Niets zo leerzaam als een kapot ding; De speurders van de Vereniging van Vrienden der Aziatische kunst

“Het verzamelen van voorwerpen uit de Aziatische cultuur is een onafgebroken ontdekkingsreis; daar hou ik van, zoals ik ook van de detective Hercule Poirot hou”, zegt een van de leden van de "Vereniging van Vrienden der Aziatische Kunst'. De Vereniging, die morgen precies 75 jaar bestaat, verzamelde het leeuwedeel van de Aziatische collectie van het Rijksmuseum. Een portret van een eigenaardig altrustisch genootschap.

Afdeling Aziatische kunst. Amsterdam, Rijksmuseum, Stadhouderskade 42. Di t/m za 10-17u, zo 13-17u. Inl. 020-6732121.

Wat er van de wandelstok resteert, is de knop. Over deze wandelstokknop valt niets dan goeds te melden. Het matglanzende, zilveren voorwerp heeft een langwerpige vorm die zich sierlijk als een kelk aan de bovenzijde verbreedt. Hier vertoont het oppervlak een welving die zorvuldig op de handpalm is afgestemd. De plek waar wandelstok en wandelstokknop elkaar ooit ontmoetten, is gemarkeerd door een ring die aan een vinger niet zou misstaan.

De wandelstokknop is in bezit van één van de circa 550 leden die de sinds 1918 bestaande "Vereniging van Vrienden der Aziatische Kunst' telt. Dit gemêleerde gezelschap wordt beheerst door een gedeelde liefde voor Aziatische kunstvoorwerpen maar de wijze waarop daaraan uiting wordt gegeven, is strikt individueel. Bij sommigen zijn woonkamers of zelfs gehele huizen tot de nok toe volgestouwd met handboeken, tijdschriften en knipsels over Oosterse kunstvoorwerpen. Anderen koesteren een enkel Chinees bord in een door een spotje belichte vitrinekast.

Een aantal leden heeft zich tot connaisseur op een deelgebied ontwikkeld. Zo heeft het bij voorkeur in een blauwe overall gehulde verenigingslid J. van Daalen Jr. een levenswerk gemaakt van zijn onderzoekingen op het gebied van krissen en van de Japanse gordelknoop, de netsuke. Als een inspecteur van roerende Aziatische goederen stelt hij zich dagelijks telefonisch op de hoogte van de recente verblijfplaats van voorwerpen die door verkoop in andere handen zijn overgegaan. “Als ik niet weet waar de dingen zich bevinden, kan ik ze ook niet beschrijven”, legt de kris- en gordelknoopspecialist uit.

Zijn inventarisatielijsten raken echter steeds zoek tussen de hem omringende torenhoge stapels papier, variërend van oude kranten en toevallig in de bus geworpen reclamefolders tot veilingcatalogi en door hem zelf geschreven artikelen. Hij prijst zich dan ook gelukkig dat het grootste deel van zijn kennis vooralsnog in zijn hoofd ligt opgeslagen. Zijn belangrijkste kunstschatten, ondergebracht in de "Collectie Stichting van Daalen', zijn al evenmin zichtbaar. Na een inbraak heeft hij ze op een geheime plaats verstopt. In plaats daarvan toont hij zwart-wit fotokopieën van een reeks boekomslagen van de "Indonesië-reisbibliotheek' waarop enkele van zijn eigendommen ter illustratie zijn afgebeeld zoals een Buginese kris met een handgreep van potvis-ivoor, een "Grote Toverstaf' van de Toba Batak en een van de Asmat afkomstige ceremoniële bak voor sagowormen.

Tot de in zijn huis achtergebleven voorwerpen behoren zowel Oosterse wapenschilden als manden met beschilderde eieren en een groep speelgoedvarkentjes. De belangstelling van Van Daalen Jr. gaat ook uit naar kapotte voorwerpen: “Een fraai beeldje is wel esthetisch maar je leert er geen barst van. Driekwart van mijn kennis heb ik opgedaan uit kapotte dingen. Er is niets zo leerzaam als een kapot ding”, verklaart hij.

