Niemand weet wat een menselijke woning inhoudt; De naoorlogse woonwijken van Lotte Stam-Beese in Rotterdam

Terwijl de Erasmusbrug in Rotterdam is aanbesteed en Rotterdam Zuid in de steigers kan worden gezet, blijken de eerste naoorlogse wijken hoognodig aan herziening toe te zijn. Ze zijn het onderwerp van de manifestatie Air Alexander die is begonnen met de tentoonstelling "Omzien naar Morgen' in de Kunsthal over de wijken van de architecte Lotte Stam-Beese. “In de architectuur en stedebouw is de afstand tussen ontwerp en origineel al vaak reusachtig, maar de kloof tussen taal en werkelijkheid, tussen opvattingen en de gebouwde wijk is niet te overbruggen.”

De tentoonstelling 'Omzien naar morgen' is tot 23 mei te zien in Zaal 1 van de Kunsthal in Rotterdam, Westzeedijk 341.

Nieuwsgierigheid naar het origineel is de voornaamste drijfveer om naar een tentoonstelling te gaan. Waar is anders het Goud der Thraciërs in werkelijkheid te zien? De meeste schilderijen van Matisse en Titiaan zijn overbekend van reprodukties, maar een onbedwingbaar verlangen naar persoonlijke aanschouwing van de originele kunstwerken met hun oorspronkelijke kleuren, formaten en verfstreken, spreekt uit de lange rijen bezoekers dezer dagen voor het Centre Beaubourg en het Grand Palais in Parijs. Geen grotere belevenis dan de belevenis van het origineel en het liefst van zoveel mogelijk orginelen bij elkaar.

De fenomenale belangstelling voor de Pompeji-tentoonstelling in de Nieuwe Kerk in Amsterdam kwam voort uit de aantrekkingskracht van het schijnbare origineel, want in dit geval was vooral de jacht op het origineel een deel van de belevenis. De spectaculair teloorgegane, kleine Romeinse stad ten zuidoosten van Napels was in fragmenten zo natuurgetrouw mogelijk gereproduceerd en aan de hand van de reproduktie kon de toeschouwer het origineel van Pompeji in zijn eigen verbeelding ontdekken. Een inspanning die van de bezoeker een amateur-archeoloog maakte en wie wil dat niet even zijn? De jacht op het origineel heeft het succes van de expositie in de Nieuwe Kerk bevorderd.

Het eigenaardige probleem bij architectuurtentoonstellingen is de afwezigheid van het architectonische origineel. Hooguit zijn oorspronkelijke tekeningen en modellen te zien en foto's van het origineel als er sprake is van een daadwerkelijk uitgevoerd ontwerp. Net als op de Pompeji-tentoonstelling moet de bezoeker van een architectuurtentoonstelling zich van het al of niet verwezenlijkte eindresultaat in de eigen verbeelding een voorstelling maken.

Wat voor architectuurtentoonstellingen geldt, is in overtreffende trap van toepassing op exposities van stedebouwkundige ontwerpen. Het eventuele origineel moet men buiten het museum zoeken en aan de oorspronkelijke getekende plannen, plattegronden en de geschematiseerde modellen valt doorgaans veel minder te beleven dan aan architectuurschetsen en maquettes van een afzonderlijk bouwwerk. Geen moeilijker en ondankbaarder opgave dan het maken van een tentoonstelling over stedebouw. En gaat het om de naoorlogse nieuwbouwwijken in de periferie van Nederlandse steden, bijvoorbeeld van Rotterdam, dan is zo'n expositie gedoemd om in het beste geval een betrouwbare afspiegeling te worden van het origineel: schraal en verre van opwindend.

De tentoonstelling "Omzien naar Morgen' in de Kunsthal in Rotterdam dient ter opening van de manifestatie Air Alexander die de komende acht maanden aandacht zal vragen voor de naoorlogse stedebouwkundige ontwikkelingen buiten het centrum van Rotterdam. "Een multidisciplinaire kunstmanifestatie met architectuur als kern en film, literatuur, fotografie, beeldende kunst en podium-kunsten als middelen om de aandacht te vestigen op de naoorlogse stadswijken in het algemeen en die in de Alexanderpolder in het bijzonder', toetert de organisator van de manifestatie, de Rotterdamse Kunststichting, op het omslag van het "gratis magazine' dat het ambitieuze programma voor de rest van het jaar ontvouwt, benevens een waaier van snorkende toelichtingen. De vormgeving van het magazine (door Opera Grafisch Ontwerpers Breda) is een rommelige variant op het uiterlijk van de 8 en Opbouw, het tijdschrift van het Nieuwe Bouwen dat verscheen van 1932 tot 1943 en de stedebouwkundige Lotte Stam-Beese tot een van de regelmatige, schrijvende medewerkers mocht rekenen.

