Gelijke gevallen asielzoekers worden verschillend beoordeeld

Tot voor kort konden asielzoekers behorend tot de christelijke minderheden in het Midden-Oosten in de praktijk rekenen op een soepel toelatingsbeleid. De staatssecretaris van justitie voert nu echter zonder enige uitleg een beleidswijzing door.

Al vele jaren nemen de christenen een bijzondere plaats in onder de asielzoekers uit het Midden-Oosten die in Nederland of elders in West-Europa een menswaardig bestaan hopen te vinden. Niet omdat hun lotgevallen ernstiger zouden zijn dan die van een deel van hun niet-christelijke landgenoten of omdat zij komen uit landen waar de islam de dominante culturele waarde is en zij behoren tot de gemeenschappen die dreigen af te sterven. Geen van deze omstandigheden geeft hun automatisch recht op bescherming tegen terugzending. Dit geldt in dezelfde mate voor de Armeniërs uit Turkije, de Kopten uit Egypte, de Syrisch-orthodoxe christenen uit Turkije en Syrië als voor de christelijke asielzoekers uit Irak of Libanon.

Wat maakt de positie van de betrokkenen dan wèl bijzonder? Afgezien van traumatiserende gebeurtenissen in het verleden (zoals de genocide in 1914 op de "Turkse' Armeniërs) en het feit dat zij deel uitmaken van minderheidsgroeperingen in het land van herkomst, wordt die bijzondere positie vooral veroorzaakt door het beleid van de Nederlandse overheid. De successieve staatssecretarissen van justitie trachtten in het verleden weliswaar incidenteel duidelijke grenzen te stellen aan dit lastige onderdeel van het toelatingsbeleid, uiteindelijk veranderden zij toch meestal van mening, vaak na parlementaire en buitenparlementaire actie. Bijvoorbeeld de massale vlucht naar de Sint-Janskathedraal in Den Bosch in 1979, en de commotie die in 1989 ontstond nadat enkele Syrisch-orthodoxe vrouwen naar Syrië waren uitgezet en daar in de problemen raakten.

In de loop der jaren ontstond aldus een opvallende discrepantie tussen theorie en praktijk. Hoewel de afdeling rechtspraak van de Raad van State, gesteund door de ambtsberichten van het ministerie van buitenlandse zaken, steeds tot de slotsom kwam dat ten aanzien van betrokkenen vaak wel van discriminatie en rechteloosheid, maar niet van vervolging kon worden gesproken, werd de praktijk dat de christenen uit het Midden-Oosten in beginsel toch op bescherming tegen terugzending konden rekenen. Niet omdat zij christenen waren, maar omdat zij vrijwel altijd jarenlang - soms als christenen - aan ingrijpende vormen van rechteloosheid hadden blootgestaan. Soms veroorzaakt door medeburgers, vaak door de overheid.

Het duidelijkst lag dit voor de Armeense en Syrisch-orthodoxe asielzoekers uit Turkije. Uit de jaren 1980 tot 1992 is mij geen voorbeeld bekend van iemand die tot deze groep behoorde en tegen zijn wil naar Turkije werd uitgezet. Vroeg of laat kregen allen een vergunning tot verblijf als asielgerechtigde, en sinds enkele jaren een vergunning tot verblijf "zonder beperkingen'.

Voor andere christelijke asielzoekers uit het Midden-Oosten lag de situatie in zoverre anders dat meestal een ad hoc-beleid werd gevoerd. Het resultaat was echter vrijwel steeds hetzelfde: meestal een vergunning tot verblijf. Het laatste jaar greep men echter steeds vaker naar het paardemiddel van het "opschorten van de uitzetting'.

Als de voortekenen niet bedriegen is het nu met de aldus ontstane status quo gedaan, en moeten de christelijke asielzoekers uit het Midden-Oosten er voortaan rekening mee houden dat zij alleen nog op de individuele merites van hun zaak voor asielverlening in aanmerking kunnen komen. Gezien de restrictieve koers die de staatssecretaris óók in asielzaken volgt zullen zij in de toemomst in beginsel als kansloze asielzoekers worden behandeld - met alle gevolgen van dien. Opsluiting in het grenshospitium of andere locaties, zogenaamde "0-dagen-termijnen', verloren kort gedingen, uitzetting of onderduik voor de "uitgeprocedeerden'.

