J. Eijkelboom over dichten, vertalen en verhuizen; Alles moet kloppen

Dichter-vertaler J. Eijkelboom moet weinig hebben van vreemde beelden, nieuwe begrippen en neologismen. “Dat is waarschijnlijk het oude journalistieke bloed, alles moet echt zijn.” Eijkelboom, die deze maand de bundel Hora Incerta publiceerde, heeft het gevoel dat het dichten hem nu beter lukt dan vroeger. Hij is zorgelozer geworden, en vrijer door zijn ervaringen bij het vertalen van poëzie.

“Het is belangrijk dat je je tijdens het werken niet verveelt.”

J. Eijkelboom: Hora Incerta. Uitg. De Arbeiderspers, Prijs ƒ 29,90.

Nog leverbaar zijn: Wat blijft komt nooit terug; De gouden man; De wimpers van de dageraad; Kippevleugels.

J. Eijkelboom introduceert Derek Walcott op woensdag 12 mei tijdens een lezing voor het John Adams Institute in de Lutherse Kerk in Amsterdam.

Op 17 juni zal de volledige tekst van Walcotts Omeros in de Rotterdamse Schouwburg achter elkaar worden voorgelezen. De VPRO maakt opnamen. De boekuitgave van de Nederlandse vertaling verschijnt dit najaar bij De Arbeiderspers.

De deze maand verschenen bundel Hora Incerta van J. Eijkelboom (67) begint met een reeks indrukwekkende gedichten, getiteld "Tegen de tijd. Een calendarium'. Het zijn twaalf gedichten die ieder naar een tijd van het jaar verwijzen, voor elke maand één. In twee recensies die over de bundel zijn verschenen worden regels uit het vierde vers geciteerd: Verlangen blijft het noodseizoen / voor wie - waarom? - wil overleven. En beide critici vragen zich af waarom Eijkelboom het over een "noodseizoen' heeft. In de regels die eraan voorafgaan beschrijft hij aan de hand van twee concrete herinneringen het voorbijgaan dan wel het stagneren van de tijd. Ze lopen uit op de benauwende strofe:

De tijd kan nu niet weg, blijft staan

in plassen of perst zich moeizaam door de goot.

Wie nu niet dood wil houdt zich dood

of laat zich door een droom verplegen.

Kees Fens die het boek op 2 april in de Volkskrant besprak vindt de regel over het noodseizoen niet erg sterk. Hij had er liever "noodrantsoen' zien staan. Noodseizoen werkt volgens Fens in dit gedicht als "constructie'. Guus Middag neemt het daarentegen in deze krant van vorige week voor het noodseizoen op. Zonder naar Fens te verwijzen prijst hij het woord. Volgens Middag heeft Eijkelboom er een jaargetijde bijgemaakt, naast de winter, de lente, de zomer en de herfst. Hij schrijft: "Verlangen als noodseizoen, altijd achter de hand en altijd oproepbaar: in dat jaargetijde schrijft Eijkelboom zijn gedichten.'

Als ik J. Eijkelboom twee dagen na het verschijnen van het Cultureel Supplement in Dordrecht opzoek, wijst hij op de uiteenlopende waardering voor zijn regels. Maar hij geeft Fens gelijk. “Fens is een hele goede lezer.” Het woord noodseizoen hoort in het gedicht inderdaad niet thuis. Het is een zetfout. Toen het typoscript bij de uitgever werd ingeleverd stond er inderdaad "noodrantsoen'. Eijkelboom las bij het corrigeren van de drukproeven over de fout heen en hield er een vijfde seizoen aan over, altijd achter de hand en altijd oproepbaar.

Eijkelboom maakt niet de indruk de zetfout een ramp te vinden. “Het is typisch een soort fout waar je over heen leest.” Hij had het waarschijnlijk ernstiger gevonden als de klanken of het metrum waren verbasterd. Hij pakt de recensie die vorige week in Vrij Nederland over de bundel verscheen. Daarin eindigt Rob Schouten met een citaat uit het decembergedicht van de cyclus. Maar daarmee is iets heel anders gebeurd. Van de negen woorden die de zin telt zijn er twee verbasterd. Het woordje "Eer' verving Schouten door "Voor' en het woordje "het' dat er oorspronkelijk stond, verkortte hij tot "'t'. Waar Eijkelboom schreef: Eer men het antwoord weet / is 't raadsel opgelost, kwam Schouten met: Voor men 't antwoord weet / is 't raadsel opgelost. Eijkelboom: “Doordat "het' in "'t' is veranderd, komt het gedicht een lettergreep te kort. Het is ritme is verstoord.”

