GEBAREN

Hoe komen creoolse mannen uit Suriname aan die ongewone motoriek? Bij iedere stap balanceren ze net iets langer op de tenen van de linkervoet, alsof ze zich met een been van de grond willen afzetten om de hemel te bereiken; ze houden de schouders schuin, zoals iemand die een zware schoudertas draagt, en ze slingeren met de armen, maar met de ene net iets meer dan met de andere.

Toch is het niet krampachtig, geforceerd of moeizaam, integendeel: het maakt een indruk van uiterste souplesse - ze lopen op een ritme dat alleen zij kunnen horen. En als ze elkaar begroeten: geen normale handdruk, geen schouderklop, maar een ceremonieel soort "handje-klap', zoals Hollandse boeren die een koop afsluiten, maar dan eindeloos sierlijker.

Ook hindoestanen kunnen trouwens met een eenvoudige handdruk uiting geven aan achting en onderdanigheid, in verschillende gradaties: bij de hoogste achting brengt de onderdanige partij de vingers van zijn linkerhand naar de elleboogholte van zijn rechterarm. Hij houdt de hand van de gerespecteerde dan ook meer vast dan dat hij hem schudt. Als hij iets minder eerbiedig wil zijn brengt hij de vingers van zijn linkerhand naar de pols van zijn rechterarm. En bij een bijna gelijkwaardige ontmoeting omsluit hij de hand van de ander met beide handen. In deze laatste vorm zijn weer variaties mogelijk. Recht in de ogen van de ander kijken en glimlachen: vriendelijkheid. Naar beneden kijken: nederigheid, meestal omdat de ander ouder is. Opzij kijken: verplichte groet, heimelijke verachting.

Hindoestaanse vrouwen geven elkaar geen hand, ze omhelzen elkaar. Het is geen warme "brasa', zoals bij creoolse vrouwen, die elkaar onder luid gejoel en gelach beetpakken en hartelijk over elkaars rug wrijven, maar een stil en bijna plechtig ritueel: meerdere omhelzingen, waarbij het hoofd van de ander eerst links, dan weer rechts over de schouders komt. Het aantal omhelzingen geeft niet de hartelijkheid weer, maar het belang van de ontmoeting: een aankomend huwelijk tussen de families, een lening, een teken van medeleven bij tegenspoed.

Indiase mannen lopen met de armen om elkaars schouder geslagen en tijdens een gesprek houdt men elkaars handen vast; in het Caribisch gebied en delen van Afrika wordt druk gegesticuleerd en duwt men met de vingers tegen elkaars borst en schouders - niet uit agressiviteit, maar om de aandacht vast te houden. Dit soort lichamelijkheid komt in Nederland niet voor. Het enige moment van fysiek contact is de begroeting. In de formele sfeer van zakenwereld en bureaucratie beperkt men zich tot een handdruk. Maar in de culturele elite wordt veelvuldig gekust, ook door mannen onderling. Eerst was het een zoen op de wang. Later werden het er twee, nu drie. In de grachtengordel is men al weer een stap verder, schrijft Emma Brunt: ""Drie verplichte kusjes, waarvan tenminste een vol op de mond, plus een licht weemoedig schouderophalen, wat zoveel wil zeggen als: Godzijdank dat hier ook nog een echt mens rondloopt.''

Hoe komt het dat Nederlanders en andere Europeanen elkaar niet aanraken, maar wel kussen uitwisselen in het openbaar, wat in de derde wereld bijvoorbeeld nauwelijks voorkomt? Daar is nu studie naar gedaan, binnenkort komt bij de SUN een boek uit van Jan Bremmer en Herman Roodenburg: Gebaren en lichaamshouding van de oudheid tot heden. Het begint bij Norbert Elias, of eigenlijk bij Erasmus; maar Elias was degene die een sociologische theorie bedacht rond de manier waarop de lichamelijke zelfbeheersing in het openbare leven opkwam, ongeveer sinds de veertiende eeuw. Houdingen en gebaren, stelde Elias, bemiddelen tussen natuur en cultuur, tussen het eigen lichaam en de sociale omgeving. Het stileren van die houdingen en gebaren en het bedwingen van "natuurlijke', zeg maar dierlijke gedragingen, vormden een belangrijk onderdeel van wat Elias het civilisatieproces noemde.

