Als ik voldoende geld heb ga ik - ik wil naar het front

Ogenschijnlijk is er niets aan de hand. Pasja, de moeder van Janny Nozinovic, zit op bed te haken. De nieuwe bewoonster van kamer A-116 van het tijdelijk opvangcentrum in Den Bosch, een bejaarde buurvrouw uit Zvornik, breit alsof haar leven ervan afhangt. Over haar gezicht ligt een tevreden blik. Nura, de tante van Janny, is in de weer met koffie. Ze praten voortdurend door elkaar heen. Plotseling stokt het gesprek. Een paar seconden is het stil. Dan buigt Janny zich naar voren en fluistert: “Ik wil weg, laten we naar buiten gaan”.

Zwijgend loopt ze de poort uit van het tijdelijk opvangcentrum waar ze sinds augustus vorig jaar verblijft. Op straat barst ze los. “Het lijkt zo gezellig maar ik word gek van moeder. Ik wil bij haar weg. We hebben steeds problemen. Ik mag niks, terwijl ik al 15 ben”. “Onzin, je bent 14”. Met nauwelijks verholen minachting wendt ze haar blik af. “Goed dan, ik ben 14 maar wel plus 8 maanden”.

Opnieuw heeft haar vader gebeld. En opnieuw heeft hij gezegd dat ze elke gedachte aan een spoedige terugkeer naar Bosnië uit haar hoofd moet zetten. “Ik begrijp hem wel maar toch ga ik terug, desnoods alleen”, zegt ze terwijl ze de trein nakijkt die over het viaduct dendert. “Je laat je moeder en je broertje en Nura hier toch niet alleen achter? Dat vinden ze nooit goed”. “Ze vinden toch al nooit wat goed. Als ik voldoende geld heb ga ik - ik wil naar het front”. Na tien minuten is de razernij bekoeld.

Maar het verdriet blijft knagen - verdriet om haar onlangs overleden oom Halid, ook een frontstrijder. Verdriet om wat haar eigen mensen voor het oog van de wereld wordt aangedaan. “Ach, steeds huilen lost ook niets op. Ik kan me soms helemaal niet meer concentreren. Ik vind het steeds moeilijker om te schrijven, ook omdat ik bang ben dat moeder stiekem alles leest”, zegt ze terwijl ze van haar ijsje likt.

“Hoe zou het met R. gaan”, vraagt ze zich even later peinzend af. R. is haar vriendin aan wie ze via haar dagboek brieven schrijft. Soms een lange, soms slechts een paar regels. “Lieve R. Ik ben ver weg van jullie van wie ik het meeste houd. Jullie zijn tenminste bij elkaar, de enkelen die nog over zijn, terwijl ik hier zonder iemand ben. Als we nu in Zvornik zouden zijn zouden we naar het weekendhuisje gaan, lammeren aan het spit draaien, het kampvuur aansteken, drinken en liedjes zingen”, schreef ze onlangs in haar dagboek.

De school, de discotheek, de recreatieruimte in het opvangcentrum: na maanden kleeft aan niets meer een verrassing. “De dagen lijken zo op elkaar. Soms ben ik blij dat het nacht wordt. In de maanden dat we hier zijn hebben we alles wat was toegestaan, uitgeprobeerd. Er is niets nieuws. We zitten, eten en slapen maar. Ik heb nergens zin in. Ik wil niet eens meer wandelen”, schreef ze.

Toch blijkt de school het beste middel om het gevoel van lamlendigheid te verdrijven. “Ach natuurlijk, ik ga ook elke dag al was het alleen maar om weg te zijn uit de kazerne. We hebben ook wel lol en gelukkig haal ik nog steeds goede cijfers.” In haar dagboek schreef ze: “Sommige lessen zijn zo vervelend dat ik het liefst zou weglopen. Ik zal me maar koest houden zolang ik nog een gele kaart heb”.

De lessen Nederlands hebben nog geen hoorbaar resultaat, ze praat nog steeds het liefst Engels. “Je hebt zelf gezegd dat ik in Bosnië niets heb aan Nederlands”. “Dat was maanden geleden, het is nu april”. “We kunnen nu ook asiel aanvragen maar we weten niet of we dat ook zullen doen. We zijn bang dat we dan niet terug kunnen”. “Zeg, het is hier geen gevangenis”.

Onlangs was Bernes jarig, een medebewoner in het tijdelijk opvangcentrum. Janny mocht naar zijn feestje maar nog steeds geldt de regel dat ze om elf uur terug moet zijn in de kamer. “Hoe komt moeder daar toch bij, om elf uur begint het pas goed. Ik ben toch gegaan. Ik ging in een hoek zitten en dronk eerst bier, daarna wodka en whisky. De muziek doorboorde mijn hart”.