Emeritus-hoogleraar Köbben: velen zouden best nog een tijdje kunnen doorwerken; Ouderen zijn veel gezonder dan vroeger

LEIDEN, 24 APRIL. “Ik moet iedereen afraden met pensioen te gaan, want dan krijg je het ontzettend druk.” A.J.F. Köbben, net 68 jaar geworden, maakt nog gewone werkdagen. Ook 's zondagavonds zit hij meestal achter zijn bureau, “want dan hoef je die krant niet te lezen.”

Dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) vindt dat de pensioengerechtigde leeftijd omhoog moet, daarvoor kan de emeritus-hoogleraar culturele antropologie wel begrip opbrengen. “Het aandeel van ouderen in de werkende bevolking is de afgelopen jaren zeer drastisch afgenomen, maar tegelijkertijd kun je vaststellen dat ouderen veel gezonder zijn dan een of twee generaties geleden. Velen zouden best nog een tijdje kunnen doorwerken.”

Köbben is al een paar jaar met emeritaat, maar hij moet elke week wel een keer “nee” verkopen als de lezing of het artikel dat men van hem verlangt niet in zijn agenda past. Het voorzitterschap van de Visitatiecommissie Sociologie en Culturele Antropologie dat hij sinds vorig najaar bekleedt, kost toch wel een hoop tijd, en volgende maand moet het eindrapport al af zijn.

Het is te hopen, vindt Köbben, dat door het WRR-rapport de houding ten opzichte van ouderen ook wat gaat veranderen. “Dat je de wind mee krijgt als je na je zestigste of je vijfenzestigste in de politiek wil blijven, of in een bestuursfunctie.” Want over het algemeen is het een gemis, die ondervertegenwoordiging van ouderen. “Neem het onderwijs, het is toch een veeg teken dat er in het voortgezet onderwijs geen leraren meer zijn van boven de zestig?”

Hij heeft de indruk dat het voor ouderen vaak wel moeilijker is geworden om zich in een functie te handhaven. “Ik denk dat het belangrijk is om ouderen hun eigen tempo te gunnen, en ik denk ook dat ze er vroeger makkelijker aanspraak op konden maken dat ze bepaalde klussen niet meer hoefden te doen. Maar dat zou je moeten uitzoeken, want er zijn op dit gebied veel mythes in omloop. Het idee bijvoorbeeld dat ouderen in de pre-industriële samenleving in het middelpunt stonden, vindt je nergens terug in de literatuur. Dat is gewoon kletspraat.

Köbben deed een paar jaar geleden zelf onderzoek naar het aandeel van ouderen in politiek en bestuur, twee sectoren waar in het algemeen geen leeftijdsgrens bestaat. Toch is ook daar het aandeel van ouderen flink aan het verminderen. “We gingen het onderzoek in met twee rivaliserende hypothesen. De ene was dat ouderen zelf maar al te graag weggaan, de andere dat ze weggekeken worden. Ik heb met alle oudere Tweede Kamerleden gesproken en als het over weggaan ging, zeiden de meesten iets in de trant van ""ik heb het nu lang genoeg gedaan, laat nu een ander die kar maar eens trekken”. Maar als je doorvroeg, wisten ze ook wel dat langer blijven helemaal niet op prijs gesteld zou worden. Het was een curieuze combinatie van beide motieven.”

Het is opmerkelijk, vindt de cultureel antropoloog, hoe snel het perspectief van de werkende bevolking verschoven is. “Vroeger hield een arts praktijk zolang hij nog ademde. Een hoogleraar kon nog niet zo lang geleden tot zijn zeventigste blijven werken, en de meesten ambieerden dat ook. Tijdens de krimpoperatie op de universiteiten is daar de klad ingekomen. Die leeftijd is afgezakt, niet naar 65, maar naar nog jonger. Je kon al weg op je 57ste, op uiterst aantrekkelijke voorwaarden.”

Leeftijdsgrenzen, wil hij maar zeggen, zijn willekeurig en hebben de neiging te verschuiven. “Vergeet niet, nu zegt de WRR dat om economische motieven de pensioengrechtigde leeftijd omhoog moet. Nog niet zo lang geleden kregen we, ook om economische redenen, de VUT.”