Nobelprijs

Voor Eijkelboom is de klank en het ritme van zijn gedichten essentieel. “Ik ben er zeker van dat gedachten beter overkomen wanneer ze ondersteund worden door bepaalde klanken en een stromend ritme. Je ziet dat aan een man als Churchill. Die gaf in zijn radiotoespraken erg veel aandacht aan de vorm. Zijn "blood, sweat and tears' is achteraf een tamelijk clichématig verhaal, maar door de manier waarop hij het bracht is het onvergetelijk geworden. Terecht heeft hij later, al was het dan voor zijn historische werk, de Nobelprijs gekregen.”

Het is vooral in zijn omgang met klank en ritme dat Eijkelboom in zijn laatste bundel een grote hoogte weet te bereiken. In de cyclus "Tegen de tijd' staan ten minste tien regels waarvan het me niet zou verbazen als ze over vijftig jaar nog worden geciteerd. Zoals: Want sneeuw is altijd weer van vroeger / en ligt er altijd voor het eerst. / Het blijft omdat het overgaat. Of: Als altijd ga ik naar een plek / waar ik moet zijn. Of de mooie slotzin van het gedicht over de maand juni: Vermijd het eigen lied.

Als ik hem hierop wijs, zegt hij eerst dat hij zelf het meest gehecht is aan zijn vorige bundel, Kippevleugels. Maar dan geeft hij toe dat zijn laatste bundel "objectief gezien' waarschijnlijk de beste is. “Maar ja, je kunt literatuur natuurlijk niet objectief zien. Mijn werk is kaler, geworden, maar tegelijk is het minder somber en klankrijker. Je ziet nu ook duidelijker dat het is gecomponeerd.”

Eijkelboom heeft het gevoel dat het dichten hem nu beter lukt dan vroeger. Hij denkt dat hij dit komt door de ervaring die hij opdeed bij het vertalen van Engelse poëzie. Hij durft nu bijvoorbeeld vaker woorden te laten terugkomen in een gedicht. In "Eerst was' komt nu drie keer het woord "zwart' voor. “Dat zou ik vroeger niet gedaan hebben.” Dat hij zorgelozer is geworden, zoals zijn critici zeggen, schrijft hij toe aan de poëzie. “Door het schrijven van gedichten heb ik bepaalde dieptepunten overwonnen, depressies. Wat daarbij natuurlijk meespeelde was, dat ze goed werden ontvangen. Het is veel erger als je gedichten schrijft waar niemand iets in ziet.”

Ter illustratie van wat hij onder klankrijkdom verstaat, leest hij het begin voor van het gedicht "Op de dag van je dood.' Op de dag van je dood / doet de komiek niet minder zijn best / de zaal te vermaken. Eijkelboom: “Inhoudelijk is dit gedicht een gemeenplaats: als je dood gaat verandert er niets. Maar het krijgt zijn kracht door de twee ie's die in de tweede regel voorkomen.” Hij vertelt dat dit gedicht, anders dan veel lezers denken, geen duidelijke aanleiding heeft. Hij las het voor tijdens een herdenking van Bob den Uyl zodat iedereen nu denkt dat het over de befaamde Rotterdamse humorist gaat. In Vrij Nederland werd het zelfs afgedrukt als in memoriam voor Bob den Uyl. “Het idee heeft post gevat dat ik het meteen na zijn dood geschreven heb.”

Neologismen

Achteraf vraag ik me af of de gewaagde suggestie van Kees Fens, dat het noodseizoen een noodrantsoen moest zijn, niet is ingegeven door zijn kennis van Eijkelbooms werk. De dichter die in 1980 debuteerde met het inmiddels klassieke Wat blijft komt nooit terug staat er om bekend in zijn werk zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid te willen blijven. Hij is daar ook verschillende keren op aangevallen. Van nieuwe, vreemde beelden, nieuwe begrippen en neologismen moet hij weinig hebben. "Ik heb het allemaal gezien, gehoord' schrijft hij in een van zijn gedichten, en: "gelukkig maakt wie niets verzinnen kan veel mee.'

“Ja, ik heb dat op het idiote af,” zegt hij, als ik hem er naar vraag. “Dat is waarschijnlijk het oude journalistieke bloed, alles moet echt zijn.” Eijkelboom was onder meer redacteur van Propria Cures, kunstredacteur en adjunct-hoofdredacteur van Vrij Nederland, buitenlandredacteur bij Het Vrije Volk en voorlichter van de gemeente Dordrecht. Hij leest het gedicht "Pieter de Roovere' uit zijn bundel Kippevleugels voor. Het beschrijft het gelijknamige schilderij van Aelbert Cuijp. Toen Eijkelboom dat werk later nog eens in het Mauritshuis zag, viel hem op dat het geel dat er op voorkomt anders van kleur was geworden. Het was net schoongemaakt. Het was voor hem voldoende om het gedicht te herschrijven. Waar eerst sprake was van "vuilgeel licht' kwam nu "karig licht' te staan. Alles moet kloppen bij Eijkelboom.

