Rood met witte stippen

Ineens staan er acht kabouters in de kamer. Nou ja, eigenlijk zes en een halve, want Rik moet zijn puntmuts nog op. Mijn moeder schminkt hem een rood neusje. En Marc wil niet. “Het hoeft ook niet,” zegt zijn tante. “Wil je alleen een rode muts op?” Maar Marc wil Marc zijn "met zonder muts'.

Mijn neefje Robert staat te springen en te dansen. “Jij ook Michiel, jij moet ook een puntmuts en een rode neus.” Hij begin al aan mijn stoel te trekken. Het is zijn feestje. Hij is de baas. “Nee, ik ben geen kabouter,” leg ik uit. “Ik help jullie.”

Robert blaast de vijf kaarsjes in twee keer uit. Iedereen eet taart en mijn tante vertelt een verhaal. En dan rennen de kabouters naar buiten. Want daar, in het kabouterbos, wacht het werk. De stippen zijn van de paddestoelen verdwenen. En nu moeten ze gevonden worden. Heeft de mol ze? Ze moeten mol zoeken. In hun hand klemmen ze een paddestoel. Die hebben mijn oma en opa allemaal zitten maken. Van wc-rolletjes. De kabouters kruipen één voor één door een lange mollegang. Aan het eind zit ik. Met een blaadje witte ronde stickers. Daar komt de eerste puntmuts al aan tijgeren. “Jij bent zeker mol?” vraagt kabouter Rik. Hij kijkt heel ernstig. “Ja,” zeg ik. “Ik kom de stippen halen,” zegt hij. Ik plak er een op zijn paddestoel. “Hé, die andere moet je ook geven!” roept hij. “Nee, die zijn voor je vriendjes.” Rik knikt, maar hij vertrouwt het toch niet helemaal. “Wel geven hoor,” schreeuwt hij nog. “Dag mol.” En hij verdwijnt in de tunnel.

Hoog op hun loopblikken waden de eerste kabouters door de rivier. Op weg naar het huis van de bever. Daar zie ik Rik aankomen. “Jij bent zeker de bever,” vraagt hij. “Ja,” zeg ik. “Ik kom de stippen halen,” zegt hij. Weer plak ik er een op zijn paddestoel. “Van mol kreeg ik er ook maar een,” zegt kabouter Rik. Die daar zijn zeker voor de anderen.” Ik knik. “Dag bever,” zegt Rik, “ik ga maar weer eens.”

Als konijn woon ik onder de struiken in de achtertuin. In ruil voor een radijs wil ik wel een stip afgeven. Daar komt de eerste puntmuts met een eierlepeltje in elke hand. Plof, de radijs aan de ene kant valt in het gras. En als de kabouter hem heeft opgeraapt, is de andere ook zoek. Nou ja, eentje mag ook wel, roep ik. Maar nee, hij wil twee stippen verdienen.

Rik is hier niet zo handig in. Hij komt als mijn stickerblaadje al bijna leeg is. Zijn hoofd is bijna even rood als zijn geverfde neus. “Jij bent zeker konijn,” hijgt hij. “Jij hebt stippen. En ik heb radijzen voor je voorraadje. Ruilen?” Ik plak een stip op zijn paddestoel en hij laat de radijzen zien. “Gelijk oversteken,” zegt hij. “Dag konijn.”

Alle stippen zijn gevonden. En weer terug op de paddestoelen. Robert rent door de tuin met een heleboel kinderen achter zich aan. Zijn neus is nog rood, maar zijn muts is al verdwenen.

Naast mij zit Rik. “Deze stippen waren over.” Hij wijst naar de poffertjes met poedersuiker. “Ze hadden er veel joh! Mol en bever wel honderdduizendmiljoen... Konijn niet.” Hij tuurt langs mij heen de tuin in. “Ik zie ze niet meer,” zegt hij. “Ze zullen nu wel slapen.”