Schlesinger: renteverlaging in stappen

BONN, 23 APRIL. Met haar derde renteverlaging dit jaar heeft de Bundesbank gisteren naar eigen zeggen haar “beleid van kleine stappen” voortgezet.

Zij verlaagde het disconto van 7,5 tot 7,25 procent en de lombardrente - dat is de vergoeding die handelsbanken moeten betalen voor de belening van waardepapieren - van 9 tot 8,5 procent.

Het enigszins verrassende besluit van de Zentralbankrat van de centrale bank kwam gistermiddag na een extra lange vergadering en tegen de achtergrond van berichten over de verergering van de Duitse economische recessie. Naar het heet hadden bankpresident Helmut Schlesinger en zijn directieleden tenslotte moeten toegeven aan de druk van de Länder, vooral de Oostduitse, die via de chefs van hun deelstaatbanken in de Zentralbankrat vertegenwoordigd zijn. De meeste regionale bankchefs (in wier deelstaten de SPD veelal regeert) hadden een grotere renteverlaging gewenst.

Schlesinger zei dat hij zich ervan bewust was dat deze volgende “trippelpas” als te klein gekritiseerd zou worden. Hij hoefde op zulke kritiek, van de SPD en de Duitse overkoepende vakbond DGB (“een verlammende trippelpas”), ook niet lang te wachten. De Duitse regering reageerde positief, bij monde van de ministers Theo Waigel (CSU, financiën) en Günter Rexrodt (FDP, economische zaken), de banken ook. Volgens het verbond van Duitse spaarbanken bijvoorbeeld heeft de Bundesbank met haar besluit terecht de trend naar lagere rente in Europa gevolgd en - ondanks Waigels juist gisteren nader op 70 tot 75 miljard mark geraamde financieringstekort en een inflatie van 4,3 procent - verstandig gebruik gemaakt van ruimte in de markt.

Dat de verlaging beperkt gehouden is houdt mede verband met het internationale vertrouwen in de stabiliteit van de D-mark dat de Bundesbank niet op het spel wil zetten. “We willen niet met een geforceerde rentedaling de indruk wekken dat we aan een goedkoop-geldpolitiek doen, dat is niet zo en dat zou ook slecht zijn”, aldus Schlesinger gisteren. Hij wees erop dat gemiddelde rente op de kapitaalmarkt al tot 6,5 procent gedaald is, wat via lage hypotheekrente allang tot het aantrekken van de bouw heeft geleid.

Dat de Bundesbank haar monetaire beleid als het ware “tegen” de politiek en de sociale partners moet voeren liet de bankpresident opnieuw doorschemeren. In het rentebeleid van de Bundesbank ligt geen beletsel voor de financiering van investeringen. Maar de loonontwikkeling, vooral die in Oost-Duitsland, de te hoge inflatie en de snel groeiende overheidstekorten dwingen tot grote voorzichtigheid, zei hij. Over de nu - na een korte verbetering in de eerste maanden van dit jaar - weer snel groeiende geldhoeveelheid sprak hij niet.

De Bundesbank heeft in 1992 een grotere netto winst gemaakt dan enig bedrijf in Duitsland, namelijk 14,7 miljard mark (niet 12, zoals gisteren abusievelijk gemeld), waarvan 13,1 miljard aan Waigel wordt afgedragen. Schlesinger sprak met een understatement over “een bevredigende winst” (over 1991 boekte zijn bank een recordwinst van 15,2 miljard). Voor deze afdracht, die wel als inflatiebevorderend wordt gekritiseerd, heeft de Bundesbank geen alternatief. Haar reserves belopen met 10,7 miljard al het wettelijke maximum terwijl haar goudvoorraad, de tweede ter wereld, met 13,7 miljard mager gewaardeerd is in de balans. Monetaire deskundigen denken verschillend over zulke goudvoorraden maar volgens Schlesinger is het “een belangrijke monetaire reserve waarop we gelukkig nog niet hebben hoeven terug te grijpen”.