Private eye

De passie voor Aziatische kunstwerken betekent voor sommige leden van de Vereniging een (bij-)baan als onbezoldigde "private eye'. Naar de eerder genoemde wandelstokknop, die door zijn fraaie uiterlijk moeiteloos als anoniem kunstwerk had kunnen voortbestaan, is bijvoorbeeld jarenlang minutieus onderzoek gedaan door het voormalige bestuurslid J.H.J. Leeuwrik. Zijn detective-werk richtte zich op de in de wandelstokknop aanwezige inscriptie die het monogram VOC en de naam Nai Cobi Tabenu omvatte. In zijn vroegere functie als vertegenwoordiger van een Nederlandse Handelsmaatschappij bereisde Leeuwrik Oost-Azië. Daar raakte hij onder de indruk van het nog aanwezige monumentale erfgoed van de Verenigde Oostindische Compagnie. Het monogram op de wandelstokknop leverde dan ook geen geheimen voor hem op.

Hij bracht de knop onder in zijn particuliere verzameling voorwerpen uit de tijd van de Verenigde Oostindische Compagnie, de V.O.C. dus. In deze verzameling bevindt zich ook V.O.C.-zilver dat zich kenmerkt door een mengstijl van Europese en Oosterse versieringsmotieven. Eenmaal in de vitrinekast in de huiskamer geplaatst, bleef het slechts zevenenhalve centimeter hoge wandelstok-onderdeel de verzamelaar bezighouden. Zijn belangstelling werd in eerste instantie gewekt door de geheimzinnige relatie tussen V.O.C. en wandelstokken. Dat de wandelstokknop in Batavia was vervaardigd, viel op te maken uit de in het zilver geslagen stadskeur en het door de zilversmid achtergelaten meesterteken "HS'. Hij wist ook te achterhalen dat deze smid nog in 1742 zijn meesterteken had geplaatst. Tevens ontdekte hij dat de V.O.C. in deze tijd als distinctief wandelstokken met een gouden of zilveren knop placht uit te reiken aan lokale vorsten en bestuurders.

De kwestie met de wandelstokknop was hiermee nog niet voor hem afgedaan. Zijn onderzoek strekte zich verder uit naar de figuur die meer dan 200 jaar geleden eigenaar van een wandelstok met een zilveren knop was geweest, de eerder genoemde Nai Cobi Tabenu. Het zoeken naar de eeuwen geleden in een hooiberg verdwenen naald, ontmoedigde de verzamelaar niet het minst. Hij kwam er alleen niet verder mee.

Bij het bezichtigen van de collectie van het Amsterdamse Tropeninstituut, viel zijn oog bij toeval op een aquarel. Het onderwerp was de plechtige bijeenkomst, begin juni 1756, in Nederlands-Indië, waarop de Opperkoopman van de V.O.C. en de vorsten van Timor en Onderhorigheden de nieuwe contracten met de Compagnie ondertekenden. De aquarel toont een enorme ruimte met een gewelfd plafond waarin zich minuscule figuurtjes met vrijwel gelijkvormige poppekopjes bevinden. Onder de voorstelling zijn hun namen in schoonschrift vermeld. Door een loep naar de namen turend, stuitte de verzamelaar in de genummerde rubriek "Koningen en verdere Regenten' tot zijn verrassing bij nummer 5 op "Naij Kobo Kooning van Tabeno.' De willekeurige achttiende-eeuwse wijze van spellen in aanmerking genomen, begreep hij dat Nai Cobi Tabenu eindelijk was opgespoord.

Voor de omstandigheid dat er tussen de uiterste aanmaakdatum van de wandelstokknop en de plechtigheid 14 jaar ligt, heeft Leeuwrik wel een verklaring. De V.O.C. kan bijvoorbeeld best uit een van te voren aangelegd voorraadje wandelstokknoppen hebben geput. Ook laat hij de mogelijkheid open dat de wandelstokknop niet gemaakt werd voor de op de aquarel onzichtbaar aanwezige koning van Tabeno maar bijvoorbeeld voor diens vader die het zilveren onderscheidingsteken volgens het gangbare gebruik aan zijn zoon overdroeg.

