Martin Ros Martin Ros: Liefde en ouderdom. Uitg. ...

Martin Ros Martin Ros: Liefde en ouderdom. Uitg. De Arbeiderspers, 200 blz. Prijs ƒ 27,50

Jeroen Brouwers Jeroen Brouwers: Het is niets. Uitg. De Arbeiderspers, 145 blz. Prijs ƒ 27,50

Monika van Paemel Monika van Paemel: Het wedervaren, een verslag. Uitg. Meulenhoff, 115 blz. Prijs ƒ 24,90.

Freriks/Meijsing Kester Freriks en Geerten Meijsing: De Palmen van Amsterdam, een briefwisseling. Uitg. De Arbeiderspers, 229 blz. Prijs ƒ 29,90

Gruwez/Verpaele Luuk Gruwez en Eriek Verpale: Onder vier ogen. Siamees dagboek. Uitg. De Arbeiderspers, 113 blz. Prijs ƒ 19,90

Martin Ros

In de laatste dertig jaar heeft Martin Ros voor de Arbeiderspers de prachtige reeks autobiografieën, dagboeken, memoires en brieven, bekend als Privé-domein, uit de grond gestampt. Nu heeft hij, zoals velen allang hadden gehoopt, een stuk van zijn eigen leven beschreven. Het is een leven dat wordt gekenmerkt door vele liefdes, niet alleen voor vrouwen maar ook voor de literatuur, het wielrennen en auto's. Het zijn bij hem nooit halve liefdes of verliefdheden die weer overgaan, maar blijvende, allesbeheersende emoties. Duidelijk is ook dat zijn liefdes gepaard gaan met een sterke drang naar bezit. Zijn verzameling boeken is al legendarisch, en de foto op de achterkant van Liefde en Ouderdom, waar zijn arm liefdevol en bezitterig om het portier van zijn cabriolet ligt als om de schouder van een vrouw, spreekt boekdelen. Ook allerlei andere kanten van Ros komen in dit boek aan het licht. Zonder op te scheppen over zijn verrichtingen laat hij zich kennen als een geweldig animator, een superdynamo, wat zeg ik, een kernreactor.

Ondanks de zakelijke gerichtheid van zijn energie kan hij ook pathetisch zijn, en zelfs tobberig. Toch wint zijn enthousiasme het altijd weer en hij schrijft zo gedreven dat je meteen Chateaubriand wilt gaan lezen en alle delen van Privé-domein wilt hebben. Zijn stijl is vlot en direct op de manier van een verteller die tegen je zit te praten. Soms is hij wat al te uitvoerig, over zijn hartstocht voor het socialisme bijvoorbeeld, soms ook is die uitvoerigheid juist boeiend en komisch, zoals in de verhalen over zijn "religieuze roes' en de Maranathabeweging.

Martin Ros: Liefde en ouderdom. Uitg. De Arbeiderspers, 200 blz. Prijs ƒ 27,50

Jeroen Brouwers

Van Jeroen Brouwers verwacht niemand uitbundige vrolijkheid, optimistisch elan, of luchthartige zorgeloosheid. Hij is waarschijnlijk de meest verstokte zwartkijker in de Nederlandse literatuur. Het leven duurt te lang, schrijft hij in zijn nieuwe boek. Na zijn veertigste - hij is nu drieënvijftig - vond hij er niets meer aan. Hij is zeer onvoldaan over zijn literaire prestaties en nog onvoldaner over de erkenning die hij ervoor heeft gekregen. Toch zou je denken dat iemand die een meesterwerk als De zondvloed heeft geschreven, daar wel enige voldoening aan zou overhouden. Geen sprake van, en Brouwers heeft zijn antwoord klaar: het gaat nooit om wat je hebt geschreven maar om wat er nog geschreven moet worden.

De grondslag van dit boek is een van de aantekenboeken waar Brouwers van alles in opschrijft wat nog wel eens te pas kan komen. Aan afwisseling geen gebrek. Er staan mooie anekdoten in en heel fraaie bon mots van Mulisch. Het venijn wordt bewaard voor uitgevers en academische neerlandici. Bij het ouder worden nemen de verliefdheden af maar één bitterzoet stukje romantiek is toch in het boek terechtgekomen. Er is ook een minder romantisch gekleurd verhaal over een vrouw die haar treurnis zo pakkend beschrijft dat hij erbij in de lach schiet. Dat gebeurt me bij hem ook steeds. Zijn boek is opwekkend in plaats van terneerdrukkend omdat hij schrijft met een verve die zijn levensmoeheid lijkt te logenstraffen.

