Ratten in Rotterdam

Ik maak nooit iets mee. Maar mijn tante in Rotterdam wel. Want die keek laatst na een bezoek aan het toilet nog eens achteloos om en zag toen een rat. Bruin, spits snoetje, mooie snorharen. Het beestje probeerde uit alle macht tegen de stroom van het doorspoelwater in te zwemmen. Maar toen hij de verschrikte ogen van mijn tante zag draaide hij zich snel om en zwom, met de stroom mee, terug de afvoer in.

Tante woont twee hoog, in een gerenoveerde woning met een volledig vernieuwd afvoersysteem. Kan een rioolrat via de afvoerpijpen een toiletpot op twee hoog bereiken? Eerst maar eens de literatuur er op nageslagen. Ja, dat kan. Maarten 't Hart in zijn boek Ratten (1973), hoofdstuk ”Ratten in riolen': ”Ook zijn ze in staat om via het waterslot van de wc binnen te dringen. In Rotterdam zijn er jaarlijks meer dan honderd meldingen van ratten die zo huizen binnenkomen. Zelfs wc's van hoger gelegen verdiepingen zijn niet veilig. De ratten kunnen omhoogklimmen in de pijpen. Als ratten eenmaal een voorkeur ontwikkeld hebben voor een bepaald waterslot dan blijven ze daarin omhoog komen.'

Een paar dagen later zag tante de rat inderdaad nog een keer; hij schoot de zwanehals in toen zij binnenkwam. En daarna trof zij bijna dagelijks een paar rattekeutels onder in de pot aan. Dus Harrie (zoals zij haar nieuwe huisdier gedoopt had) begon zich thuis te voelen.

Het ging hier volgens de deskundigen van de Dienst Rattenbestrijding om ”een verdwaalde rat'. Maar hoe kon Harrie duidelijk gemaakt worden dat hij verdwaald was? De rattenvangers stelden voor gedurende twee weken een rolletje kippegaas onder in de diepspoeler te plaatsen. Harrie zou dan zijn lieve snoetje openhalen aan de scherpe uiteinden en er zo snel achter komen dat hij het beter ergens anders kon proberen. Dat leek te helpen: tante vond geen rattekeutels meer en de benedenbuurman van eenhoog kon nu melden dat hij bij het openen van zijn wc-deur een slanke bruine rat met een sierlijke duik in zijn toiletpot had zien verdwijnen. Toen had de buurman ook maar een rolletje kippegaas gekocht.

Na twee weken haalde tante het gaas weg. Harrie had zeker gedacht: tante is nu niet boos meer, want dezelfde dag liet hij een paar verse keutels in de toiletpot achter. Toen kwam de rattenbestrijding met een nieuw plan. Ze gingen het riool onder hoge druk doorspuiten, zodat alle ratten weggezogen en doorgespoeld zouden worden. Dat zou Harrie en zijn eventuele vriendjes leren. Maar dezelfde avond trof tante weer verse keutels aan. Wat nu? Rattengif spoelde weg. Je kon bleekwater of ammonia in het water gieten, want ratten hielden niet van die lucht (tante ook niet). Maar telkens als het doorgespoeld was, keerde Harrie weer terug. Er kwam een loodgieter die in de afvoerbuis vijf lange ijzeren haken met scherpe punten plaatste. Daar kon geen rat meer langs en daar zou Harrie zijn eigenwijze kop flink aan openhalen. Maar na twee dagen bleek hij ook daarvoor een oplossing gevonden te hebben, gezien de keutels die tante bij wijze van groet in het water van haar wc vond.

Niets hielp. De mannen van de rattenbestrijding, de loodgieter en de huisbaas begonnen de moed op te geven. En langzaam begonnen ze tante een lastige tante te vinden en het háár kwalijk te nemen dat ze van Harrie af wilde. Dat doen dokters ook altijd als ze niks kunnen vinden. Tante moest er maar mee leren leven, met Harrie. Ze moest maar denken dat ratten schuwe dieren waren die geen vlieg kwaad deden, laat staan een mens. En eigenlijk moest ze vooral proberen er niet aan te denken. Een beetje lawaai maken voor en eventueel tijdens het toiletbezoek, dat zou ze wel afschrikken. Met de deur slaan, met de deksel klepperen, een muziekje in de plee - dat was het ultieme advies van de moderne rattenbestrijders.

Dus als tante nu weer nodig moet, dan begint ze hardop in zichzelf te praten, rammelt met de deksel, haalt vriendelijk babbelend het rolletje kippegaas uit de pot en doet vervolgens vrolijk zingend haar behoefte. En misschien zit Harrie dan wel om de hoek te luisteren. Hij houdt zijn mooie bruine kopje scheef, trilt met zijn snorharen van plezier en denkt: zo mooi is er nog nooit voor mij gezongen.

En nu nog even een gedicht. Het is van Ida Gerhardt. Het gaat over het grote huis waar zij als kind woonde: in Rotterdam, dicht bij de Rotte. Het wemelde er van de ratten en Ida's moeder deed haar uiterste best ze te verjagen. Ze ging helemaal op in haar rattenjacht en het gedicht vertelt wat er dan gebeurt: dan gaan ze in jezelf zitten en raak je ze nooit meer kwijt.

DE RATTEN

's Nachts hoorden wij in 't holle huis

de ratten rennen langs de binten.

Zij scheurden spaanders van de

plinten; in kasten viel de kalk tot gruis.

De Rotte gistte van bederf. -

Uw fierheid heeft geen kamp gegeven:

ge hebt het vaal gespuis verdreven,

n=g: de boerin op eigen erf.

Maar later, 's nachts in het gewelf

der kelders hoorden wij u vloeken;

Uw bezem bonkte - in lege hoeken:

De ratten zaten in uzelf.