"GEEN KAPITALISTISCH GEDOE IN ONZE GELEDEREN!' De wording van een socialistische verzekeringsbank

De Centrale Centraal. Geschiedenis van de Centrale Arbeiders- Verzekerings- en Depositobank opgericht in 1904 tot aan de fusie in de Reaalgroep in 1990 door Jacques van Gerwen 449 blz., gell., IISG/NEHA 1993, f 69,90 ISBN 90 6861 073 2

Omstreeks de eeuwwisseling begon er vraag te ontstaan naar iets méér dan koffie na de dood: "moderne' levensverzekeraars gingen langzaam de plaats innemen van de traditionele begrafenisfondsen, die voor een deel nog teruggingen op zogenaamde gildebussen en andere organisaties voor wederzijds hulpbetoon. Naast puur commerciële bedrijven onstonden er ook verzekeraars met een ideëel karakter. Over een van deze ondernemingen gaat De Centrale Centraal, de dissertatie waarop de historicus Jacques van Gerwen begin dit jaar promoveerde. Het fraai, zij het niet helemaal consequent archasch uitgegeven werk is tevens een gedenkboek voor de in 1990 in de Reaalgroep opgegane Centrale Arbeiders- Verzekerings- en Depositobank.

Dat gedenkboek en dissertatie elkaar niet hoeven te bijten, is in de afgelopen jaren al vaker bewezen en ook nu valt de combinatie gelukkig uit. Hooguit kan gezegd worden dat de passages over de laatste vijf jaar van De Centrale en over de fusie een wel wat erg zonnige indruk maken. Dat doet aan de rest van het werk weinig af. Passend is dat dit boek verschijnt bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, een instelling die voor een groot deel haar bestaan aan De Centrale te danken heeft.

De Centrale werd in 1904 opgericht als levensverzekeraar met de bedoeling het bedrijf nauw te verbinden aan de sociaal-democratische arbeidersbeweging. De oorspronkelijke plannen voor een bredere opzet, die ook gesteund had moeten worden door 'democratisch' georienteerde politici van anti-revolutionaire, katholieke en liberale zijde zoals Talma, Nolens en Bos, was gefrustreerd door de desastreuze spoorwegstakingen in het voorjaar van 1903, waardoor de sociaal-democraten opnieuw politieke paria's geworden waren.

De initiatiefnemers waren het SDAP-kamerlid G. W. Melchers, één van de eerste "rode dominees', en de zeer jonge verzekeringsman Nehemia de Lieme, zelf geen sociaal-democraat maar veeleer een links-liberaal. Zij kregen echter ook vanuit sociaal-democratische gelederen de wind van voren. De mededeling in de prospectus, dat de Naamloze Vennootschap (een typisch 'kapitalistische' bedrijfsvorm in socialistische ogen) zich ook - zij het marginaal - bezig zou gaan houden met bankzaken, had vooral op Troelstra het effect van de bekende rode lap. Zodra hij Melchers, die voorzitter van de raad van commissarissen zou worden, tegenkwam in de wandelgangen van 's Lands Vergaderzaal, riep hij hem op hoge toon ter verantwoording en beet hem ten slotte toe: ""Jij bederft mijn werk!'', verwijzend naar een recent kamerdebat over effecten- en bankzwendel. Niet minder mals was Troelstra in een commentaar in de partijkrant Het Volk, dat hij besloot met de uitroep: ""Geen kapitalistisch gedoe! Geen effectengescharrel in onze gelederen!''

ONDER HET TAPIJT

Deze frontale aanval van Troelstra leidde er mede toe dat Melchers zijn verdere politieke aspiraties liet varen - een feit dat later, toen de SDAP begon te lonken naar het geld van De Centrale, door partijchroniqueur W. H. Vliegen op slinkse wijze onder het tapijt werd geveegd.

Overigens stond het gehele partijbestuur van de SDAP kritisch tegenover de plannen van Melchers en De Lieme. Het bestuur werd regelmatig geconfronteerd met commerciële opzetjes waarvan de initiatiefnemers hun eigen belang meestal niet uit het oog verloren. Inderdaad valt niet helemaal te ontkennen dat De Lieme goede zaken deed: niet eens meerderjarig (hem moest handlichting verleend worden) werd hij directeur van een startende verzekeringsmaatschappij. Aan de andere kant moet gezegd worden dat de salarissen van de directie voor de toenmalige verhoudingen op een uiterst bescheiden niveau lagen.

