DE WRAAK VAN JOODSE PARTIZANEN

Fighting back. A Memoir of Jewish Resistance in World War II door Harold Werner, voorwoord Martin Gilbert 253 blz., gell., Columbia University Press 1992, f 64,25 ISBN 0 231 07882 X

Het is een klein wonder dat Harold Werner in 1989 kon sterven in een ziekenhuisbed in Miami. Werner, geboren Zimmermann, was een overlevende van de Shoah. Tijdens de oorlog had hij zich bijna twee jaar lang schuilgehouden in de bossen van oostelijk Polen. Onder erbarmelijke omstandigheden en bedreigd van vele kanten leverden Werner en zijn kameraden hun bijdrage aan de strijd tegen de Duitse bezetter en diens handlangers. Fighting back is het verhaal van deze joodse verzetsgroep.

Werner heeft zijn memoires in de laatste drie jaren van zijn leven gedicteerd aan zijn vrouw. Hij wilde duidelijk maken dat joden hebben teruggevochten, dat ze zich hebben geweerd tegen de Duitse bezetter. Werner raakt hier een gevoelig punt. De overtuiging dat de joden zich als makke schapen naar de slachtbank lieten leiden door de nazi's, is zowel duurzaam als wijdverbreid. De Shoah zou, zo heet het vaak, onmogelijk zijn geweest zonder de passiviteit van de joodse massa's en de medewerking van hun leiders. Dit is geen volstrekt onzinnige redenering. Toen Franz Stangl, commandant van Sobibor en Treblinka, jaren na de oorlog in zijn cel in een Westduitse gevangenis een boek over lemmingen las, ""deed dat hem denken aan Treblinka'', schreef de historicus Raul Hilberg veelbetekenend.

Toch is de these van de "joodse' passiviteit een onjuiste generalisatie. Verzet is meer dan alleen gewapende strijd. Joden hebben zich op talloze momenten en manieren gekeerd tegen de bevelen en verordeningen van hun moordenaars. Het punt is echter dat deze vormen van verzet in geen enkele verhouding stonden tot de omvang en de intensiteit van het Duitse geweld. Ze hadden dus nauwelijks invloed op het uiteindelijke lot van de joden. De socioloog Zygmunt Bauman wees er op in zijn Modernity and the Holocaust, een van de beste boeken die de laatste jaren over het onderwerp zijn verschenen, dat de rationaliteit van de overheersten het belangrijkste wapen was in handen van de overheersers. En voor vrijwel alle joden gaf de ratio te verstaan dat medewerking aan de nieuwe Duitse orde wellicht een grotere kans op overleving bood dan verzet. Slechts een enkeling was in staat en bereid aan deze noodlottige logica te ontsnappen.

MYTHISCHE PROPORTIES

Juist deze maand wordt herdacht dat precies vijftig jaar geleden de laatste overlevenden van het getto in Warschau in opstand kwamen tegen de Duitsers. Deze daad van verzet is in de loop der decennia uitgedijd tot bijna mythische proporties. Ze moet het lichtende bewijs van joodse weerbaarheid zijn. Vergeleken met de opstand in het getto van Warschau is Werners strijd in de bossen van Polen een voetnoot in de geschiedenis. Toch vertelt Fighting Back meer dan alleen de strijd van een relatief kleine groep joden tegen de Duitse bezetter. Het gaat over collaboratie en verzet in oostelijk Europa gedurende de Tweede Wereldoorlog.

Werner beleefde het begin van de oorlog in Warschau. Vrijwel onmiddellijk verloor hij onderdak en broodwinning. Tijdens een van de eerste Duitse bombardementen werd zijn naai-atelier vernietigd. Spoedig nadat de Duitsers Warschau hadden bezet, ontvluchtte Werner de stad. Hij wilde naar het "Russische deel' van Polen, ten oosten van de rivier de Bug. Het lukte hem niet. Werner bleef steken in zijn geboortestreek, nabij de stad Wlodawa, waar hij zich in leven hield als veehoeder. Toen de Duitsers het bevel gaven dat alle joden zich moesten melden om naar het getto te worden afgevoerd, vluchten Werner en een aantal kameraden de bossen in. Het was de herfst van 1942.

