Spitten naar zichzelf; Carl Friedman over de dilemma's van de niet-gelovige joden

Carl Friedman: Twee koffers vol. Uitg. Van Oorschot, 173 blz. Prijs ƒ 27,50

In Tralievader, Carl Friedmans autobiografische debuut van vorig jaar, laat de schrijfster in het midden waarom de vader van de vertelster tijdens de Tweede Wereldoorlog in een concentratiekamp terecht is gekomen. Of hij joods was of communistisch of als verzetsstrijder werd opgepakt, doet niet ter zake, zoals ook de naam van het kamp waaraan hij een gruwelijk trauma heeft overgehouden niet wordt genoemd. Het kan Auschwitz zijn of Sobibor of een van die andere gruwelijke plaatsen, maar voor het kleine meisje uit wier mond we de lijdensweg van haar vader vernemen is het woord "kamp' duidelijk genoeg. En ze heeft volkomen gelijk want de verschrikking is niet aan aan een enkele naam gebonden. Wie Auschwitz zegt, heeft het ook over Sobibor, Mauthausen, Treblinka, enzovoorts, en over alle mensen die daar geslachtofferd zijn.

Friedmans nieuwe boek, Twee koffers vol, heeft dezelfde thematiek maar het kleine meisje is opgegroeid tot een twintigjarige filosofiestudente voor wie de exacte feiten er wel toe doen: haar beide ouders zijn joods, hebben Auschwitz overleefd en zijzelf draagt de Hebreeuwse naam Chaja (zij die leeft) en is opgegroeid in de joodse wijk van Antwerpen.

Het aangrijpende van Tralievader was dat het onbeschrijfelijke leed van een volstrekt monomaan kampslachtoffer zonder opsmuk werd opgetekend uit de mond van een kind dat, zonder het goed te beseffen, als gevolg van het trauma van de vader zelf slachtoffer is geworden. Chaja is een typisch tweede-generatieslachtoffer zoals dat tegenwoordig zo treffend heet en zoals zoveel naoorlogse geassimileerde joden wordt ze tegen wil en dank in toenemende mate geconfronteerd met haar joodse identiteit.

Friedman heeft met dit boek, waarmee ze zich voor het eerst op het terrein van de fictie waagt, een vorm gevonden om de dilemma's te beschrijven van een niet-gelovige jood die zich, mede als gevolg van de nazi-terreur waaraan familieleden en bekenden hebben blootgestaan, verbonden voelt met het jodendom. Een oude, wodka-drinkende, vrome bovenbuurman die als discussiepartner van de hoofdpersoon fungeert, vertelt over naoorlogse antisemieten, zoals de Britse generaal Morgan, het opperhoofd van de vluchtelingenkampen in Duitsland, die in 1946 in de New York Times verklaarde dat de joden er helemaal niet uitzagen als slachtoffers van welke vervolging dan ook. Nog geen jaar nadat de moord op miljoenen joden de wereld had verbijsterd, waarschuwde hij dat ze zouden uitgroeien tot een wereldmacht. “Vroeger was ik net als jij”, zegt hij tegen Chaja. “Mensen als generaal Morgan hebben een jood van me gemaakt.” Maar de oude man vergist zich natuurlijk, want ook al bidt Chaja niet, al heeft ze geen mezoeze aan haar deurpost en al weet ze het zelf nog niet: ze is even joods aan het worden als hij en wel om precies dezelfde redenen. Niet alleen stuit ze in de joodse wijk van Antwerpen, het kleine Warschau waar ze is opgegroeid en waar ze tijdens haar studie terugkeert als kindermeisje in een chassidisch gezin, op venijnig antisemitisme, ook maakt ze mee hoe de oorlog haar ouder wordende vader tot toenemende waanzin drijft. Terwijl haar moeder Auschwitz poogt te begraven onder zelfgebakken taarten en andere produkten van huiselijke gezelligheid, is de vader als een gek bezig de oorlog letterlijk op te delven door op zoek te gaan naar twee koffers die hij tijdens zijn onderduik ergens in Antwerpen heeft begraven.

Er zijn talrijke manieren waarop oorlogsslachtoffers met hun ervaringen proberen te leven en geen van alle brengt verlichting. Friedman beschrijft de slachtoffers en hun wanhoop met een groot inlevingsvermogen en met hetzelfde mededogen waarover ze in Tralievader al bleek te beschikken. De oude bovenbuurman is van de ene op de andere dag een vrome jood geworden, Chaja's tante heeft zelfmoord gepleegd en haar moeder stort zich op onnozelheden als cakerecepten, als ultieme ontkenning van het feit dat ze op haar twintigste in Auschwitz als een ezel voor een kar met aardappels was gespannen. “Kijk mij eens, scheen ze ermee te willen zeggen, ik kan het mij veroorloven over trivialiteiten te praten, met mij is niets aan de hand.”

Net als in Tralievader trekt de vertelster het meest naar de vader. Het gespit in het verleden, gesymboliseerd door het dwangmatige graven naar twee vergane koffers, drijft de ouders uit elkaar. De moeder begrijpt haar echtgenoot niet meer, of is bang om hem te begrijpen. “ "Hij denkt dat die koffers hem terug kunnen geven wat de oorlog kapot heeft gemaakt. Berlijn, zijn jeugd, zijn vader en moeder, alles wat hij toen had en was. Niet zijn koffers maar hij is in die rotoorlog zoek geraakt. En eigenlijk wij allemaal. We zijn allemaal vermist'. Ze huilde. "O God', zei ze, "hij staat bij een hitte van dertig graden te spitten naar zichzelf!' ”

Carl Friedman en haar hoofdpersonen in Tralievader en Twee koffers vol zeulen de Tweede Wereldoorlog en de nazivervolging met zich mee als hun eigen persoonlijke geschiedenis, die ze evenzeer haten als koesteren. Tralievader was het verslag van een tweede-generatieslachtoffer en Twee koffers vol vertelt het verhaal van een zoektocht naar de eigen identiteit. Friedman doet dat opnieuw sober, trefzeker en zonder valse dramatiek. Met dit boek bewijst ze zich opnieuw als een van weinige Nederlandse schrijvers die de problematiek van de kinderen van oorlogsslachtoffers aandurven en aankunnen. Maar hoewel Twee koffers vol een geslaagde roman is, hoop ik toch dat Friedman in de toekomst door zal gaan met poëzie die ze eerder in De Gids en in Maatstaf publiceerde, en met autobiografische geschriften als Tralievader. De virtuositeit en de spanning van haar eerste boek, dat bij mij onmiddellijk associaties opriep met het werk van Primo Levi, evenaart ze met dit tweede nog niet.