Mestwetgeving kost CDA stemmen van boerenvolk

TILBURG / DEN HAAG, 23 APRIL. Het boerenvolk, het Brabantse voorop, mort over de mestwetgeving en de CDA-top in Den Haag voelt zich er steeds ongemakkelijker door. “Het gist gruwelijk”, zoals boerenvoorman H. Verkampen in Gemert het uitdrukt. “Als men zich niks van de geluiden uit de achterban aan blijft trekken denk ik dat het bij de verkiezingen raak is en natuurlijk heeft dat dan vooral flinke gevolgen voor het CDA.”

Achtergrond is de aangekondigde verscherpte mestwetgeving, die op 1 januari 1995 moet ingaan en waarover aan het groene front menig robbertje wordt gevochten: tot in Catshuis en Torentje toe. Als er iemand in staat is de stemming op het platteland te peilen dan is dat Verkampen wel. Hij is zo wat het geweten van de Peelboeren, die veelal net als hij CDA-stemmers zijn. Hij is wethouder van Gemert in 's lands grootste mestconcentratiegebied, varkenshouder en voorzitter van de kring Helmond van de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond NCB.

“Er zijn al boeren die zich helemaal niet meer houden aan de milieu- en mestwetgeving. Het is een snel groeiende groep die het niet langer pikt dat van overheidswege steeds weer andere regels over hen worden uitgestort, waar ze geen kant mee op kunnen. De neiging tot burgelijke ongehoorzaamheid wordt sterker. Steeds vaker hoor je: bekijk het maar, Den Haag, wij zoeken het zelf wel uit. Dat men daarbij ook naar CDA-minister Bukman kijkt, is logisch, want die doet nu eenmaal Landbouw.”

Dezelfde geluiden, maar dan wat diplomatieker verpakt, liet voorzitter ir. A. Latijnhouwers van de NCB horen toen hij op 15 maart aanwezig was bij een groot CDA-beraad in het Torentje, de werkkamer van premier Lubbers in Den Haag. “Laat boeren”, zo hield Latijnhouwers zijn partijgenoten daar voor, “hun mestproblemen zelf oplossen en als ze dat niet kunnen, spreek ze dan per bedrijf en niet als hele sector aan. Maar beloon ze ook als ze zich netjes gedragen.”

Op de discussiepagina van het Brabants Dagblad schreef Latijnhouwers onlangs onder de kop "De boer wil zijn stal zelf uitmesten' dat de veehouders zich gefrustreerd voelen door de voortdurende dreiging van het vervroegd aanscherpen van de normen, het inkrimpen van de veestapel en door het uitblijven van voldoende mogelijkheden om hun bedrijf aan te passen. Hij benadrukte in dat artikel nog eens dat een rapport van het Landbouwschap uitgangspunt dient te zijn van het beleid. Het gesprek in het Torentje werd gevoerd op uitnodiging van Bukman. Aanwezig waren behalve Latijnhouwers premier Lubbers, Rabo-topman Wijffels, de CDA-Kamerleden Esselink en Noord, Miedema van het Landbouwschap - als plaatsvervanger van voorzitter Mares - en CDA-partijvoorzitter Van Velzen.

Latijnhouwers ontkent dat er tijdens de bijeenkomst bindende afspraken zijn gemaakt die erop neerkomen dat Bukman de boeren voortaan de vrije teugel zou laten. “Dat is flauwekul. Wij vragen iets en als een politieke partij daar gevoelig voor is, dan is dat prima”, aldus Latijnhouwers. Naderhand kon hij tot zijn vreugde vaststellen dat hij niet voor de banken had staan praten. Landbouw/milieuspecialist Esselink van het CDA liet immers deze week - tot grote woede van de PvdA en van de milieubeweging - weten eveneens van mening te zijn dat de aanscherping van de mestwetgeving "onverstandig' is. “Dus hebben we in onze stellingname in ieder geval in die hoek succes gehad ”, aldus Latijnhouwers.

