Massa's vrije tijd en geen cent te makken

UTRECHT, 23 APRIL. De bijstand betekent een lange vakantie. Tenminste, dat dacht Karin Suszka nog de eerste week. De tweede week begon ze zich te vervelen. De kamer had ze schoongemaakt, het boek uit de bibliotheek uitgelezen. Massa's vrije tijd en geen cent te makken. Nu kijkt ze 's ochtends van drie hoog uit haar raam. Stinkend jaloers op de slaperige mensen die om acht uur in de auto stappen om naar hun werk te gaan.

Karin Suszka is 25 jaar en begin dit jaar afgestudeerd aan de lerarenopleiding in Utrecht. De vooruitzichten op een baan zijn somber. Suszka is bevoegd omgangskunde te doceren. Verplegers en mensen uit de maatschappelijke dienstverlening brengt ze sociale vaardigheden bij. Niet bepaald een sector waar de banen voor het opscheppen liggen.

Van de sociale dienst ontvangt Suszka 834 gulden per maand. Het eerste half jaar krijgen schoolverlaters een lagere uitkering, omdat het kabinet meent dat jongeren zo sneller geneigd zijn een baan te zoeken. Als Suszka na zes maanden nog geen baan heeft gevonden, komt ze nu nog in aanmerking voor een bijstandsuitkering van 1232 gulden per maand.

Maar het kabinet heeft andere plannen. Gisteren kondigde het aan fors te willen bezuinigen op de bijstandsuitkeringen voor jongeren. Een alleenstaande 25-jarige ziet de maandelijkse uitkering dalen van 1232 gulden naar 925 gulden. De bijstand voor de 16.000 jongeren in Nederland onder de 21 jaar verdwijnt helemaal. De eerste maatregel levert het kabinet jaarlijks 310 miljoen gulden op, het schrappen van de bijstand voor jongeren onder de 21 jaar 345 miljoen gulden.

Suszka betaalt aan huur 450 gulden per maand, besteedt aan eten bijna 250 gulden en aan telefoneren gemiddeld dertig gulden. Voor de rest van de maand blijft er dan krap honderd gulden over. Daarvan koopt ze een treinkaartje naar haar ouders in Enschede, een cadeau voor een jarige vriendin of een biertje in het cafe. Ze leeft verder van de restitutie van haar collegegeld en van het geld van haar vriendin, die de verpleegstersopleiding volgt. Maar wat te doen als het collegegeld op is en de liefde overwaait?

Gisteren heeft ze gehoord dat ze op korte termijn haar kamer moet verlaten. Een opgeruimde kamer, met een televisie, een stereotoren en een Ikea-bankje. Achter een groot gordijn staat een bed. De keuken en de badkamer deelt ze met de andere bewoners. Wonen in Utrecht kost veel geld; voor één kamer betaalt men al gauw vijfhonderd gulden inclusief. Suszka weet niet hoe ze straks de huur van een nieuwe kamer moet betalen. Misschien moet ze verhuizen naar het platteland, peinst ze, waar de huren beduidend lager liggen.

Drie maanden geleden wist ze niet eens hoe het was om een uitkering te hebben. Natuurlijk, ze had kennissen die in de bijstand zaten, maar ze dacht dat het allemaal wel mee viel. Nu windt ze zich vreselijk op als staatssecretaris Ter Veld (PvdA) bij presentator Paul Witteman op de televisie verschijnt. Ter Veld doet alsof iedere bijstandsgerechtigde op voorhand een fraudeur is. Er zullen best rotte appels in de mand zitten, maar dat is nog geen reden om iedereen over één kam te scheren. Suszka's ogen fonkelen van verontwaardiging.

Die verontwaardiging groeit als de sociale dienst ter sprake komt. Binnen korte tijd heeft ze een grondige hekel aan deze instelling gekregen. De ambtenaren zijn alleen genteresseerd in formulieren, niet in haar persoon. Als ze op zoek is naar een luisterend oor, zeggen de ambtenaren verstrooid “Ja, het is goed hoor”, en vragen vervolgens naar haar bankrekeningnummer. Bij die andere instelling, het arbeidsbureau, is ze alleen nog voorgelicht over werk in het bedrijfsleven en niet in het onderwijs. Frustrerend, als niemand je kan helpen.

Gedane zaken nemen geen keer. Bovendien zou Suszka, als ze opnieuw moet kiezen, de opleiding zó over doen. Haar hart ligt bij het onderwijs en dan moet je geen econoom of computerdeskundige worden. Dat levert maar stress op. Ze wist vantevoren dat het moeilijk zou zijn werk te vinden en heeft zich een half jaar de tijd gegeven om een leuke baan als docente omgangskunde te vinden. Maar na die zes maanden zal ze haar horizon moeten verbreden en misschien “iets aan de therapeutenkant moeten zoeken”.

Vlak na haar afstuderen kreeg Suszka een baan aangeboden als lerares voor zes uur in de week. Maar ze sloeg het aanbod af. De reistijd was te lang en bovendien bleef ze afhankelijk van de sociale dienst. Nu heeft ze gesolliciteerd bij een organisatie die herintredende vrouwen begeleidt op hun weg naar het arbeidsproces. Suszka blijft zoeken. Want diep in haar hart is ze ervan overtuigd dat ergens de ideale baan op haar ligt te wachten.