De tentoonstelling "Omzien naar Morgen' - mag dit de laatste titel zijn in het spitsvondige genre van "De toekomst van gisteren'? - gaat over het werk van Lotte Stam-Beese. Zij was van 1946 tot 1968 stedebouwkundig hoofdarchitect van de Dienst Stadsontwikkeling en Wederopbouw van de stad Rotterdam en legde letterlijk de grondslag voor de wijken die in de Kunsthal worden getoond: Kleinpolder (1947-1952), Pendrecht (1949-1952), Westpunt (1957) en in Alexanderpolder, voor 140.000 inwoners, Het Lage Land en Ommoord (1962-1969).

Door alle ophef die al lang van tevoren op z'n Rotterdams - dat wil zeggen luidruchtig, enthousiast en nooit geheel duidelijk - over Air Alexander is gemaakt, dacht ik dat de tentoonstelling de Kunsthal van top tot teen zou beslaan. Maar "Omzien naar Morgen' is in één ruimte te zien en die is vooral gevuld met geluid. Als het beeld niet voor de opwinding zorgt, dan maar een andere bron, moeten de samenstellers hebben gedacht. In een audiovisuele corridor die aan beide uiteinden open is, praten allerlei projectoren door elkaar, met als overheersende attractie de installatie "Talking Heads' van de Amerikaanse kunstenares Judith Barns. Reusachtige hoofden, vrijstaand op de muur geprojecteerd, vertellen over leven en wonen in de Rotterdamse naoorlogse wijken. Het zijn met toffe details doorspekte, vooral opgewekte getuigenissen die de door de tentoonstelling scharrelende bezoeker in flarden bereiken, want gericht kijken naar de Talking Heads is geen genoegen. De koppen zijn van onderaf gefilmd waardoor het accent op kin, mond en de onderkant van de neus komt te liggen. En in die vleesmassa's, soms overwoekerd door een snor of baard, beweegt onophoudelijk een mond die bijvoorbeeld zegt dat hij op dat ogenblik oprispingen kreeg van het drinken van Exota. Op den duur worden de kletsende gezichten onaangenaam indecent maar - het zij toegegeven - zij lijken wel erg veel op ieders buurman.

Bauhaus

Op twee wanden geven grote foto's, originele ontwerptekeningen en plattegronden - sommige ingekleurd, met veel groen - en als schilderijen hangende, vlakke, geabstraheerde maquettes een indruk van de streng gesystematiseerde stedebouwkundige opzet van de naoorlogse polderwijken rond Rotterdam. Een brede, horizontale baan waarop chronologisch de wereldgeschiedenis en de ontwikkeling van de architectuur en stedebouw in de twintigste eeuw worden aangegeven, is op de derde grote wand geplakt en getekend. De tijdsbalk begint in 1903 - het jaar waarin de Pruisische officiersdochter Lotte Beese werd geboren op een station in Breslau - en markeert de hoogtepunten van de moderne architectuur en stedebouw, bijvoorbeeld de invloedrijke bijeenkomsten van de CIAM, Congrès Internationeaux d'Architecture Moderne, die in 1928 in La Sarraz van start gingen. Na afloop van dit eerste historische congres werd, heel pontificaal, de Verklaring van La Sarraz uitgegeven en door drieëntwintig architecten ondertekend. De Nederlandse ondertekenaars waren H. P. Berlage, G. Th. Rietveld en Mart Stam. Ook Le Corbusier zette zijn handtekening en Hannes Meyer, de toenmalige directeur van het Bauhaus in Dessau. Een van de meest verregaande passages van de Verklaring luidde: “Stedebouw is de organisatie van alle functies van het collectieve leven in de stad en op het land. Stedebouw kan nooit door esthetische overwegingen maar uitsluitend door functionele conclusies worden bepaald.” De naoorlogse wijken in Rotterdam laten zien dat Lotte Beese, die in 1928 op het Bauhaus in Dessau studeerde, zich haar leven lang strikt aan dit beginsel van het functionalisme heeft gehouden. In 1929 werd zij door Hannes Meyer uitgenodigd om mee te tekenen aan zijn befaamde schoolgebouw van de Deutscher Gewerkschaftsbund in Bernau. Voor het eerst ontdekte zij in de praktijk de verhelderende en economische betekenis van functionalisme en standaardisering in de architectuur.

