zeker vanaf 1848 gehandhaafd. In Frankrijk wisselde de regeringsvorm vanaf de Franse Revolutie voortdurend en kon decennia na 1870 de val van de Republiek nog aanstaande lijken.

Het militante republikanisme van Clemenceau was vóór 1870 per definitie een revolutionaire politieke richting. Clemenceau bracht enige tijd in de gevangenis door en ook zijn republikeinse vader Benjamin werd nu en dan gevangen gezet. De even militante Van Houten gold voor conservatieven als bedreiging van de maatschappelijke orde, maar bleef als respectabele burger ver van het gevang. De Franse politieke cultuur was veel instabieler. Voor Nederlandse liberalen en radicalen was revolutionaire arbeid vrijwel synoniem met criminaliteit. Clemenceau daarentegen had voor 1870 nog gecomplotteerd met de beroemde socialist Auguste Blanqui die het grootste deel van zijn leven in de gevangenis verblijf hield, onderhield na 1870 hartelijke contacten met de befaamde revolutionaire Louise Michel en bemiddelde tijdens de Frans-Duitse oorlog tussen de nieuwe Republiek en de Commune van Parijs. Zijn eigen program formuleerde hij aan het begin van zijn politieke carrière als de voltooiing van de Franse Revolutie.

ONDERBROEK

Een voor Nederlandse begrippen paradoxale verbinding tussen een gevestigde maatschappelijke positie en een radicale, revolutionaire politieke voorkeur was vóór 1870 in Clemenceaus familie heel gewoon. Al generaties lang was het onder de Clemenceaus gebruik medicijnen te studeren, niet zozeer om een praktijk als dorpsdokter uit te oefenen - al deed men dat ook van tijd tot tijd - maar vooral als entreebewijs tot de maatschappelijke elite. Ook Clemenceau zelf studeerde medicijnen en werkte in Parijs enige tijd min of meer serieus als huisarts. Daar mengde hij politiek en doktersarbeid. Op zijn spreekuur kwamen naast patiënten lieden die hem om politieke gunsten wilden verzoeken. Dat leidde wel eens tot misverstanden. Iemand die bij hem wilde aankloppen voor bemiddeling in het verkrijgen van een ambt aarzelde niet zich in onderbroek te presenteren toen hij merkte dat dat blijkbaar gebruik was bij een bezoek aan Clemenceau.

VADER

Vader Benjamin Clemenceau bewoonde een landhuis in het westen van Frankrijk in de ultraconservatieve Vendée. Zelf was hij ook niet in alle opzichten vooruitstrevend. Hij had "zijn' boeren en liet zich aan tafel bedienen door zijn vrouw, die at nadat hij verzadigd was. Het sloot in de politiek een overtuigde voorkeur voor de republiek niet uit. Zoals Clemenceau opmerkte: ""de normale staat van mijn vader is de verontwaardiging.'' Zijn verontwaardiging uitte hij in militante politiek. Ook bij Clemenceau zelf treffen we een voor onze smaak merkwaardige combinatie van voorkeuren aan. Zijn familie wordt beschreven als al eeuwenlang "bourgeois'. In overeenstemming met de gebruiken van zijn milieu en land was hij echter een groot liefhebber van de jacht en van literaire of politieke "salons'. Het uitzonderlijkste in onze ogen - maar niet in zijn tijd - is wellicht zijn passie voor het duel. Hij was een geoefend en gevreesd schermer en schutter en zodra iemand in politiek of pers de suggestie wekte hem voor leugenaar uit te maken, werd er een afspraak gemaakt met de secondanten. In bos of veld werd dan gestreden; doden vielen er niet maar de verwondingen konden aanzienlijk zijn.

Het duel floreerde in de instabiele politieke cultuur met haar grote strijdbaarheid. Ook schandalen waren er aan de orde van de dag. Om te beginnen kende iedereen iedereen. Frankrijk was (en is) zeer gecentraliseerd en het politieke en culturele leven speelde zich af in Parijs. Alles gebeurde in een kleine, wat broeierige wereld. Daarbij kwam dat door de snelle wisseling van regimes het onderscheid tussen principiële politici en fortuinzoekers niet voor iedereen zichtbaar was.

Zo kon het gebeuren dat Clemenceau betrokken was bij de drie grootste crises van het Franse fin de siècle. Hij had in het begin van de jaren tachtig hartelijke betrekkingen gecultiveerd met generaal Boulanger als een van de weinige hoge militairen met een republikeinse voorkeur. Clemenceau wist echter niet hoe snel hij zich van hem moest distantiëren toen Boulanger zich enkele jaren later ontpopte als een niet alleen populair maar ook populistisch politicus die voor de Republiek van de praters een krachtig bewind in de plaats wilde stellen. Het onweer dreef over en Clemenceau onderscheidde zich door zijn stellige verzet tegen Boulanger.

Enkele jaren later liep het voor hem persoonlijk verkeerd af. Voor de aanleg van het Panamakanaal werden fondsen geworven in Frankrijk. De constructie van de waterweg stuitte voortdurend op onvoorziene problemen en de kosten werden hoger en hoger. Om aandeelhouders niet af te schrikken werd de pers met strategische betalingen ertoe gebracht slechts van rozegeur en maneschijn te berichten. De zaak kwam aan het licht en een van de grootste boeven was de speculant Cornelius Herz. Deze was bevriend met allerlei leidende republikeinse politici en Clemenceau had hem in een onbezonnen ogenblik zelfs benoemd tot voogd van zijn kinderen in het geval dat hem iets zou overkomen. Het Panamaschandaal betekende het voorlopige einde van Clemenceaus politieke carrière.

