Varkensliedje 20

De appel tracht in bloei te staan

En ik moet naar de tandarts gaan,

De appelboom bezeten door

De lente en ik door de boor.

Ik denk aan niets, als ik ga zitten,

Niets dan de voosheid van gebitten.

Ja, ook het wrattenzwijn heeft tanden,

O witte jas! O schone handen!

Hij kucht en mompelt over gaatjes,

En rommelt in zijn helse laatjes.

O wee, de folter die geduld wordt,

Totdat het laatste gat gevuld wordt.

Ach, vond ik de terugweg naar

Mijn tanden van verleden jaar!

Gelukkig is er daarna nog

De terugweg naar mijn trog.

- Dat moet een karikatuur zijn. Zoiets kan alleen maar door Komrij zelf zijn bedacht. Ik neem wat van die kloostercel-kitsch waar de architecten in de jaren twintig nog in geloofden en dat overdrijf ik tot in het absurde, zo moet hij gedacht hebben. Ik herken zijn stijl, ik weet het zeker: die Weeber bestaat niet, die is door Komrij verzonnen.