Van de veelal bekende citaten die tussen de feitelijke data, krantekoppen en nieuwsfoto's - de rookbom bij het huwelijk van Beatrix en Claus in de Amsterdamse Raadhuisstraat - op de kalendrisch afgerolde muurkrant staan geschreven, zijn de treffendste regels afkomstig uit De Avonden (1947) van Gerard Kornelis van het Reve: “Niemand weet wat een menselijke woning inhoudt, zei hij zacht.”

Aandoenlijk

De lezer heeft nog de vierde wand tegoed van de rechthoekige tentoonstellingsruimte, deze is van glas en biedt uitzicht op het museumpark dat tussen de Kunsthal en museum Boymans-Van Beuningen in wording is. In de verte zijn de sterke contouren zichtbaar van het Nederlands Architectuur Instituut. Met de naderende voltooiing van dit flamboyante, door Jo Coenen ontworpen gebouw, zal ook de nieuwe binnenstad van Rotterdam voorlopig "af' zijn. Als we vaststellen dat de Kop van Zuid in de steigers kan worden gezet nu de prachtige Erasmusbrug van architect Ben van Berkel is aanbesteed, dan getuigt het van een bij de Rotterdamse Kunststichting goed ontwikkeld gevoel voor continuteit van de stadsontwikkeling, om nu de aandacht te verleggen naar de eerste naoorlogse perifere wijken die hoognodig aan herziening toe zijn. Het stedebouwtoerisme naar de internationaal meest fameuze creatie van Lotte Stam-Beese, Pendrecht, is al lang geleden stilgevallen en in Alexanderpolder is de door haar gekoesterde functionele en ruimtelijke samenhang tussen hoog- en laagbouw volslagen zoekgeraakt.

Behalve een overhuifde blank-houten bank die met twee luidsprekers op oorhoogte een hoorspel uitzendt met krakende stemmen van architecten en stedebouwers, staat op de vloer van de tentoonstellingszaal een rij tafelvitrines waarin het leven van Lotte Stam-Beese aan de hand van foto's, tekeningen en documenten ligt uitgestald. Dit summiere, maar aandoenlijke prentenkabinetje wint het in aandachttrekkerij van al het andere gepresenteerde, omdat het niet zo akelig anoniem is. Amateurkiekjes van haar, vaak als enige vrouw, temidden van collega's van de dienst Stadsontwikkeling en Wederopbouw. Ontwerptekeningen voor een kinderstoel, een salontafel en een schrijverspaviljoen (1941), waaruit blijkt dat tekenen niet haar sterkste zijde was, evenmin als architectonisch ontwerpen. Een paar karakteristieke Bauhaus-portretten van haar gemaakt door Hannes Meyer. Onscherpe fotootjes waarop ze staat afgebeeld samen met Mart Stam, ergens op een markt op een godverlaten plek in Rusland. De vitrines laten het leven zien van een bij de sociale, politieke en culturele ontwikkelingen zeer betrokken vrouw, die voor de oorlog steeds weer opdook op de plaatsen in Europa waar het Nieuwe Bouwen, het functionalisme en het modernisme hoogtepunten beleefden. Van 1928 tot 1930 verbleef zij op het Bauhaus in Dessau, dat toen onder leiding stond van Hannes Meyer. In het begin van de jaren dertig was zij te vinden op het legendarische bureau van Bohuslav Fuchs in het Tsjechische Brno. Daarna trok zij mee met de heilig in de proletarische revolutie gelovige Nederlandse en Duitse architecten om in Rusland nieuwe steden te bouwen ter meerdere eer en glorie van de Sovjet-arbeider. In Charkow ontmoette zij haar latere echtgenoot, de Nederlandse architect Mart Stam, een van de talentvolste moderne architecten die in 1927 internationaal bewondering had geoogst met zijn arbeiderswoningen op de Weissenhof Siedlung in Stuttgart. In Rusland werkte zij samen met Stam aan plannen voor de steden Orsk, Magnitogorsk en Makajevka.

Met de hervorming van de socialistische staat die in 1932 begon, raakte ook de moderne architectuur in de Sovjet-Unie in ongenade. Het functionalisme werd beschouwd als een stijl van het laat-kapitalisme en was dus verwerpelijk. De Stalin-architectuur moest classicistisch zijn en de moderne architecten, de westerse idealisten die hun krachten hadden gegeven voor een functionalistische opbouw van de nieuwe socialistische maatschappij, kondenvertrekken.