Ook in de cyclus "Tegen de tijd' uit Hora Incerta gaat zijn nauwgezetheid weer erg ver. Zo merk je in het gedicht dat de maand juni beschrijft plotseling dat je in Frankrijk bent. Een boerin op een boerderij roept tegen haar hond, in het Frans, "tais-toi'. Eijkelboom: “Ik ben in dat gedicht op weg naar Remco Campert, die heeft een huisje in Noord Frankrijk. Ik vond dat er een aanwijzing in moest dat het gedicht zich daar afspeelde. Het licht is daar altijd veel uitbundiger.”

Suikerstraat

Een paar jaar geleden is de dichter met zijn huidige vrouw naar een huisje in de Suikerstraat verhuisd dat voor wie beter is gewend behoorlijk krap moet zijn. De zitkamer en de keuken lopen direct in elkaar over en het achterraam biedt uitzicht op een miniem stadstuintje dat uitkomt op een hoge blinde muur. Tijdens mijn bezoek aan Eijkelboom zijn er, in wisselende samenstelling, steeds een paar kleine kinderen in de buurt. Hij heeft dochtertjes van twee en vier, en een zoontje dat nog aan de borst ligt.

Voor een op plaatsen gerichte dichter kan elke verhuizing echter aanleiding zijn voor nieuw werk. In zijn bundel Kippevleugels is hij zelfs behoorlijk lyrisch over zijn nieuwe achteruitzicht:

Van hieruit klein stuk lucht

en achtergevels, zo verscheiden

als water eigenlijk nooit was.

Hij beklaagt zich inderdaad niet. Eijkelboom vertelt dat de blinde muur hem meer goed doet dan de afwisseling van het water waar hij vroeger op uitkeek. “Uitzicht kan te mooi zijn, te levendig. Dit hier is beter, althans voor mijn stabiliteit.” Voor hij hier kwam woonde hij in een bovenhuis van de Havendienst vanwaar hij kilometers over de Merwede kon uitkijken, maar hij mist het niet. In het hiervoor genoemde gedicht schreef hij:

Maar dan dat overzicht,

hoe breed het water was,

hoe ruim de lucht,

hoe statig toch

de haastige konvooien.

En het eindigt met:

... Mis ik

het krijsen nu van meeuwen?

Kijk, in die hoge hoek nestelt

zich zonlicht, goud op steen

Het kind roept helder als voorheen.

Als we in de namiddag een wandeling maken door Dordrecht, wordt het automatisch een tocht vol verwijzingen en herinneringen. Eijkelboom weet zelf niet meer hoe vaak hij in zijn leven is verhuisd. Alleen al de laatste acht jaar in Dordrecht heeft hij vier verschillende adressen gehad. “Het verhuizen is voor mij een traumatische ervaring, maar mijn werk en mijn relaties hebben mij er steeds weer toe gedwongen.” We komen langs het verzekeringskantoor waar zijn vader werkte, de boekhandel waar Cees Buddingh' zijn boeken kocht, de drukkerij die nu zijn boeken drukt, het huisje van de Havendienst, met het mooie uitzicht, en het geboortehuis van K.L. Poll.

Aan de vroegere NRC Handelsblad-criticus Poll wijdde hij na een negatieve recensie het programmatische gedicht "De schrale man langs de kant'. Het begint met:

Soms baad ik in weelde van taal,

ook als het gaat om verdriet,

om verlies van verval.

De schrale man langs de kant

vindt dat niet goed,

spreekt van een vloek,

de vloek van het zelfbehagen.

Hij zet dat ferm in de krant.

Eijkelboom: “Eerst was het gedicht veel harder, maar toen Poll overleed heb ik het maar wat verzacht. Eerst had ik nog de regels: Ook jij doopt soms een dorre teen in het bad, eer je de klok weer prikt bij het Handelsblad. In plaats daarvan heb ik er nu een poëtica aan toegevoegd, die luidt:

Maar niemand schreef ooit snikkend

een gedicht. Deed hij het toch

dan kwam er snot op het papier.

Kijk, kunst: hier trekt een man

die aan het zinken was zingend

zich aan eigen haar

uit het moeras.''