VIS IN HET WATER

Vanzelfsprekend gaf Clemenceau de moed niet op. Hij begon een nieuw leven als journalist. ""La vie est une lutte'' schreef hij in de sociaal-darwinistisch getinte taal van zijn tijd. En in een leven dat strijd was voelde hij zich als een vis in het water. Als politicus had hij tot dan toe voortdurend de oppositie gezocht. Als journalist ging het niet anders. Met zijn loopbaan ging het weer crescendo toen hij in de laatste jaren van de eeuw een nieuwe zaak vond om voor te strijden: Dreyfus. Het "J'accuse' van Emile Zola was de beslissende stap in de verdediging van de ten onrechte voor landverraad veroordeelde joodse kapitein Dreyfus. Clemenceau bedacht de titel van het stuk dat verscheen in L'Aurore, het blad dat hij redigeerde.

In de Dreyfus-affaire kon Clemenceau zich rehabiliteren. Hij kwam weer in de politiek en kon in 1906 zelfs een ministerie vormen dat - uitzonderlijk voor de Derde Republiek - drie jaren aanbleef. Dallas beschrijft de behoudende sociale politiek die hij voerde en de rol van stakingsbreker die hij speelde als realistisch en eigenlijk afgedwongen door de omstandigheden. Dat lijkt me teveel eer voor de negentiende-eeuwer die Clemenceau in veel opzichten bleef. Hij bleef geloven in de individu en had weinig op met collectieven, of het nu katholieke of socialistische waren. Voor de individualist die hij was, was een "klasse' een abstractie. Sociale problematiek bleef voor hem toch vooral individuele problematiek. In het duizend pagina's tellende Au soir de la pensée dat hij in de laatste jaren van zijn leven publiceerde komt van alles aan de orde, maar is slechts één pagina gewijd aan sociaal-economische problemen.

BEZIELENDE KRACHT

Clemenceau werd pas eerste minister toen hij al ongeveer vijfenzestig was. Zijn belangrijkste prestatie leverde hij toen hij de vijfenzeventig gepasseerd was. In 1917 werd hij opnieuw premier. Zijn gedreven leiderschap betekende veel voor het Franse moreel in het laatste oorlogsjaar. Clemenceau symboliseert hoezeer in de Eerste Wereldoorlog nog negentiende-eeuwse waarden domineerden. Zijn geloof in wilskracht (in plaats van het onderbewuste) en individuele strijdbaarheid (in plaats van maatschappelijke krachten) was negentiende-eeuws. Dit geloof maakte hem tot een bezielende kracht. Ook negentiende-eeuws was de wijze waarop zijn individualisme was ingebed in "de machtigste emotie van het menselijk geslacht', l'amour de la patrie. Natuurlijk was hij ervan overtuigd dat het heil van Frankrijk, het heil van de mensheid betekende. Vaderland en Republiek vielen voor Clemenceau samen, maar in de oorlog leerde hij zelfs katholieken waarderen die zich onversaagd voor Frankrijk inzetten.

De Eerste Wereldoorlog was het sombere einde van de negentiende eeuw. Het massale geweld van de oorlog maakte het negentiende-eeuwse duel tot een absurditeit. Vanzelfsprekend had Clemenceau het duelleren al eerder opgegeven, maar nog na zijn tachtigste jaagde hij op leeuwen en tijgers tijdens de reizen die hij na de oorlog door alle delen van de wereld maakte. Was het conflict met Duitsland voor hem een "duel'? Niet als men daarbij denkt aan een al te lichtvaardige aangelegenheid, wel als men zich realiseert dat voor Clemenceau het duel een strijd was voor eer, integriteit en vrije zelfstandigheid, de zaken waarom zijn leven draaide. En ook in zoverre het duel een mannenaangelegenheid was.

Clemenceaus leven was een mannenleven. Hij werd sterk benvloed door zijn vader, bleef na een mislukt huwelijk alleen - en was regelmatig gebrouilleerd met zijn kinderen. Over zijn affaires is wel veel gespeculeerd maar het typeert de man dat de discussie schimmig blijft; liefdesaffaires hebben zijn leven niet bepaald. In ieder geval koesterde Clemenceau de overtuiging dat zijn biograaf ze niet zou behoeven te kennen: veel brieven heeft hij vernietigd. Als oorlogspremier leefde hij met enkele trouwe medewerkers in bescheiden kamers en bepaalde daar de politiek van het land.

Zijn bijdrage aan de Vrede van Versailles was zijn laatste grote politieke werk. Hoewel hij minder onverzoenlijk was dan de legende wil doen geloven, moest Duitsland worden kortgehouden en verplicht tot herstel van de schade. Voor hem was de vrede met de herstelbetalingen een politieke en morele zaak. Van de afhandeling van de financiële aangelegenheden had hij absoluut geen kaas gegeten. De politieke discussie van driekwart eeuw later die voornamelijk in financieel-economische termen wordt gevoerd, zou hem volslagen vreemd zijn geweest.