Zodiakbeker

Een buitenstaander zal zich misschien afvragen of dergelijke tijdrovende nasporingen opwegen tegen de boven water gekomen feiten. Voor Leeuwrik, die ook al eens de vreemde gedrochten op een Hindu-Javaanse zodiakbeker determineerde en zijn bevindingen geregeld in tijdschriften publiceert, betekenen deze onderzoekingen een verrijking van zijn collectie. “Daardoor krijg ik steeds een ander uitzicht op mijn verzameling”, zegt hij. De gepensioneerde wiskundige professor dr. J.A. Lauwerier, wiens voorkeur uitgaat naar Japanse prenten waarop het sneeuwt, kan zich in deze uitspraak vinden. “Het verzamelen van voorwerpen uit de Aziatische cultuur is een onafgebroken ontdekkingsreis naar het onbekende. Daar hou ik van, zoals ik ook van de detective Hercule Poirot hou”, zegt hij.

Opvallend is dat de intensieve omgang met de Aziatische voorwerpen zelden gepaard gaat met esthetische bespiegelingen of met een levendige belangstelling voor hedendaagse kunst. Over de mogelijke schoonheid van een bepaald voorwerp wordt door verzamelaars nauwelijks gerept. De uitdaging die er van de relatief onbekende, niet-westerse voorwerpen uitgaat, lijkt veelal te schuilen in het achterhalen van de historische context. Sporadisch leidt de voorkeur voor Aziatica naar het heden. Dit is het geval bij de huidige secretaris van de Vereniging, jonkheer Piet Hein Quarles van Ufford. Zijn verzameling omvat onder meer monochrome keramiek zoals het sobere, twaalfde-eeuwse Song-bordje met de wonderschone naar aquamarijn neigende glazuurlaag, waarvan ook een exemplaar te zien is in het Amsterdamse Rijksmuseum. Door de dagelijkse confrontatie met deze voorwerpen kreeg Quarles als het ware oog voor moderne keramiek. Het wonderlijke is dat dit niet tot stijlbreuken heeft geleid. Zijn collectie valt integendeel op door een bijna organische eenheid. De secretaris, eigenaar van een dertigjarige papegaai die feilloos het geluid van het volschenken van een glas kan imiteren en 's avonds graag een slokje Médoc meedrinkt, neemt samen met zijn echtgenote deel aan de door de Vereniging georganiseerde busreisjes naar buitenlandse musea die het echtpaar als "heel gezellig' omschrijft. Op het programma van de Vereniging staan ook door specialisten gehouden lezingen.

“Het is een eigenaardig genootschap met een zichzelf overstijgend altrusme in aardige zin”, typeert de directeur van de gerenommeerde kunsthandel Aalderink, Wim Bouman, de Vereniging van Vrienden der Aziatische Kunst waarin hij als jonge student rechten in de jaren zestig nog eens een bestuursfunctie bekleedde. “Mensen die te gierig zijn om voor zichzelf een cent uit te geven, stortten zo maar een paar duizend gulden als de Verening om donaties vroeg”, herinnert hij zich.

Bezoek

Aan het initiatief en de vrijgevigheid van particulieren die het aan het eind van de Eerste Wereldoorlog opnamen voor de Aziatische kunst waarvoor nog nauwelijks belangstelling bestond, dankt de Vereniging haar bestaan en het Amsterdamse Rijksmuseum het belangrijkste deel van zijn collectie Aziatische kunst.

De oprichting van de Vereniging is vooral het werk geweest van de als ingenieur opgeleide publicist over moderne kunst, H.F.E. Visser (1890-1965). Naar aanleiding van een artikel over Nederlandse schilderkunst voor een buitenlands tijdschrift was Visser in 1918 op bezoek gegaan bij de Haagse verzamelaar Verburgt. Diens verzameling Aziatische kunst maakte zo'n indruk op Visser dat hij opperde dat er een tentoonstelling georganiseerd zou moeten worden van in Nederland aanwezige Aziatische kunst. Daaraan moest de oprichting van voorafgaan, was Verburgt van mening. Visser, die meer zag in een open vereniging met veel leden, bracht dit plan nog in hetzelfde jaar ten uitvoer.

