Ik wil een viool als een viool laten klinken; Gesprek met componist Andries van Rossem

Andries van Rossem, begonnen als organist, zou het liefst tonale muziek schrijven, maar hij kan met tonale middelen geen hedendaagse vorm bedenken. Daarom is hij aangewezen op de chromatiek en laat hij zich inspireren door John Cage, Piet Mondriaan en Alice in Wonderland. “Met beperkte middelen een wereld opbouwen, dat spreekt me aan.”

Van Rossem bij Het Gelders Orkest, 27 april (20.15u) in De Vereniging in Nijmegen en 28 april (20u.) in Musis Sacrum in Arnhem. Pier & Ocean van 9 t/m 30 mei in het Arnhemse Gemeentemuseum. Wonderland van Van Rossem e.a., 11 mei (20.30u.) in De IJsbreker.

Het schrijven van "mooie' muziek was voor naoorlogse componisten lange tijd een van de grootste taboes. Muziek bestond vooral uit dissonanten die hoognodig moesten worden geëmancipeerd, uit strenge mathematische reeksen en uit berekenbare ritmische verhoudingen. Klank werd langzamerhand een bijna toevallig resultaat van al dat wiskundige gepuzzel. De minimal music van Amerikaanse componisten als Steve Reich en Philip Glass, leek daarop een reactie. Hierin werd op een ongecompliceerde manier van klank genoten.

Ongedwongen plezier beleven aan de aard van het geluid, dat was wat de Nederlandse componist Andries van Rossem (35) aansprak in het werk van Steve Reich, toen hij in het begin van de jaren tachtig zijn eerste composities schreef. Van Rossem studeerde orgel aan het conservatorium in Arnhem, maar merkte na een aantal jaren dat uitvoeren van wat anderen gemaakt hadden hem onvoldoende bevredigde. Hij improviseerde, begon zijn improvisaties uit te schrijven en maakte uiteindelijk de stap naar het componeren.

Van Rossem: “Ik kende al wel veel moderne muziek maar vond die, puur fysisch gezien, vaak niet aantrekkelijk. Schönberg beschouw ik als een groot componist, hij heeft fantastische muziek geschreven. Maar zijn werk is met het gehoor niet gemakkelijk doordringbaar. Er zit weerstand in Schönbergs klank en die moet je eerst overwinnen, voordat je tot de kern van zijn muziek komt. Via de omweg van de minimal music was ik in staat om in de klankwereld van de hedendaagse muziek door te dringen.”

Van Rossem studeerde tussen 1981 en 1986 compositie aan het Rotterdams Conservatorium, bij Klaas de Vries en Peter-Jan Wagemans. Daarna keerde hij terug naar Arnhem: “Ik hoop niet dat ik een provinciaal componist ben. Nederland is klein, ik woon maar een uur van de Randstad. Ik vind het wel prettig om niet steeds rond te lopen in het Amsterdamse componistenwereldje, maar in mijn ideeën sta ik niet ver van die wereld af.”

In een van de oudere werken van Van Rossem, Brisk uit 1984, voor blaasorkest en piano, is nog de organist hoorbaar, bijvoorbeeld in de snelle melodische loopjes die worden ondersteund door lang aangehouden muzikale lijnen. De kleur van het geluid wisselt vaak van het ene op het andere moment, zoals een organist in staat is om met één beweging een nieuw register open te trekken. Hoewel Van Rossem in het begin door minimal music werd benvloed, is dat in Brisk nauwelijks hoorbaar. Van Rossem: “Alleen hun gevoel voor prettige klanken interesseerde me. Ik heb nooit belangstelling gehad voor de manier waarop Reich in zijn muziek werkt met kleine motiefjes die hij omdraait, verschuift en geleidelijk verandert. Zijn Music for Pieces of Wood vind ik een mooi werk, niet wegens het minimal-achtige, maar omdat de structuur, de vorm en de instrumenten zo in elkaar grijpen dat het stuk een object wordt dat zichzelf verklaart, zonder buiten-muzikale elementen of literaire verwijzingen. Muziek hoort voor zichzelf te spreken.

Gekke dingen

“Toen ik besloot om samen met Armeno Alberts en Hans van Zijp een compositie te maken met als thema Alice in Wonderland, dat in mei in de IJsbreker wordt uitgevoerd, heb ik het verhaal zelf buiten beschouwing gelaten. Ik heb me uitsluitend verdiept in de vorm, in de manier waarop in het verhaal telkens gekke, totaal onverwachte dingen gebeuren. Dat was een bruikbaar muzikaal gegeven.”

Na Steve Reich volgden andere componisten die een belangrijke rol speelden in Van Rossems muzikale ontwikkeling: Morton Feldman, Franco Donatoni en John Cage. Grotere contrasten dan tussen deze drie zijn nauwelijks denkbaar. Feldman componeerde tot op het bot uitgeklede muziek, werken met een onafzienbare lengte waarin op het eerste gehoor niets spectaculairs gebeurt. Donatoni houdt juist van weelderige klanken die hij met groot technisch vernuft in elkaar zet. Voor John Cage is ieder geluid muziek op het moment dat de componist dat besluit.

Dat Andries van Rossem die tegenstellingen in zijn werk verenigt, vindt hij niet merkwaardig. Hij heeft altijd sterk gereageerd op muziek die op zijn weg kwam, maar de invloed blijft beperkt en hij neemt alleen die elementen over, die hij kan integreren in zijn persoonlijke stijl.

