Pleiade-uitgave van Voltaires brieven voltooid; Wie pen heeft oorlog heeft

Meer dan zestig jaar lang schreef Voltaire bijna elke dag een brief. Onlangs verscheen het dertiende en laatste deel van Voltaires "Correspondance', dertig jaar na de verschijning van het eerste deel. Voltaires brieven zijn de mooiste van de wereld. “Voltaire is een columnist. Hij laat niets op zich zitten. Hij heeft altijd een opinie. Hij is van niets en niemand onder de indruk. Hij stelt de vrijheid boven alles. Hij scheldt goed.”

Voltaire: Correspondance XIII. Uitg. Bibliothèque de la Pléiade. Ook de delen I tot en met XII zijn nog verkrijgbaar.

Dertig jaar geleden kocht ik het eerste deel van de Pléiade-uitgave van Voltaires brieven. Nergens in dat deel wordt ons verteld uit hoeveel delen die Correspondentie zal bestaan, en geen belofte wordt er uitgesproken in welk jaar het laatste deel zou verschijnen. Dat blijkt nu 1993 te zijn.

Ik zie nog het gezicht voor me van mijn destijdse vriendin, toen ik de duizenden franken betaalde voor het fraaie deeltje. Dat betekende: niet eten bij Procope, maar bijten op een stokbroodje. Bij dat stokbrood moet ik de zin hebben gelezen, waarmee redacteur Theodore Besterman het eerste deel inleidde.

Ik was de zin totaal vergeten, maar er is na dertig jaar reden hem hier te herhalen: “de brieven, dag na dag geschreven, gedurende meer dan zestig jaren, geven een getrouw beeld van die hele periode”.

Het lijkt een gemeenplaats. Hugo had het scherper geformuleerd met zijn: “Voltaire s de achttiende eeuw”.

Maar bij het verschijnen van deel XIII, al lang niet meer onder redactie van Besterman, blijkt die inleidende zin geen gemeenplaats, maar iets veel interessanters: een onwaarheid.

Had Voltaire dan geen goed zicht op zijn eeuw? Ongetwijfeld was hij blind voor de Sociale Kwestie en slechtziend voor de Internationale Situatie. Maar hij beschikte, beter dan welke Europeaan ook, over een scherp oog voor de opkomende wetenschap, en over de noodzaak om de heerschappij van Koning en Kerk af te schudden.

Loog Voltaire in zijn brieven? Onophoudelijk deed hij dat. Honderden malen ontkent hij de auteur te zijn van geschriften, tot Candide toe, waarvan iedere lezer direct zag dat hij ze geschreven had. Dat moest in die tijd om uit de gevangenis te blijven - waarin hij tweemaal verbleef -, zonder het land uit te vluchten - wat hij vele malen deed. Zulke leugentjes waren nodig en niemand neemt ze hem kwalijk.

Nee, het is niet Voltaires kortzichtigheid of zijn korte-termijnjokkerij die zijn correspondentie tot een niet altijd betrouwbare bron voor zijn eeuw maken. Er is iets ernstigers dat Besterman in 1963 niet wist.

In deel III van de Correspondentie staan de brieven die Voltaire aan het begin van de jaren 1750 schreef aan zijn minnares en nicht mevrouw Denis. Hij is in dienst getreden van Frederik II van Pruisen. In die brieven laat hij merken vanaf de eerste Duitse dag de koning niet te vertrouwen, zich niet door het hof te laten inpakken, van plan te zijn om zo snel mogelijk weg te wezen, na veel verdiend te hebben, en na al zijn vijanden bespot te hebben. Het is een ontroerend verhaal.

Het is ook een volkomen vals verhaal.

Meende Voltaire niet wat hij schreef? Hij meende het wel degelijk. Maar hij schreef die brieven niet op de data die er boven staan! In september 1753 vatte Voltaire het plan voor deze geschiedvervalsing op. Hij liet de echte brieven aan zijn geliefde nicht verdwijnen, al lukte dat niet helemaal.

André Magnan heeft in 1986 overtuigend het bedrog bewezen. Niet door onderzoek naar inkt en papier, maar door onderzoek naar inhoud en stijl van de brieven. Als je het eenmaal weet, begrijp je niet hoe al die Voltaire-kenners erin gestonken zijn. De brieven lijken niet op echte brieven, omdat ze de haastige boodschappen en reacties missen van een echte correspondentie. Ze zijn strijdig met andere brieven. Er staan titels en voorvallen in die nog niet verschenen en gebeurd zijn.