De bijeenkomst in het Torentje was eigenlijk het vervolg op een eerder onderhoud dat CDA-voorzitter Van Velzen op het Catshuis had tijdens het wekelijkse CDA-bewindsliedenoverleg. Vooral Van Velzen kritiseerde daar minister Bukman en waarschuwde voor de afkalvende steun onder boeren in de "mestgebieden' voor het CDA. Bukman hield, zo vond Van Velzen, te weinig rekening met de belangen van agrarisch Nederland.

Nog weer wat eerder, in december, had premier Lubbers zijn steentje aan de discussie bijgedragen met "amice-brieven' aan Bukman en Alders (milieu), waarvan de toon er één was alsof hij twee stoute jongetjes tot de orde riep. De premier drong erop aan haast te maken met de mestnotitie waarin het beleid tussen 1995 en 2000 moet worden uitgestippeld. Beide ministers waren hun belofte niet nagekomen om het stuk aan het einde van het jaar naar de Tweede Kamer te sturen. De bedoeling van Lubbers' briefje was duidelijk: de boeren waren ongeduldig en in grote onzekerheid en daardoor in toenemende mate bereid de kont tegen de krib te gooien. Het was van CDA-belang snel met de notitie te komen. Met name de fractie is er alles aan gelegen het stuk voor de zomer in de Tweede Kamer te behandelen. Hoe eerder vóór de verkiezingen van volgend jaar, hoe geringer het CDA-stemmenverlies. Bukman en Alders stuurden allebei een briefje terug, waarin ze uitlegden dat het weinig zin had met een dergelijke notitie te komen als niet duidelijk is dat ze de steun heeft van het georganiseerde landbouwbedrijfsleven. Dat overleg wordt dezer dagen gevoerd en mogelijk volgende week afgerond. De mestnotitie zal echter pas op zijn vroegst in juni verschijnen, zo heeft Bukman gisteren aan de Kamer laten weten.

Duidelijk is dat de CDA-top met de hele mestwetgeving lelijk in de maag zit. Men moet schipperen tussen het landsbelang (een schoner milieu), de coalitiepartner PvdA en de eigen agrarische achterban. Als de maatregelen niet ver genoeg gaan, kan de PvdA goede sier maken met het verwijt dat het CDA zich te zeer door de landbouwlobby heeft laten bespelen. “Bukman kan het eigenlijk nooit goed doen”, aldus een insider die anoniem wil blijven. Bukman zit ook ten aanzien van zijn milieucollega Alders in een moeilijk parket. Van zijn topambtenaren kreeg hij het advies nauw met Alders te blijven samenwerken en Alders op zijn beurt heeft op het ministerie van landbouw een goede naam opgebouwd.

Op hun beurt, zo is wel duidelijk, voelt de agrarische achterban de hete adem van Den Haag in de nek. “Om aan nog stringentere overheidsbeslissingen te ontkomen, doen we er alles aan onze problemen zelf op te lossen”, zegt Peelboer Verkampen. Het voornemen van Bukman en Alders om de fosfaatnorm in 1995 aan te scherpen van 125 naar 100 kilo per hectare en tot 60 à 70 kilo in 1998 (twee jaar eerder dan oorspronkelijk de bedoeling was) neemt, zegt Verkampen, geen enkele boer serieus. “Dat gooien ze ver van zich af, omdat het geen oog heeft voor de realiteit. Als de laagste norm wordt ingevoerd dan worden de Brabantse zandgronden weer even onvruchtbaar als vroeger; dan zijn we weer honderd jaar terug in de tijd en dat zal toch niemand willen”.

Interessant in de hele discussie is een recente studie van het Landbouw Economisch Instituut, waaruit blijkt dat door milieubeleid, een vrijere wereldhandel en EG-beleid in 2000 het aantal veehouders en beesten aanzienlijk zal zijn teruggedrongen. Het komt dus misschien nog eens zover dat men stront tekort komt. Dan is Catshuis- en Torentjesberaad niet eens meer nodig.