De eerste voorzitter van de Vereniging was de bankier Karel Westendorp die getrouwd was met de schilderes Betsy Osieck. Westendorp zou zijn uitgelezen verzameling later aan de Vereniging legateren. Deze zowel kwalitatief als kwantitatief belangrijke collectie omvat meer dan zeshonderd voorwerpen waaronder veel keramiek. Westendorp vond met name Japanse keramiek het absolute hoogtepunt: "Elk stuk (ik spreek hier natuurlijk niet van meer recente imitaties) heeft zijn eigen schoonheid, verborgen voor velen, maar die het geeft aan hem die het aandachtig en stil nadert.'

Veel stukken uit Westendorps verzameling zijn permanent opgesteld in de Aziatische afdeling van het Rijksmuseum: het verfijnde vrouwenfiguurtje in wit aarderwerk, het indrukwekkende, uit harde, donkergrijze klei vervaardige paard uit de Wei-periode (4de-6de eeuw) en de eerder genoemde blauwgroene Song-schotel. Door zijn kwetsbaarheid wordt het Japanse kamerscherm met de leuke, witte "Konijnen, die zich vermaken tussen bloemstruiken bij volle maan', helaas minder getoond.

Halo

De vanzelfsprekendheid waarmee de leden van de Vereniging in de periode tussen de twee wereldoorlogen kunstwerken schonken en grote sommen geld bijeenbrachten ten einde de Vereniging in staat te stellen om belangrijke aankopen te doen, is verbazingwekkend. Zo werd in 1935, met steun van de Vereniging Rembrandt, door de Vereniging een zeer kostbaar, meer dan anderhalve meter hoog, bronzen beeld aangeschaft dat nog altijd als topstuk geldt. Het is de Dansende Shiva die met één voet op de rug van een dwerg staat en omgeven is door een cirkelvormige halo van gestileerde vlammen. Visser, die op zoek naar Aziatische kunst intussen de halve wereld was afgereisd, kwam in 1939 met het bericht dat er een al eerder door hem gesignaleerd Chinees Boeddhabeeld te koop was. Zo kocht de Vereniging, opnieuw met steun van de Vereniging Rembrandt, een uniek stuk aan: de in hout uitgevoerde, majesteitelijke "Avalokiteshvara'.

Ook na de oorlog gingen de leden nog een tijd door met het schenken van kunstvoorwerpen. De Vereniging zelf, kocht wederom met financiële steun, een serie van zes adembenemend mooi gemodelleerde Tang-grafsculpturen aan, twee kamelen en vier paarden, uitgevoerd in grijsachtige steen.

De verzameling van de Vereniging verhuisde, in 1952, van het Amsterdamse Stedelijk Museum naar het Rijksmuseum. De collectie is in bruikleen gegeven en wordt door het laatstgenoemde museum beheerd. De catalogus Aziatische Kunst in het Rijksmuseum toont aan dat de kunstwerken van de Vereniging het leeuwedeel van de collectie uitmaken. “De belangrijkste stukken in de verzameling zijn van de Vereniging”, bevestigt de conservatrice van de afdeling Aziatische kunst in het Rijksmuseum, Pauline Lunsingh Scheurleer. Na de renovatie van de zuidvleugel van het Rijksmuseum, door de architect Wim Quist, zal de verzameling in een nieuwe opstelling worden gepresenteerd. “Ik verheug me er nu al op, zo'n kans krijg je maar één keer”, zegt de conservatrice.

Hoewel de vrijgevigheid van de leden de laatste jaren is afgenomen, worden er nog steeds schenkingen aan de Vereniging gedaan. Naar aanleiding van het 75-jarige bestaan van de Vereniging van Vrienden der Aziatische kunst, dat morgen wordt gevierd, leverde Prof. dr. Maartje Draak een bijdrage. De 85-jarige keltologe, die recht voor haar gevoel van ontroering door een simpel Chinees kommetje pleegt uit te komen, schonk de Vereniging vier Chinese hangrollen. Ze werden geschilderd door de aan het eind van de zeventiende- of in het begin van de achttiende eeuw levende, boeddhistische monnik Zhengxing, wat Ware Natuur betekent.