Een andere zorg van het partijbestuur was de mogelijke mislukking van het project, waarmee men dan uiteraard liever niet geassocieerd werd. Met name Wibaut, geldschieter en bedrijfskundig orakel van de SDAP, was sceptisch over de kansen van De Centrale. Mogelijkerwijs vreesde hij ook een extra aanslag op zijn beurs. Bovendien leek het hele idee van een verzekeringsmaatschappij niet te rijmen met de juist in die periode fel gevoerde agitatie voor een door de overheid te bekostigen stelsel van sociale verzekeringen.

VERHEFFING

Het commercieel-ideële karakter van De Centrale loopt als een rode draad door Van Gerwens boek. Voorop stond natuurlijk de doelstelling het levensverzekeringsbedrijf op een verantwoorde basis uit te oefenen. De tweede doelstelling was ""de economische en politieke verheffing van de arbeidersklasse als geheel''. Dit betekende dat De Centrale, in tegenstelling tot andere, 'onderlinge' maatschappijen geen winstuitkeringen aan de verzekerden deed, maar eventuele winst ten goede liet komen aan de sociaal-democratische arbeidersbeweging. De aandeelhouders namen genoegen met een gelimiteerde dividenduitkering. Die tweede doelstelling bleef meer dan vijftien jaar lang ""een eerlijke belofte''. Toen na een moeizaam invechten in de verzekeringsmarkt de exploitatie winst begon op te leveren, verdween die aanvankelijk in de vorming van een degelijke reserve.

In het personeelsbeleid gaf het gemengde karakter van De Centrale ook de nodige frictie: De Liemes autoritaire leiding botste nogal eens met de eisen van het personeel en de Kantoorbediendenbond. Een slepend conflict brak uit in 1905 toen de directie F. W. N. Hugenholtz, ook een 'rode dominee' en -kamerlid, benoemde op een inspecteurspost, en daarmee David Wijnkoop, de latere communistische voorman, passeerde. Dit leidde tot het langdurig "posten' - het hinderlijk volgen en uitschelden voor ""onderkruiper'' en dergelijke kwalificaties - van Hugenholtz door medestanders van Wijnkoop onder leiding van Sam de Wolff. In de toch al door richtingenstrijd geteisterde SDAP gaf dit grote beroering, waaraan het partijbestuur uiteindelijk te pas moest komen.

Het voortdurende getouwtrek met het personeel en de bitse bejegening door de partijorganen, leidden in 1920 waarschijnlijk mede tot het besluit van De Lieme, die inmiddels een vooraanstaande plaats innam in de internationale zionistische beweging, naar Palestina te emigreren. De praktijk aldaar viel bitter tegen: na zes weken was De Lieme terug in Nederland en nam hij weer plaats op zijn nog warme directiezetel.

Na 1920 kon De Centrale eindelijk een begin maken met de invulling van haar tweede doelstelling, de statutaire winstuitkering aan de beweging. Het NVV en de SDAP konden ieder over een derde van de winst beschikken. Het is vast geen toeval dat de liefde van partij en vakcentrale voor het bedrijf vanaf dat moment begon te groeien. Bij het zilveren jubileum boden zij De Centrale twaalf stoelen aan voor de commissarissenkamer, wellicht in de hoop, merkt Van Gerwen droogjes op, zelf op één of meer van deze zetels plaats te kunnen nemen.

De Lieme had hieraan echter in het geheel geen behoefte. Om zelf nog meer greep te kunnen houden op de 'Sint-Nicolaaspot', zoals commissaris Jan Oudegeest het noemde, besloot De Centrale speciale fondsen in te richten, onder meer uit de Extra Reserve die inmiddels gevormd was. Met dit geld financierde het bedrijf talloze sociale en culturele doelen, waarvan het in de jaren dertig opgerichte Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis wel het belangrijkste was. Dank zij het geld van De Centrale kon het IISG internationale archieven van onschatbare waarde verwerven, zoals het archief van de Duitse SDP met de nalatenschap van Marx en Engels. Toenmalig IISG-directeur Posthumus had de in dit geval gerechtvaardigde neiging zijn budgetten te overschrijden, en het was De Lieme die de commissarissen telkens weer zover kreeg dat zij, weliswaar morrend, de benodigde bedragen fourneerden.