Van Rossem: “Ik vind het fascinerend om te zien hoe Donatoni knipt en plakt met intervallen, maar zijn esthetiek en zijn verlangen naar stilistische eenheid interesseren me niet. Feldman werkt vanuit een grote gevoeligheid voor klank, waarop hij zijn composities bouwt. Maar zijn stukken duren me veel te lang. Na een minuut of tien is de capaciteit van een luisteraar uitgeput, in de meeste muziek begint er dan ook een nieuw deel. Als je zoals Feldman dan gewoon doorgaat, wordt de aandacht geheel geconcentreerd op de lengte.

“Cage vind ik van belang omdat hij opnieuw aandacht heeft gevraagd voor het geluid, de relatie tussen de tonen neemt in zijn werk een ondergeschikte plaats in. Daarmee heeft hij de geesten geopend voor een andere benadering van het componeren. De muziekgeschiedenis heeft de neiging steeds weer vast te lopen.

“Ook nu zie je weer een aantal moderne stromingen die worstelen met het gevaar van verstarring, zoals het neo-expressionisme van Wolfgang Rihm en de zijnen. Toevallig is Rihm een voortreffelijk componist, dat maakt wel iets goed. Maar zijn muziek grijpt terug op vooroorlogse vormen en expressie, en dat is een doodlopende weg. Het is zinloos om hetzelfde te doen als Bruckner, maar dan met andere noten. En waarom zou je muziek schrijven met de gestiek van Chopin, met zijn timing, opbouw en gebruik van de piano? Daarmee doe je Chopin onrecht.

“Ik zou eigenlijk ook het liefst tonale muziek schrijven, maar ik ben niet in staat om met tonale middelen een hedendaagse, niet-klassieke vorm te bedenken. Daarom ben ik aangewezen op de chromatiek en probeer daarmee dezelfde helderheid te bereiken als in de tonaliteit.”

Interesse

Van Rossem is een jaar lang gastdocent ("composer in residence') aan het conservatorium in Arnhem, tegenwoordig de Faculteit Muziek van de Hogeschool voor de kunsten. In een serie concerten, films en colleges probeert hij bij de studenten interesse te wekken voor hedendaagse muziek. Zelfs op conservatoria is die belangstelling niet vanzelfsprekend: slechts zes mensen schreven zich in voor Van Rossems werkgroep.

Volgende week geeft Het Gelders Orkest twee concerten waarin werken van Van Rossem worden gecombineerd met muziek van Strawinsky, Mozart en Webern (Van Rossem: “Ik hoop dat ze Webern spelen zoals Mozart en omgekeerd.”). Behalve Brisk wordt het derde deel van het vierluik Pier & Ocean uitgevoerd.

Van Rossem: “Pier & Ocean III is geschreven voor een klassiek orkest, maar mist de retorische opbouw van de klassieke muziek. Er is geen duidelijk begin, midden en einde. Ineens is er klank, vanuit het niets. Daarbinnen treden in het verloop van het stuk allerlei fluctuaties op. Maar het monomane gevoel van één constante klankmassa blijft. In mei wordt Pier & Ocean ook zo gepresenteerd in het Arnhemse Gemeentemuseum. Het werk klinkt uit luidsprekers in verschillende zalen en de luisteraar legt al lopend een muzikaal traject af. Ook is er één ruimte waar de vier composities gelijktijdig te horen zijn.

“Ondanks deze moderne vormgeving wordt de klassieke orkestbezetting op een min of meer traditionele manier gebruikt. In veel moderne muziek gebeurt het omgekeerde, met het oude instrumentarium zoekt de componist naar een nieuwe klank. Dat heeft te maken met de elektronische muziek, die na de oorlog een grote invloed heeft gehad op de klankvoorstelling van componisten. Elektronica biedt de mogelijkheid om een bestaande klankbron te vervormen. Ik heb echter een voorkeur voor akoestische instrumenten en wil een viool als een viool laten klinken.

Reductionisme

“De titel Pier & Ocean verwijst naar het gelijknamige schilderij van Piet Mondriaan, maar ik heb niet geprobeerd om de stemming van Mondriaans werk weer te geven. Het ging mij niet om buitenmuzikale associaties, maar om de werkwijze en de mentaliteit van de schilder. Zijn uitgangspunt, met beperkte middelen een wereld op te bouwen, spreekt me aan. In mijn eigen werk ben ik steeds weer aan het reduceren. Ik probeer zo veel mogelijk te schrappen tot ik bij de kern kom.

“Of het publiek dat hoort, weet ik niet. Ik wil niet al te nadrukkelijk mijn persoonlijke muzikale denkbeelden verkondigen. Ik houd er niet van om het publiek met een zweep om de oren te slaan en als het ware in de compositie te zeggen: dit is belangrijk, hier moet je naar luisteren. Beethovens muziek heeft bijvoorbeeld zo'n dwingende mentaliteit. Ik word er door overdonderd, platgeslagen. Mijn voorkeur gaat uit naar de losheid van Mozart. Dat wil overigens niet zeggen dat ik het de luisteraar bewust gemakkelijk maak en hem een gespreid bedje aanbied.

“Een componist wordt gedreven door voorstellingen en fantasieën. Hij verleent een bepaalde identiteit aan het muzikale materiaal. De vorm die daardoor ontstaat verwijst niet, zoals bijvoorbeeld de literatuur, naar een concrete werkelijkheid. Waar muziek over gaat? Ik weet het niet. Iemand hakt met een bijl in een stuk hout, dat maakt geluid. Op een bepaald moment gaan mensen luisteren naar dat geluid en blijkt het iets op te roepen. Ze gaan weer hakken, maar nu alleen nog maar omdat ze die klank willen horen, het functionele van het gebaar verdwijnt. Dan is het muziek geworden. Kennelijk kunnen mensen opgewonden raken van trillende luchtdeeltjes.”