De directie Vreemdelingenzaken van het ministerie van justitie is in de loop van vorig jaar begonnen met een grootscheepse "roll-back'-operatie, die thans - vooralsnog - door de rechtspraak in kort geding blijkt te worden gedekt. Het begon vorig jaar met het voornemen enkele uit Syrië afkomstige Syrisch-orthodoxe christenen naar Syrië te verwijderen. Na enige inleidende schermutselingen strandde die poging op het verzet van één van de Zwolse vice-presidenten. In het vonnis van 26 oktober 1992 werd onder meer overwogen: “Op die grond (het feit dat tot begin 1992 het merendeel van de uit Syrië gevluchte Syrisch-orthodoxe christenen een verblijfsvergunning verkreeg) is het onaannemelijk dat de toekenning van verblijfsvergunningen aan de onderhavige groep steeds louter en alleen op grond van de individuele merites van het geval is geweest en niet tevens in het licht van de situatie in het land van herkomst. Onder deze omstandigheden kan (de staat) alleen dan zijn beleid wijzigen wanneer dit gemotiveerd gebeurt.”

Dit vonnis, waartegen de staat appelleerde, leidde tot Kamervragen van Groen Links. Die vragen werden op 5 januari 1993 door de staatssecretaris van justitie beantwoord. In dat antwoord werd opgemerkt: “Het beleid ten aanzien van de Syrisch-Orthodoxe christenen uit Syrië is ongewijzigd gebleven.” Dat beleid was, aldus de staatssecretaris, steeds gebaseerd geweest op een strikt individuele toetsing. Dat werd niet anders nu, nog steeds volgens de staatssecretaris, vrijwel alle betrokkenen een vergunning tot verblijf zonder beperkingen was verleend. Hoewel in dat antwoord dus niet werd gerept van de positie van de Armeniërs en de Syrisch-orthodoxe christenen uit Turkije, en evenmin over andere christenen uit andere landen uit het Midden-Oosten (en ook in ander opzicht vele vragen opriep) meende de directie Vreemdelingenzaken kennelijk nu de handen vrij te hebben voor een "grondiger' aanpak. Na januari 1993 is door de landsadvocaat in kort geding dan ook steeds gesteld dat de staatssecretaris van justitie door de beantwoording van de vragen van Groen Links zijn positie jegens alle christelijke asielzoekers uit het Midden-oosten duidelijk heeft gemaakt.

Het bijzondere van deze hele operatie is echter juist dat zij wordt doorgevoerd zonder dat de staatssecretaris van justitie in het parlement of elders heeft uiteengezet wat hem tot deze beleidsbreuk motiveert. En óók dat deze beleidsbreuk - tot dusver - door de rechtspraak in kort geding wordt gedekt. “Het beleid van de staatssecretaris van justitie is door de beantwoording van de Kamervragen duidelijk geworden”, zegt een vice-president van de Haarlemse rechtbank niettemin in een op 5 februari 1993 gewezen vonnis. “Hoewel de uitleg van de staatssecretaris slechts betrekking had op de situatie van de Syrisch-orthodoxe christenen uit Syrië en de situatie van de Syrisch-orthodoxe christenen uit Turkije noch die van de Armeense christenen uit Turkije daarbij ter sprake is geweest, dient er van te worden uitgegaan dat het door de staatssecretaris gevoerde beleid zich ook over deze groepen van christenen uitstrekt”, overweegt de president van de arrondissementsrechtbank te Zwolle in een op 16 april jl. gewezen vonnis.

Tegen alle hiervoor genoemde vonnissen is appel ingesteld. Afgewacht moet worden hoe de appelrechter erover denkt. Zal ook hij vinden dat de staatssecretaris van justitie gerechtigd is zijn beleid voor nieuwe "gevallen' te wijzigen zonder dat hij dit behoeft te motiveren (zoals in het vonnis van 16 april impliciet wordt overwogen)? De rechtzoekenden zullen dat pas over vele maanden weten. Maar de vraag rijst intussen wel of de staatssecretaris van justitie over deze sluipende en niet-geëxpliciteerde beleidsbreuk door het parlement niet op indringender wijze aan de tand moet worden gevoeld dan tot dusver is gebeurd. Dat de situatie van de christenen in het Midden-Oosten op tal van punten niet uitermate zorgwekkend is kan immers in redelijkheid niet worden volgehouden. Het is ook de vraag hoe de staatssecretaris van justitie denkt om te gaan met de existentiële nood van vele honderden personen die, na soms jarenlang in Nederland te zijn gedoogd, met de consequenties van deze nieuwe politiek worden geconfronteerd. Maar in juridisch opzicht is het saillante punt natuurlijk dat gelijke gevallen niet (meer) gelijk worden behandeld, en dat niet eens meer wordt uitgelegd waarom. Het tekent de tijd dat daar geen sanctie meer op lijkt te staan.