COLLABORATEURS

In 1940 liet de bezetter zijn begerig oog op De Centrale vallen met de bedoeling het bedrijf uit te bouwen tot de volksverzekeraar van de hele gelijkgeschakelde vakbeweging. Directie en commissarissen werden vervangen door collaborateurs en de aandelen kwamen in handen van het Nationaal Arbeidsfront. De Lieme hoefde het niet meer mee te maken en ook de verschrikkingen van vervolging en deportatie bleven hem bespaard: eind juni 1940 overleed hij aan leverkanker, één dag na een aan zijn ziekbed gehouden vergadering van directie en commisarissen.

Gebrek aan voortvarendheid kon de nieuwe leiding niet verweten worden. Ze stichtte naast het levensverzekeringsbedrijf een schadeverzekeraar, die na de oorlog een van de pijlers van De Centrale zou worden. Bovendien werd het personeel aanvankelijk gunstig gestemd met verbetering van de arbeidsvoorwaarden, een feit dat men in de heimelijke contacten met de 'wettige' directie en commissarissen, onder wie Drees en - nog steeds - Melchers, niet verheelde. Het breekpunt bleek echter het verplichte lidmaatschap van het Nationaal Arbeidsfront. Al vrij snel begon een vertrouwenscomité van werknemers met de oude leiding plannen te maken voor na de oorlog.

De na de bevrijding beoogde ideële en commerciële doorbraak mislukte echter, waarschijnlijk als gevolg van het uitblijven van de politieke 'doorbraak', die een brede, niet-verzuilde volkspartij had moeten opleveren. De Centrale bleef steunen op haar traditionele achterban en ook de banden met PvdA en NVV werden strakker aangehaald. Van de winstuitkeringen profiteerde, naast het IISG, nu in belangrijke mate de Wiardi Beckmanstichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA. Ook Vrij Nederland werd gedurende een tiental jaren door het bedrijf op de been gehouden.

De Centrale probeerde tot een spreiding van activiteiten te komen door deelneming in een aantal kleinere banken, ook om de groeiende spaartegoeden van de kleine spaarders niet over te laten aan ""het vijandige beurs- en bankkapitaal''. Dit bracht, evenals een naamsverandering waarbij onder meer het woord Arbeiders- uit de naam werd geschrapt, maar weinig soelaas. Vanaf het midden van de jaren zestig werd het probleem van de achterban langzaam nijpender: de traditionele doelgroep begon door de ontzuiling af te kalven en het bedrijf ondervond ook steeds meer concurrentie van de opkomende pensioenfondsen. Symptomatisch was misschien wel de toenemende vervanging van de agent der Centrale die wekelijks aan de deur kwam door giro-incasso. In de door fusies geteisterde bedrijfstak stond De Centrale alleen: een samengaan was eigenlijk onmogelijk zonder het bijzondere karakter op te geven, en dat wensten de meeste bestuurders in geen geval. Om in ieder geval tegen ongewenste overnames beschermd te zijn, werden de aandelen ondergebracht in een speciale stichting.

In 1979 bracht het adviesbureau Bereschot een vernietigend rapport uit over De Centrale: de structuur van het bedrijf deugde niet en de leiding voerde een visieloos, weinig coherent en zeer passief beleid. Vernieuwing was geboden. Pas na enkele jaren slaagde men erin de zaken intern op orde te krijgen en kon men uitkijken naar een fusiepartner. Deze werd gevonden in Concordia, ooit opgericht als Onderlinge van de katholieke arbeidersbeweging, en nu gelieerd aan de FNV. Dank zij de fusie heeft de nieuwgevormde Reaalgroep het marktaandeel van De Centrale weten te behouden. De ideële doelstelling is gemoderniseerd (""maatschappelijke en culturele doeleinden'') maar wordt thans ""zakelijker benaderd'', wat vooralsnog betekent dat de winstuitkering belangrijk lager uitvalt dan voor de fusie. Bovendien lijkt de vernieuwde marketingstrategie, waarvan we de vruchten regelmatig op de buis kunnen zien (""Foutje, bedaaank!''), zich niet langer te richten op de naar zelfverheffing strevende arbeider.