De winter was verschrikkelijk. Zonder wapens, vrijwel zonder voedsel, opgejaagd door de Duitsers en belaagd door lokale boeren poogden de joden te overleven. Van de groep waarmee Werner aanvankelijk de wijk nam, overleefde maar een klein deel de eerste maanden. Uiteindelijk zou in een moerassig gebied, diep in de bossen, een kamp worden ingericht dat plaats bood aan enkele honderden joden. Van hieruit ook ondernamen ze hun gewapende acties.

Zowel voor voedsel als voor wapens waren de verzetsstrijders vooral afhankelijk van de lokale bevolking. In het begin klopten ze aan bij betrouwbare dorpelingen of boden ze hun schaarse kostbaarheden aan, maar na verloop van tijd werden sommige boeren onder bedreiging van vuurwapens gedwongen proviand en munitie af te staan. ""We gaven de voorkeur aan varkens, want daarvan konden we stukken bewaren. Het vlees bleef langer goed'', schrijft Werner. ""Maar de boeren wisten dat. Ze probeerden de varkens te verbergen in schuren en kelders, en zelfs in kuilen in de grond. Onze partizanen gebruikten allerlei trucs om ze te vinden. Vaak liepen ze rond het erf te knorren, en herhaaldelijk kregen ze dan antwoord van verborgen varkens.''

KLOPJACHTEN

De joden bezochten de dorpen ook om een andere reden: wraak. De meeste verzetsstrijders, waaronder Werner, verbleven de gehele oorlog in de buurt van hun voormalige woonplaatsen. Ze kenden de boeren en dorpelingen en wisten precies wie joden hadden aangegeven, en wie in de eerste maanden van de bezetting de joden in de bossen hadden opgejaagd en vermoord. In Fighting Back vertelt Werner zowel over klopjachten op joden die dorpelingen organiseerden, als over de represailles die joden later zouden ondernemen. Wraak verschafte de partizanen niet alleen voldoening, maar verhoogde na verloop van tijd ook hun aanzien onder de lokale bevolking.

De acties tegen het Duitse leger waren niet meer dan speldeprikken. De overmacht was te groot. De meest opmerkelijke missie was de poging het vernietigingskamp Sobibor, nog geen twintig kilometer verwijderd van de plek waar de groep zich schuilhield, te bevrijden. De partizanen wisten dat in Sobibor duizenden joden per dag werden vermoord, althans zo herinnert Werner zich. Twee weken lang bespiedde een aantal joodse verzetsstrijders, waaronder Werner, het kamp. Voordat ze echter in actie konden komen, brak in Sobibor, op 14 oktober 1943, een opstand uit. Enkele overlevenden van die opstand sloten zich later aan bij de verzetsgroep van Werner. Onder hen was een Nederlandse jodin genaamd Cathy.

Pas tegen het einde van de oorlog waren de joodse partizanen in staat de Duitsers klappen van betekenis toe te brengen. Ze waren toen zo'n driehonderd man sterk. Hun bewapening, veroverd op de vijand of gekregen van de Russen, was aanzienlijk verbeterd, en het Duitse leger op de terugtocht bleek kwetsbaar. Tegen deze tijd werkte de joodse groep nauw samen met Russische partizanen en met de Poolse communistische verzetsbeweging Armia Ludowa, het Volksleger. Van de belangrijkste Poolse ondergrondse, het Thuisleger of Armia Krajowa, hadden de joden weinig te verwachten. Het was zowel anti-Duits als antisemitisch.

Na de oorlog verwachtte Werner als een held te worden binnengehaald. ""Onze partizanen werden echter op precies tegenovergestelde wijze begroet'', schrijft hij, ""bedroefd realiseerden we ons dat de Poolse houding tegenover de joden precies dezelfde was als voor de oorlog.'' Werner vertrok naar Amerika. Hij stierf op 4 december 1989, enkele dagen nadat hij zijn herinneringen had afgesloten.