Op de regels van de wellevendheid heeft Erasmus grote invloed gehad met een boek uit 1530, dat hij aanvankelijk schreef voor de opvoeding van een Bourgondische prins. Samen met andere etiquetteboeken uit die tijd krijgt men een goed beeld van hoe Hollanders langzaam veranderden van lompe en botte boeren uit de middeleeuwen in fatsoenlijke burgers van de renaissance. Dat ging trouwens niet zonder slag of stoot. Pikant detail in de opkomst van de gemanierdheid in Nederland is dat sommige schrijvers juist de Hollandse botheid verheerlijkten en het gebrek aan verfijning zagen als een wezenskenmerk van de Hollandse cultuur. Het was een uiting van hun xenofobie, omdat zij zich verzetten tegen de hoffelijke manieren van immigranten uit het Zuiden, die sedert het eind van de zestiende eeuw de Noordnederlandse Republiek binnenkwamen.

Maar de disciplinering van het lichaam en de modernisering van de zeden en gewoonten heeft men gelukkig niet tegen kunnen houden. Er kwamen algemeen geaccepteerde regels voor hoe men moest niezen, snuiten, hoesten, spuwen, urineren en hoe men zich moest krabben en ontlasten. Wat men moest doen tegen een slechte adem en een onaangename lichaamsgeur, welke delen van het lichaam wel of niet ontbloot mochten worden. De wetenschap om "aangenaam onder de menschen te verkeeren' ging nog veel verder: men moest rug en schouders recht houden, het hoofd niet opzij laten hangen, niet wild gebaren, bij het lopen niet te veel zwaaien met de armen, bij het zitten de knieën niet te ver uit elkaar plaatsen en de benen niet over elkaar slaan - wat zou duiden op achteloosheid. Men diende te letten op de oogbewegingen (de ogen niet laten rollen!), en zelfs op de hoogte van de stem; tijdens het spreken mocht men niet kuchen, omdat dat een teken was dat men loog. Men diende de persoonlijke ruimte van een ander niet binnen te dringen; men moest dus niet staren, niet luid praten (want daarmee eiste men meer ruimte op voor zichzelf) en de ander niet aanraken.

Maar kussen mocht weer wel. In 1499 schreef Erasmus instemmend over zijn ervaringen in Engeland: ""Als je ergens heen gaat, word je met kussen ontvangen; bij het vertrek word je met kussen uitgelaten. Je komt terug, weer wachten je zoenen.''

De handdruk is nog veel later opgekomen, blijkt uit het boek van Bremmer en Roodenburg, althans in de betekenis die hij nu heeft: tot het begin van de negentiende eeuw was de handdruk een gebaar van verzoening of bezegeling van een overeenkomst. Pas daarna, toen de sterke hiërarchie enigszins afnam en aristocratische regels uit de mode raakten kwam de handdruk op als informele groet tussen min of meer gelijken.

De vraag is welke Erasmus de Surinaamse jongemannen het creoolse pasje heeft geleerd. Het is uiterst gestileerd en het vereist oefening en aandacht. Het vereist ook een bepaald soort kleding (niet te formeel, gympies geven de juiste vering), een bepaalde leeftijd (oudere mannen zouden zich belachelijk maken als ze zo zouden lopen) en een bepaalde klasse-afkomst: middenklasse-creolen lopen "gewoon' Europees. Je zou dus kunnen zeggen dat de typisch creoolse tred bedoeld is om zich te onderscheiden, zowel van middenklasse-creolen, als van alle andere Surinamers, die meer Aziatisch lopen: met snelle, korte pasjes. Maar nog sterker is het onderscheid als je het vergelijkt met de manier waarop creoolse vrouwen lopen: rechte rug, haast onbeweeglijke schouders en armen, en gracieus wiegende heupen. Dat doen ze niet alleen omdat het mooi is, maar omdat het praktisch is: ze kunnen hierdoor enorme lasten op hun hoofd dragen. Dat vertikt de creoolse man, een vracht op z'n hoofd. Dus doet hij precies het omgekeerde als de vrouw: zijn manier van lopen is "onpraktisch', en daarom juist zo mannelijk.