Jeroen Brouwers: Het is niets. Uitg. De Arbeiderspers, 145 blz. Prijs ƒ 27,50

Monika van Paemel

Monika van Paemel heeft een eigenaardige opvatting van autobiografie. Ze houdt niet van het woord "ik' omdat ze bij het neerschrijven ervan haar eigen personage wordt. Daarom kan ze het intieme alleen maar verwoorden door een zekere afstand tot de ik te bewaren. Voor een autobiografisch geschrift voorspelt dat niet veel goeds. Je hoeft niet ongezond belust te zijn op intimiteiten om te zien dat er hier een krachtige rem wordt gezet op alles wat de drijfkracht van een persoonlijkheid vormt. Dat is niet alleen geestelijke preutsheid, maar er zitten ook praktische overwegingen achter. Ze ziet de eigen biografie als voedingsbodem voor verder werk en, in haar eigen woorden, als een reservaat waaruit de jagers geweerd moeten worden. Niemand zal haar die opvatting willen afnemen, maar wie er zo over denkt, moet zich ver houden van alles wat naar autobiografie zweemt. Als alles wat voor het verdere schrijven van belang is, wordt achtergehouden blijft er niet veel meer over dan gebabbel over leven en dood, jeugd en ouderdom.

Ook al blijft een autobiografisch stuk als dit hardnekkig aan de oppervlakte, er is altijd nog de mogelijkheid dat het bijdraagt tot een beter begrip van de fictie. Het merkwaardige is dat allerlei dingen die in dit verslag heel verhuld aan de orde komen, in een roman als De eerste steen met veel minder terughoudendheid zijn beschreven. De beste titel voor dit boek zou zijn: "Waarom ik nooit een autobiografie zal schrijven'.

Monika van Paemel: Het wedervaren, een verslag. Uitg. Meulenhoff, 115 blz. Prijs ƒ 24,90.

Freriks/Meijsing

Al heel lang wordt er geklaagd dat de kunst van het brieven schrijven wordt verdrongen door telefoon en fax. Toch zijn er hier en daar wel oplevingen en Kester Freriks en Geerten Meijsing laten daar een mooi staaltje van zien. Meijsing zit meestal in Italië en Freriks in Amsterdam, maar ook als ze allebei in Amsterdam zijn en elkaar opbellen en ontmoeten, schrijven ze gewoon door. Dat kom je niet veel meer tegen. Er zijn wel wat hiaten die soms niet verklaard worden, maar over het algemeen vormen hun brieven een doorlopend verhaal met de steeds terugkerende thema's van schrijven en liefde. Wat het meest naar voren komt is de onaantastbare waardering voor elkaars werk en de hartelijke aanmoedigingen die ze elkaar steeds weer geven.

Er zijn wel eens wrijvingen, in het bijzonder als Meijsing wat teveel klaagt over zijn armoede en miskenning en in die stemming Freriks verwijt dat hij voor het CS blijft schrijven, een krantje dat hij haat, zegt hij. Hij haat trouwens veel meer dan Freriks, op papier in elk geval. Freriks is in zijn brieven milder, terughoudender, romantischer en in zijn werk gedisciplineerder. Over het schrijfproces van beiden komen we niet veel te weten, maar des te meer over de teleurstelling, vooral bij Meijsing, om niet een groter publiek te kunnen bereiken. Ze sporen elkaar aan om "brutaal en slecht' te schrijven en even later om dat toch maar niet te doen. Even lijkt Meijsing zijn doel te bereiken als hij in 1988 de AKO-prijs wint (de briefwisseling loopt van 1986 tot 1989) maar ook dat valt tegen, en in zijn laatste brief schrijft hij dat hij die zaak in een nieuw boek, "brutaal en slecht', uit de doeken zal doen. Dat werd De grachtengordel.

Kester Freriks en Geerten Meijsing: De Palmen van Amsterdam, een briefwisseling. Uitg. De Arbeiderspers, 229 blz. Prijs ƒ 29,90

Gruwez/Verpaele

De opzet van Onder vier ogen van Luuk Gruwez en Eriek Verpale is niet om een wisselwerking van ideeën en stemmingen weer te geven zoals bij een briefwisseling gebeurt. Beide schrijvers treden gescheiden op en presenteren zich elk met een stukje dagboek, een zelfportret en een brief aan de ander. Aan een vergelijking valt op die manier niet te ontkomen en dan blijkt dat Verpale degene is die je alles even kan doen vergeten. Hij raast maar door, lapt het ene verhaal aan het andere, dwaalt af naar een herinnering en dan naar een volgende. Hij is de grootste afdwaler in de literatuur en heeft altijd iets onverwachts bij zich als hij even terugkomt van zijn gedool. Wat hij schrijft is opgewekt somber. Hij spreekt graag van zijn "verwoeste leven' en meestal om er iets vrolijks mee aan te kondigen. De meisjes dwarrelen door zijn dagboek heen, net als in zijn nog nooit volprezen Alles in het klein, en hij is heel wat mededeelzamer over zijn liefdes dan Freriks en Meijsing.

Gruwez' schrijven is verstilder en zijn taal is ook vlakker dan die van Verpale, wiens zinnen voortdurend flonkeren van de vondsten. Misschien was hij niet erg op dreef omdat zijn vrouw net in die tijd naar het ziekenhuis moest voor chemotherapie. Hij is even mono- als Verpale polygaam is en hij schrijft op zijn best als hij de liefde voor de zieke vrouw onder woorden probeert te brengen.

Luuk Gruwez en Eriek Verpale: Onder vier ogen. Siamees dagboek. Uitg. De Arbeiderspers, 113 blz. Prijs ƒ 19,90