Besterman was in 1963 nog bezig met de laatste delen van zijn (in het Engels geannoteerde) wetenschappelijke editie van Voltaire, die meer dan honderd delen omvat. De Pléiade-uitgave Correspondance was een vertaling van de Correspondence. Vanaf deel III staat op de deeltjes dat mijnheer Deloffre de noten van Besterman heeft vertaald en aangepast. In de loop van de tijd zie je Deloffre steeds meer afstand nemen tot Besterman. En in dit laatste deel verschijnt de tijdbom die Voltaire in 1753 construeerde en Magnan in 1986 onschadelijk maakte. Het gedeelte Aanvullingen en Correcties op vorige delen beslaat driehonderd pagina's. Niemand kan een van de eerste twaalf delen lezen zonder dit XIIIde deel in de hand.

Dreigbrieven

De brieven van Voltaire zijn de mooiste van de wereld.

Misschien schreven anderen betere zakenbrieven, minnebrieven, bedelbrieven, leugenbrieven, dreigbrieven, lollige brieven, depressieve brieven, dankbrieven, keukenbrieven, diplomatieke brieven, ontroerende brieven, journalistieke brieven, wetenschappelijke brieven, religieuze brieven, principiële brieven, handige brieven, slimme brieven, publieke brieven, geheime brieven dan Voltaire, maar alleen hij schreef ze allemaal. Bijna zeventig jaar schreef hij gemiddeld een brief per dag. Er zijn er twintigduizend gevonden. Ze liggen in Arnhem en Bazel, in Leningrad en Los Angeles, in Venetië en Stockholm. Nog steeds duiken er nieuwe op. Al tijdens zijn leven werden Voltaires brieven voorgelezen, gekopieerd, vervalst, besproken en bewonderd.

In dit laatste deel dat, behalve de al genoemde correcties en een index op het hele werk, slechts de brieven van de laatste elf maanden van zijn leven bevat, staan veel minder brieven dan in de voorgaande twaalf delen. Voltaire is oud. Ziek noemt hij zich al zijn hele leven. Nog voor hij echt 84 is, schrijft hij over zichzelf als "de man van vierentachtig jaren met vierentachtig ziekten' (Quatre-vingt-quatre klinkt nu eenmaal beter).

De laatste vijf maanden van zijn leven is Voltaire in Parijs, waar veel van zijn correspondenten wonen. Dat kost ons veel brieven. Hem brengt het de eerste publieke huldiging.

Op een en dezelfde dag wordt hij ontvangen door de Académie française, waar hij het voorstel doet om een woordenboek uit te geven, en in de Comédie-Française, waar zijn laatste toneelstuk Irène in première gaat. Tussen Louvre en Schouwburg wordt hij op straat toegejuicht.

Wetenschap en Kunst heeft hij voor zich gewonnen. Hof en Kerk blijven vijandig. Voltaire had uitstekende verhoudingen tot de vorstenhuizen in Engeland en Rusland, en een haat-liefdeverhouding met de Duitse koning, maar de Franse koningen zagen in hem - en niet ten onrechte - de man die het ijzer smeedde dat hun nek zou klieven. Met de dames van het hof had hij goede betrekkingen, en in dit laatste halfjaar kon hij onbedreigd in Parijs verblijven, maar in Versailles werd hij niet ontvangen.

De kerk had een sterke troef in handen. Zij had het monopolie op de begraafplaatsen. Voltaire had gezien hoe het lichaam van een actrice, en minnares, op de vuilnishoop was gegooid, omdat ze geen laatste biecht had afgelegd. Dat zou hem niet gebeuren. Hij wilde een ordentelijk graf.

Een briefje van een kapelaan van de Sint-Sulpicekerk greep hij aan. De man kwam naar zijn huis en er werd een notariële akte opgesteld, waarin Voltaire zijn geloof aan god beleed - maar over Jezus Christus zweeg. Hij vroeg vergeving indien en voorzover hij de kerk beledigd had - maar hij nam niet het sacrament, "omdat hij zelf bloed opgaf'.

De kerk begreep beetgenomen te zijn. De pastoor van de Sint Sulpice vroeg om een nader onderhoud. Voltaires antwoord is een meesterstuk van hoffelijke diplomatie en geselende ironie. De pastoor is een generaal, maar hij, Voltaire, had slechts behoefte aan een soldaat. Hij is te ziek om hem te ontvangen, maar niet zo ziek dat hij hem nodig heeft. De pastoor hoeft geen moeite te doen om hem te antwoorden, etcetera. Op zijn sterfbed dringen toch twee zwartrokken binnen, die hem vragen hoe hij over Christus denkt. "Jezus Christus! Laat mij in vrede sterven', is een van de versies van zijn laatste woorden. Hij krijgt zijn graf en ligt nu nominaal in het Pantheon. De arme kapelaan wordt bij de Franse revolutie vermoord en later wordt hem een lage vorm van heiligheid verleend.

