Pierre Bokma speelt intrigant Jago meesterlijk; Verdriet en destructie in Othello hartverscheurend

Voorstelling: Othello van William Shakespeare door Toneelgroep Amsterdam/Theatergroep Hollandia. Vertaling: Gerrit Komrij; regie: Johan Simons, decor: Jan Klatter; spel: Rik van Uffelen, Pierre Bokma, Elsie de Brauw, e.a. Gezien: 21/4 Schouwburg Amsterdam. Aldaar t/m 24/4, daarna elders t/m 26/5.

“Een meester in zijn vak” noemde acteur/regisseur Peter Oosthoek Pierre Bokma toen hij hem na de première van Othello door Toneelgroep Amsterdam en Theatergroep Hollandia de Albert van Dalsumring overhandigde. Hoe terecht dat compliment was had Bokma zojuist opnieuw bewezen met zijn rol van de ongrijpbare Jago in Shakespeares tragedie. Zonder twijfel was zijn personage de intrigerendste en markantste persoonlijkheid in de voorstelling.

Dat heeft veel te maken met zijn vileine spel, maar ook met het personage zelf. Jago is een meesterlijke intrigant die mensen tegen elkaar uitspeelt en toch een hoogst betrouwbare indruk op hen maakt. Wat hem bezielt is de grote vraag. In de oorspronkelijke versie, in Komrij's nieuwe vertaling en zelfs in de ingekorte bewerking die Janine Brogt daar weer van maakte voert Jago in de eerste scène enkele (ongeloofwaardige) redenen aan, maar regisseur Johan Simons heeft die scène geschrapt. Later begrijp je pas dat Simons dat waarschijnlijk gedaan heeft om Jago's ongemotiveerde jaloezie te benadrukken. Zegt zijn vrouw Emilia immers niet: “Ze zijn jaloers uit jaloezie: dat monster/Verwekt zichzelf en baart zichzelf.”

Jago's jaloezie richt zich tegen Othello en Desdemona. Het geluk van het pas getrouwde paar wordt door zijn valse insinuaties systematisch ondermijnd - tot hun dood erop volgt. Pierre Bokma speelt Jago als een kille berekenende figuur. Zij die uiteindelijk zijn monsterachtige plan doorzien, Roderigo en Emilia (kleine maar opvallende rollen van Hans Kesting en Catherine ten Bruggencate), bekopen dat met de dood.

Als Bokma in het eerste bedrijf opkomt heeft hij iets van een kobold met hoog opgetrokken schouders. Maar misschien is dat verbeelding, toe te schrijven aan het schaarse zijwaartse licht op dat moment waardoor lichamen vervormen en gezichten moeilijk te onderscheiden zijn. Hoewel de belichting prachtig is en de monumentale Venetiaanse huizen (ontwerp Jan Klatter) daardoor nu eens een grimmig en dan weer een sprookjesachtig aanzicht hebben, lijkt deze niet altijd bedoeld om de acteurs van dienst te zijn.

De kostuums van Keso Dekker zijn stijlvol en klassiek, alleen Rik van Uffelen als Othello (een blanke Moor) is gekleed in een modern zwart pak. Met zijn kale wit geschminkte hoofd en robuuste gestalte heeft Van Uffelen de uitstraling van een vervaarlijke krachtpatser die Jago als een spartelend kereltje optilt. Zo eng als Othello is, zo rank en verleidelijk oogt Desdemona (Elsie de Brauw) en dat wil ze weten ook: even trekt ze haar jurk op om te laten zien dat zij er niets onder draagt.

Het spel van Van Uffelen en De Brauw is aanvankelijk vrij vlak. Mogelijk draagt de nogal statische mise-en-scène niet bij tot het tonen van de intense, zinderende verhouding tussen Othello en Desdemona, maar gaandeweg krijgen ze meer greep op hun rollen. Zien hoe Othello door Jago's toedoen verandert in een stamelende gebroken man is aangrijpend - het ontzettende verdriet dat het spel van Van Uffelen en De Brauw in het vijfde bedrijf domineert is hartverscheurend.

De afloop is zo verschrikkelijk dat het moeilijk is voor te stellen hoe Willem Jan Otten, blijkens zijn aan Othello gewijde beschouwing, vorige week in het Cultureel Supplement van deze krant, zich kan verheugen op de onomkeerbare destructie van Othello. Als dat zo is schuilt daar, zoals hij opmerkt, inderdaad iets kannibalistisch, om niet te zeggen sadistisch in. Het valt niet te ontkennen dat ook ik met spanning en zelfs fascinatie wacht op het naderend onheil, maar dat is toch vooral omdat ik zo graag wil dat het als bij toverslag wordt afgewend. Het is de stille hoop dat het deze ene keer misschien goed komt die mij tegen beter weten in naar de voorstelling drijft.