Achterraam

Bij de oude haven wijst Eijkelboom op een paar gigantische huizen aan waar hij in zijn rijkere tijd vaak kwam. Zelf woonde hij toen in een huis dat 35 meter diep was. “Als je binnenkwam zag je heel klein in de verte het achterraam.” Eijkelbooms leven wordt gekenmerkt door pogingen om weg te komen uit zijn geboortestad Dordrecht en besluiten om er toch maar weer terug te keren. Hij vindt de stad provinciaal, iedereen kent elkaar. Maar hij kan de sfeer toch ook niet goed missen. “Het aardige van Dordrecht is dat het een oude stad is, het is museaal, maar het heeft, anders dan bijvoorbeeld Delft of Utrecht, ook druk bevaren rivieren. Dat houdt het leven erin. De meeste andere oude steden zijn voor mij dood water.”

In het begin van de jaren zestig dacht hij zijn bestemming gevonden te hebben in Amsterdam, toen hij hij adjunct-hoofdredacteur van Vrij Nederland was geworden. Maar ook daar begon zijn geboortestad aan hem te trekken. Hij kocht een groot oud pand in Dordrecht "om mijn kinderen een thuis te geven.' Aan zijn kinderen was het niet besteed. Zodra ze het gymnasium hadden afgemaakt vluchtten ze halsoverkop naar Amsterdam terug. “Het bewees nog eens dat de stad waar je de beste tijd van je jeugd hebt doorgemaakt, een onvergetelijke indruk maakt. Ik wilde met hen terug naar mijn geboorteplaats Dordrecht, maar zij kwamen uit Amsterdam.”

In de Voorstraat gaan we het eeuwenoude tekengenootschap Pictura binnen. Eijkelboom huurt hier op de bovenverdieping een werkruimte. Hij noemt het zijn monnikenverblijf, een cel zonder uitzicht die tot voor kort dienst deed als archief. Op drie meter hoogte is een raam, je kunt nog net een stuk muur en wat lucht zien.

Eijkelboom komt hier de laatste tijd elke dag om te werken. Het is zijn kantoor. Wat hij 's nachts met de hand op papier heeft gezet, typt hij hier op een oude Adler uit. De laatste maanden heeft hij in een hoog tempo aan de vertaling van Omeros gewerkt, het epos van de Carabische Nobelprijswinnaar Derek Walcott. “Ik heb inmiddels zesduizend van de achtduizend regels af. Het Rotterdamse RO-theater brengt nu elke maand een gedeelte van een uur eruit op de planken. Dat dwingt mij om door te werken, maar dat is mij welkom. Het herinnert me aan mijn tijd in de journalistiek, toen stukken ook op vaste tijden moesten worden ingeleverd.”

Doordat de toneeluitvoering elke maand plaatsvindt, is Eijkelboom gedwongen stukken van Omeros naar buiten te brengen op een moment dat het slot nog onvertaald is. Hij vindt dat wel spannend. “Ik weet nu zelf nog niet hoe het afloopt.” Ook bij andere dichters die hij vertaalde, zoals John Donne, Philip Larkin en Craig Raine, werkte hij van voren naar achteren. Voor hij bladzijde 1 begint te vertalen leest hij niet eerst de hele tekst.

Ik zeg hem dat deze methode onder vertalers omstreden is. Eijkelboom: “Vertalers willen tegenwoordig het liefst met zijn drieën tegelijk aan het werk. Ik heb daar geen tijd voor.” Hij verwijst naar de overleden Charles B. Timmer die net zo werkte als hij. “Het is belangrijk dat je je tijdens het werken niet verveelt. Als ik op een gegeven moment ontdek dat de betekenis van een woord anders is dan ik eerst dacht, dan ga ik gewoon weer terug. Ik doe zo precies wat Walcott van zijn lezers wil. Zijn tekst gaat ook steeds heen en weer, hij springt van Amerika naar St Lucia, en van St Lucia naar Europa.”

Eijkelboom streeft er bij zijn vertalingen vooral naar de klankwaarde van het origineel te behouden. Soms rijmt hij in Omeros, soms niet, net als Walcott, maar hij rijmt niet altijd op dezelfde plaats als hij. “Ik probeer het overall-beeld te behouden. Walcott schrijft metrische poëzie, met veel binnenrijm, en dat probeer ik in mijn vertaling over te brengen.”

Eijkelboom ontmoette Walcott in 1989, tijdens Poetry International. Beiden waren zeer druk. “Het eerste wat hij me vroeg was: are you a poet yourself? Toen ik dat bevestigde, was het goed.”

Als we de werkcel uitgaan, geeft Eijkelboom me zijn laatste gedicht mee, over de achtertuin van zijn ouderlijk huis. Hij schreef het deze keer niet op kantoor, maar in Zeeland, tijdens een vakantie met zijn gezin. Ik vraag hem hoe hij zich met zoveel afleiding om zich heen kan concentreren. Hij verwijst weer naar zijn krantenverleden: “Vroeger, als journalist, heb ik geleerd om te werken met mensen om me heen.”