Voltreffer

Elke brief van Voltaire is een voltreffer. Hij gebruikt de sierlijke conventionele pichtplegingen met net zoveel overdrijving, dat je merkt dat hij er niets van meent. Een zakelijke herinnering aan een terugbetaling kleedt hij zó in, dat de aangeschrevene de brief niet vergeet en aan al zijn collega's laat lezen.

Neem nu mijnheer de la Dixmerie. We weten niets over hem. Hij heeft kennelijk een aardig briefje geschreven. Voltaire antwoordt (Tronchin is zijn arts):

“Als men kon verjongen, zou de grijsaard, die mijnheer Dixmerie met een zo vleiend woord eert, bij de lezing daarvan jonger worden. Hij is erg ziek. Mijnheer Tronchin verbiedt hem te schrijven, maar verbiedt hem niet om met uiterste dankbaarheid de goedheid te voelen die mijnheer de la Dixmerie hem met zoveel esprit betuigt.”

Wilt u voor eeuwig beroemd worden? Schrijf een aardig briefje aan een schrijver die op sterven ligt.

De commentaren op de brieven zijn haast zo spannend als de brieven zelf. Wat betekent de afkorting b-fa-si in een brief aan een vriend die gaat trouwen? Aan het begin van de brief complimenteert hij de vriend met zijn "mooi zichtbaar teken van een onzichtbaar ding.' Zelf, schrijft Voltaire, is hij zijn b-fa-si kwijt. De annoteurs vertalen: bander facilement (gemakkelijk een erectie krijgen).

Hij heeft een proces in Dijon en kent de vader van de rechter. Voltaire schrijft hem een beleefde brief, met: “Uw zoon is de rechter. Meer zeg ik niet, en ik kan u slechts vragen te doen wat de rechtvaardigheid van u kan vergen.”

Aan George Keate schrijft hij over een astonishing lady, die jaren voor man doorging. Voltaire kende uitstekend Engels. Italiaans schreef hij in erotische brieven, en aan de paus. Duits en Nederlands kende hij niet, hoewel hij vaak in Duitsland en Nederland was. Maar daar kon je met Frans terecht.

Over Voltaire en Nederland zou een mooi boek geschreven kunnen worden. Misschien in 1994, als we de driehonderdste geboortedag vieren? In Nederland wordt hij voor de eerste maal (althans zichtbaar in brieven) verliefd - hij is dan 19. In een brief uit 1722 aan zijn minnares markiezin de Bernières, echtgenote van de voorzitter van het parlement in Rouaan, beschrijft hij zo Amsterdam:

“Ik heb vol respect deze stad bekeken die de voorraadschuur is van het heelal. Er lagen meer dan duizend schepen in de haven. Van de vijfhonderdduizend bewoners is er niet één werkloos, niet één arm, niet één fat, niet één onbeleefd. We kwamen de raadspensionaris tegen, te voet, zonder lakeien, temidden van het volk.”

Hoort u het eens van een ander. En dat een eeuw na het rasphuis van Schama.

Vooral de geleerden in Holland interesseerden hem. Zoals nu iedereen belang stelt in voetbal en televisie, zo was men in die tijd nieuwsgierig naar wiskunde en natuurkunde.

Wetenschap

Wie Nancy Mitfords Voltaire verliefd uit 1957 leest, krijgt misschien een iets te hoge pet op van de wetenschappelijke kennis van Voltaire en zijn geleerde minnares, de markiezin (ze waren altijd markiezin, op zijn nichtje na) du Châtelet.

Op 31 augustus 1736 schrijft Voltaire: “Wij (de markiezin en ik) waren erg verbaasd dat Descartes (in zijn boek over Optika) zegt dat de hoeken (bij lichtbreking) niet evenredig zijn, maar hun sinussen wel. Ik begrijp daar niets van. Ik zie niet hoe de maten van hoeken wel evenredig zijn, maar de hoeken niet. Kunt u mij dat uitleggen?”

Elke middelbare scholier weet dat de sinus van de dubbele hoek niet het dubbele is van de sinus van de enkele hoek. Voltaire wist niet wat een sinus was.

Op 1 augustus 1741 schrijft Voltaire aan 's-Gravesande:

“Pascal beweert: "Als een stelling onwaarschijnlijk is, moet je hem niet als onwaar beschouwen, maar zijn tegengestelde onderzoeken. Als dat tegengestelde onwaar is, dan is de oorspronkelijke stelling waar, hoe onbegrijpelijk dat ook is'. Pascal vergat zijn meetkunde toen hij die rare uitspraak deed. Twee vierkanten maken een kubus, twee kubussen maken een vierkant. Dat zijn twee tegengestelde stellingen die toch allebei absurd zijn.”

