Cruyff, mijn broer

Zeven plaatjes zaten er in een zakje. Kleine foto's van voetballers uit de Nederlandse eredivisie. We kochten ze bij de plaatselijke kruidenier voor een kwartje en plakten de plaatjes in het grote album "Voetbalsterren in aktie' met op het kaft Johan Cruyff en Willem van Hanegem. Het plakboek voor het seizoen 1970-'71 verschilde van eerdere boeken. De fotootjes toonden niet alleen de gezichten van de spelers, dit jaar stonden ze van top tot teen op de plaatjes. De een met de bal aan de voet, een ander koppend en keepers plukten steevast een bal uit de lucht. Een tweede noviteit waren korte verhaaltjes over alle spelers, een soort voetbal-c.v. vol wonderlijke gegevens. Zo gold Jan Jongbloed van DWS als een “klasse doelman met neigingen tot showwerk”, was Fred André van Telstar een “terriër die moeilijk te passeren is”, stond Hans Eykenbroek van Sparta te boek als “hard maar fair” en kreeg Leo van Veen van FC Utrecht de toevoeging “maakt trage indruk maar weet kansen te benutten”.

Mijn broer en ik spaarden de plaatjes dat jaar samen en lazen alle verhalen van voor naar achter. We namen bij onderlinge partijtjes de namen aan van de sterren uit het boek. We wisselden daarin veel, vrijwel iedereen kwam aan bod. Ruud Krol, Ove Kindvall, Oeki Hoekema, Sjaak Roggeveen, Willy Brokamp of Bengt Schmidthansen, het maakte ons niets uit, we kropen voor een paar minuten in hun huid. Tot het moment dat mijn broer ontdekte dat bij de meeste spelers ook de geboortedatum vermeld stond. Ons leven werd voorgoed omgegooid toen hij las dat hij op dezelfde dag jarig was als Johan Cruyff. Zijn held was geboren. Vanaf dat moment imiteerde hij de frêle loopbewegingen van de Ajacied, zette een verticale rode streep op al zijn witte shirtjes en kalkte er het magische nummer "14' achterop. Mijn broer was, zoals de tekst bij Cruyff meldde, in één klap veranderd in “een speler van wereldklasse. Enorm snel en met een hard en zuiver schot in beide benen”.

Maar wat moest ik nu? Dagelijks tegen Cruyff spelen vereiste een eigen idool, een naam van een speler met wie ik mij geheel kon identificeren en die ook nog eens op dezelfde dag als ik geboren was. Ik speurde door de kolommen in het voetbalboek, op zoek naar mijn voetballende alter ego. Langs de selecties van Ajax, Feyenoord en PSV, door naar Sparta en FC Twente. Niemand. ADO, MVV, NEC, AZ of Go Ahead? Niets. Toen ik de hoop al bijna had opgegeven, vond ik hem eindelijk: Thijs Kwakkernaat van Excelsior. “Spitsspeler met een grote souplesse. Handige dribbelaar met een verrassend schot.” En: jarig op mijn geboortedag! Ik had mijn eigen Cruyff ontdekt, alleen heette hij Kwakkernaat. Maar hoe handig ik die maanden en jaren daarna ook dribbelde, hoe groot ook mijn souplesse was, Kwakkernaat versus Cruyff was nooit een echt duel. Ik had al bij voorbaat verloren en moest me er bij neerleggen dat dit de rest van mijn leven niet meer zou veranderen. Eroverheen groeien, was het advies. Dat is redelijk gelukt, maar één dag per jaar komt alles weer terug. Dan ben ik voor even Thijs Kwakkernaat van Excelsior. Morgen is het weer zover. Dan zijn ze samen jarig, Johan Cruyff en mijn broer.