Keizer Gozo in het dierenhotel

Wat voorafging: Gerrit, de poes van Jan, ging een nacht logeren in dierenhotel Kroonjuweel. Toen Jan Gerrit ging ophalen, was hij onvindbaar. Op dat moment kwam de keizer van Gozo binnen.

De keizer van Gozo had een dieppaarse tulband op zijn hoofd en droeg een wit maatkostuum en witte puntschoenen. “Wat heerlijk om hier weer te zijn,” zei de keizer. Zijn zware stem galmde door de kasteelhal. “Ik zie dat het hotel van eigenaar is veranderd. U bent zeker de nieuwe directeur,” zei de keizer terwijl hij op mijn vriend Jan afstapte. Intussen liet de keizer zijn blik op de flauwgevallen receptioniste rusten die languit in de kasteelhal lag. “In mijn land slaapt het volk buiten,” zei de keizer. “Die vrouw ligt in de weg. Kan ze opzij geschoven worden?” De keizerlijke bediende die op de papieren toeter had geblazen, pakte de receptioniste bij haar enkels vast en sleepte haar weg. De keizer was intussen langs de schilderijen met dierportretten gelopen. Bij het schilderij van een varken bleef hij staan. “Ach, daar hebben we mijn Baby Bobby, de muzikale big met wie ik zo'n verrukkelijke tijd heb gehad. In dit hotel hebben we nog samen zijn negende verjaardag gevierd. Sinds zijn dood maak ik ieder jaar een bedevaartstocht naar dit hotel,” zei de keizer.

“Was uw big erg muzikaal?” vroeg Jan aan de keizer. “Ja zeker, mijn big had bovendien een absoluut gehoor. Als hij het volkslied van Gozo knorde, stootte hij volmaakt zuivere tonen uit.”

“Het spijt me, maar het volkslied van Gozo ken ik niet,” zei Jan. “Ik heb het zelf geschreven,” zei de keizer, “want behalve keizer ben ik ook dichter. Als u ons volkslied wilt horen, kan ik het u voorzingen.” “Ik wil het volkslied van Gozo graag horen,” zei Jan. “Knasper,” riep de keizer tegen zijn bediende. “Imiteer jij met je toeter het knorren van wijlen Baby Bobby terwijl ik het volkslied zing.” De keizer begon luid te zingen:

"Statig ziet men zondags schrijden

Door de vorstelijke parken,

Nobel, ja verheven! beiden:

Gozo's Keizer en zijn Varken.

Ziet! Zij nad'ren. In de lanen

Drommen saam de onderdanen,

En zij buigen nederig

Voor hun Keizer en zijn Big.'

“Bravo! Wat een prachtig lied,” riep Jan terwijl hij een traan wegpinkte. “Ik weet niet hoe het komt maar als ik mooi gezang hoor, moet ik altijd huilen,” zei Jan tegen de keizer. “In Gozo weent iedereen als het volkslied wordt gezongen. Dat is verplicht. Wie niet weent, laat ik stokslagen toedienen om het wenen te bespoedigen,” zei de keizer. “Bent u een wrede keizer?” vroeg Jan aan de keizer. “Oh ja, ik ben ontzettend wreed”, zei de keizer. “Maar nu wil ik door mijn dragers naar de zijvleugel van het kasteel gebracht worden. Die heb ik, zoals u weet, voor een maand geboekt. Knasper blies op zijn toeter waarna er twee mannen verschenen die de keizer optilden en wegdroegen.

(Wordt vervolgd)