Elke middelbare scholier weet dat met "het tegengestelde van een stelling' iets heel anders bedoeld wordt. Voltaire wist niets van logica. Ayer kon dat niet begrijpen en gaf daarom Voltaire gelijk tegen Pascal.

Laat ons eerlijk zijn: In 1740 wisten niet meer dan duizend wereldburgers wat een sinus was en wat het logisch omgekeerde was. En de annotatoren van deze brieven, die anders op elk slakje zout strooien, wisten het twee eeuwen later kennelijk ook niet.

Er zijn meer van zulke gevallen, maar bij deze was mijn leeslint blijven liggen. Ik heb Pléiade er niet van op de hoogte gesteld. Want na die nacht in 1963, waarin ik deel I ademloos las, had ik bij Gallimard een briefje in de bus gedaan om er op te wijzen dat in het Nederlands algemeen met één l en bibliotheek met twee e's is. Dertig jaar later zie ik in deel XIII nog steeds staan: Allgemeen Rijksarchief en Bibliothek van Leyde.

Bijna vierhonderd bladzijden telt in dit laatste deel de index op persoonsnamen. Dertienduizend personen staan daarin, van wie er honderd uit Nederland komen. Dat zijn burgemeesters, wethouders, theologen, ambassadeurs, prinsen, bankiers, uitgevers, boekhandelaren, artsen, wetenschappers, handelaren, erudieten, logieshouders en schilders.

Voltaire is een columnist. Hij laat niets op zich zitten. Hij heeft altijd een opinie. Hij is van niets en niemand onder de indruk. Hij stelt de vrijheid boven alles. Hij schrijft veel en onder vele namen (bij de 177 pseudoniemen van François-Marie Arouet vallen de lezer van hier en nu op: Goebbels, Hume, Huet, Fabricius).

Hij scheldt goed. Hij springt op het schandaal van de dag en blijft dag en nacht bezig met elke nieuwe affaire. Vooral in het ongedaan maken van justitieel onrecht is hij fel. Zijn laatste brief is gericht aan de zoon van een man die in 1766 justitieel onthoofd was en van wie Voltaire nog juist de rehabilitatie mocht beleven.

Twee eeuwen geleden was de omgeving anders voor een columnist. Er was geen krant waarin Voltaire schreef. Hij verdiende niet rechtstreeks aan de verkoop van zijn geschriften. Hij moest geld krijgen van rijken en bescherming van machtigen. Er was geen publieke opinie die hij moest overtuigen, slechts de paar duizend mensen in Frankrijk die er toe deden.

Dat maakt dat hij - zoals ik al zei - soms moest liegen en bedriegen. Dat hij - zoals zijn laatste overeenkomst met de kerk toont - compromissen moest sluiten.

Voltaire schreef niet alleen geniaal, hij sprak ook geniaal. Zijn tong heeft hem - niet van adel en niet buitengewoon rijk geboren - al jeugdig in de hoogste kringen geduwd. Zijn pen heeft hem vaak in gevaar gebracht (Wie pen heeft oorlog heeft, zei hij).

Anders dan alle andere columnisten die de wereld heeft gekend, was Voltaire, naast begaafd pamflettist en briefschrijver, ook nog: diplomaat, kapitalist, toneelschrijver, historicus, acteur, hereboer.

Wat mij in de man buitengewoon aanstaat is dat hij niet - zoals al zijn collega's - een "goed mens' is. Hij deed wel eens een goede daad, maar hij deed ook vaak een verkeerde daad.

Het gaat bij hem altijd om argumenten, niet om het geweten. Waarheid en Vrijheid stelde hij hoger dan Eerlijkheid en Goedheid. Daarom lag hij overhoop met Pascal en Rousseau.

Van de meer dan honderd delen die Voltaires verzameld werk beslaat, is nog maar één deel te lezen. Lees de filosofische verhalen, inclusief Candide. Lees het filosofisch woordenboek. Maar sla al die ellenlange geschiedenissen, epossen en theaterstukken rustig over. Zijn brieven zijn altijd directer, cynischer, levendiger.

Het is geen gewoonte om in een krant een seriewerk te bespreken, dat er dertig jaar over deed om klaar te komen. Waar vind je buiten de academische wereld van specialisten die alles altijd beter weten, een onschuldige recensent die bereid is dertien delen van meer dan duizend bladzijden te lezen? Kan men een lezer aanraden anderhalfduizend gulden uit te geven? Er is in de Livre de poche, naast Candide en andere verhalen, en Zadig en andere verhalen, ook een dikke Correspondance choisie verschenen. Maar wie die leest, verlangt naar de complete uitgave. Elke goede bibliotheek heeft de Pléiade. Daar moet u heen.