Vuur

In 1934 sloten Lotte Beese en Mart Stam zich aan bij de architectengroep "de 8' in Amsterdam. De eerste Nederlandse drive-in-woningen die zij samen met W. van Tijen en H.A. Maaskant ontwierpen, werden door Le Corbusier luid geprezen. Zowel Stam als Beese gingen na hun terugkeer in Nederland actief meewerken aan het tijdschrift de 8 en Opbouw. De eerste bijdrage van Lotte Beese - zij signeerde haar artikelen soms met haar meisjesnaam, soms met Lotte Stam-Beese - verscheen in januari 1935 in een speciaal nummer over "De verzorging van het kind van 3 tot 7 jaren'. Zij behandelde de "bewaarplaatsen en kindertehuizen in de U.S.S.R.'. In de jaren die volgden, tot 1940, schreef Lotte Stam-Beese in "de 8 en Opbouw' met functionalistisch vuur over van alles en nog wat, als het maar met vormgeving en architectuur te maken had. Over de invloed van maatschappelijke omstandigheden op het meubelontwerp, over het affiche ("de reclameplaat als aansporing tot het ontwikkelen van de menselijke individualiteit en van het welzijn van de samenleving'), over schilderkunst, fotografie, het ornament, de trein, en natuurlijk ook over en stedebouw. In 1939 noteerde zij, in die licht kinderlijke, verbaasde stijl die door de meeste schrijvende architecten van het Nieuwe Bouwen werd gevoerd: “We weten dat de stedebouwkundigen verschil maken tussen de woonstraten en de verkeersstraten, maar beiden gaan aan de huizen voorbij. Waar is in de wijken met vier woonlagen een straat, die karaktervol tot uitdrukking brengt: "wonen en ontspanning voor de bewoner na z'n dagtaak?' Waar is een werkelijke woonstraat? Met het weren van de auto's alleen maakt men geen woonstraat. Wel trachten de bewoners zichzelf te troosten met de troosteloze uitblik op de andere straatwand en plaatsen geraniums voor de ramen of op het balkon. Zo geven ook zij het bewijs dat er ontbreekt, en in zeer hoge mate ontbreekt, het contact met datgene waarop alles opgebouwd is, waarvan het menselijk bestaan afhankelijk is: het contact met de grond.”

In 1940 liet de toen 37-jarige Lotte Stam-Beese zich inschrijven op de cursus der Vereniging voor Voortgezet en Hooger Bouwkunst-Onderricht te Amsterdam, als een beginnelinge met ervaring opgedaan in Dresden, Dessau, Wenen, Berlijn, Brno, Moskou, Praag, Charkov, Orsk, Magnitogorsk en Makajevka. Onder de kop "De jongere generatie' werden in april 1942 in de 8 en Opbouw twee van haar studie-projecten uit het eerste leerjaar besproken, door M. Stam. Hij was zeer te spreken over de ontwerpen van L. Beese voor het Klein schrijvers-paviljoen en het Klein restaurant in het plantsoen aan de Weteringschans. Zijn conclusie lijkt de zienswijze te verwoorden, waarmee Lotte Stam-Beese direct na de oorlog in Rotterdam haar stedebouwkundig werk zou gaan uitvoeren: “Is het niet veeleer de onderlinge samenhang der verschillende vertrekken, die geaccentueerd wil zijn - en niet de scheiding ervan? Is het niet veeleer en steeds weer dat grote gevoel van niet alleen te staan, doch deel te zijn van een groter geheel? Is het niet óók zo met ieder vertrek, met ieder bouwwerk, met iedere straat, met ieder plein, dat wij het niet kunnen zien als een-ding-op-zich-zelf slechts, maar wèl, en vooral, als deel van een groter geheel, steeds met en in verhouding tot al de omringende elementen? Geen opgave staat alleen en gesoleerd. De ruimte kent geen grenzen.”

Wijze woorden en ontegenzeggelijk zijn Kleinpolder, Pendrecht, Westpunt, Het Lage Land en Omoord door Lotte Stam-Beese met deze door Mart Stam geformuleerde overtuiging ontworpen.

In de architectuur en stedebouw is de afstand tussen ontwerp en origineel al vaak reusachtig, maar de kloof tussen taal en werkelijkheid, tussen opvattingen en de gebouwde wijk is in mijn ogen niet te overbruggen. Daarom stellen zelfs de nieuwbouwwijken van Lotte Stam-Beese me zo teleur. Er is mij meer toegezegd, in dit geval door de geschiedenis, meer beloofd dan het schrale origineel mij aan architectonisch en stedebouwkundige schoonheid te bieden heeft. Maar gelukkig is het een zuiver persoonlijk kwestie. Uit alle verslagen, films, sprekende hoofden, straatinterviews en balkongesprekken blijkt dat de bewoners tevreden en gelukkig zijn in Kleinpolder, Pendrecht, Westpunt, Zalmplaat, Het Lage Land en Ommoord. Mijn oordeel is het oordeel van een onbevoegde.