Het verdwijnen van het befaamde stadsleverworstje; De bloezende, sproeiende stijl van Bohumil Hrabal

“Ik heb alleen de sleutel tot de oude tijden en tot de nieuwe wordt me die ontzegd” zegt de hoofdpersoon van "Het stadje waar de tijd stil is blijven staan'. In deze autobiografische roman toont de Tsjechische schrijver Bohumil Hrabal hoe willekeurig en dom het toegaat als er zo maar een nieuwe ideologie wordt uitgedeeld onder de mensen.

Bohumil Hrabal: Het stadje waar de tijd stil is blijven staan. Vert. Kees Mercks. Uitg. Bert Bakker, 136 blz. Prijs ƒ29,90.

Als kind al dronk Bohumil Hrabal veel bier, want hij woonde op een bierbrouwerij, en zijn hele leven is hij doorgegaan met bierdrinken. Ook nu, nu hij al bijna tachtig is, is hij nog bijna elke dag in het café te vinden met een grote pot bier voor zich en zijn oren wijd open om te horen wat de mensen zeggen en hoe zij hun taal gebruiken want dat intereseert hem. Als hij goede zin heeft kan hij ook zelf enorm praten, zei hij tegen televisieverslaggevers die hem op kwamen zoeken om een portret van hem te maken voor de BBC: “U had vorige maand moeten komen toen ik in het ziekenhuis lag en in het bed naast mij moeten gaan liggen - uren en uren heb ik daar gepraat en alles verteld wat ik weet”.

Hij bleek in dat BBC-portret een vitale oude man, die het stuur van zijn fiets stevig vasthield om niet te erg te slingeren, en die met waterige maar vrolijke oogjes de camera in keek. Hij kon ook eigenlijk, gezien zijn boeken, niet anders dan vitaal zijn, maar je weet het maar nooit met schrijvers en zeker niet als ze zo oud zijn geworden. Dan kan de lust tot bierdrinken ze wel zijn vergaan. In ieder geval zou hij er dan toch onvergetelijk over geschreven hebben, over dat bier, over het verlangen ernaar als men zo'n dorst heeft dat het lijkt of er in plaats van speeksel sigarettevloeitjes in de mond zitten en je driedubbele pul is leeg, maar iemand pakt hem op en: "ik wist dat hij in één ruk een bier voor me zou tappen, één met een kop erop, misschien ook zou hij de bierkroes half met lager vullen en daarna afschenken met zwarte granaat, een zo versneden bier is iets wat lovend gebrom van het hele lijf oplevert' en je drinkt de pul "oranjekleurig bier, een pul bezet met allemaal druppels neergeslagen damp' met zo een "prachtige dorst' dat de arbeiders hun werk staken om naar je te kijken - zou alleen de zoon van een bierbrouwer zo heerlijk over bier kunnen schrijven?

Hrabal kan het niet alleen met bier, dat overbloezende, volle, weelderige, ronde, fantastische, parelende, sproeiende schrijven - je zou een gevulde koek van bijvoeglijke naamwoorden willen maken om zijn heerlijke bloezende etc. stijl te karakteriseren. Hij is de meester van de uitvergroting en de opeenstapeling, in zijn beschrijvingen volgt detail op detail, steeds absurder wordt het, steeds grappiger en als hij werkelijk niet langer door lijkt te kunnen gaan boort Hrabal een nieuwe bron aan en komt met nog meer. Geen wonder dat hij een van Tsjechoslowakijes best verkopende schrijvers is, "een moderne klassiek' zei een boekhandelaar op de televisie. Woordenschat

Uitgeverij Bert Bakker heeft een paar jaar geleden het prijzenswaardige plan opgevat om Hrabal te gaan vertalen. Sinds 1988 zijn er nu al vier boeken van hem in het Nederlands verschenen, allemaal vertaald door Kees Mercks die zelf ook over een royale woordenschat moet beschikken. Na de melancholieke novelle Al te luide eenzaamheid volgde de uitbundige roman Ik heb de koning van Engeland bediend, waarin een klein uitgevallen ober het vooroorlogse Tsjechoslowakije, de Duitse bezetting en de veranderingen daarna meemaakt, als in een humoristische, Tsjechische versie van Die Blechtrommel. De afgelopen twee jaar verschenen Gekortwiekt en Het stadje waar de tijd stil is blijven staan, twee kleine romans die mooi op elkaar aansluiten en die beide een duidelijke autobiografische achtergrond hebben.

In Gekortwiekt is de vrouw van een brouwerijdirecteur aan het woord die haar dolle streken, haar enorme levenslust en haar prachtige, lange, knisperende haar beschrijft, in een tijd dat de wereld snel veranderde, de jaren na de eerste wereldoorlog. De radio kwam en de moderne dansen en Josephine Baker met haar heel korte haar - daar gaat het vonkende, knisperende kapsel. Haar man Francin geeft haar een enorm pak slaag met een fietspomp en een nieuw leven gaat beginnen.

In Het stadje waar de tijd stil is blijven staan wordt Francin, oftewel "papa' geportretteerd, in de jaren dertig, de oorlog en de eerste communistische tijd. Vanwege dat laatste kon het in 1973 geschreven boek tot voor kort alleen onder de toonbank verhandeld worden. Niet omdat Hrabal zo'n felle protesteerder is, maar waarschijnlijk omdat hij zo eenvoudig toont hoe willekeurig en dom het toegaat als er zo maar een nieuwe ideologie wordt uitgedeeld onder de mensen.

Papa is directeur van de brouwerij, een allerliefste directeur, maar nadat het bedrijf genationaliseerd is en aan de arbeiders overgedragen moet hij natuurlijk toch weg, er moet een "arbeidersdirecteur' komen. “Maar ik heb nooit de baas over jullie gespeeld” zegt papa nog, maar de kuipersknecht die het nu voor het zeggen heeft legt hem uit dat dat tegenwoordig alleen maar in zijn nadeel spreekt. “U was te aardig voor ons en dat nemen we u kwalijk want daarmee hebt u de scherpe kantjes van de klassestrijd afgevijld, begrijpt u?” Papa begrijpt het niet maar hij snapt het wel en hij pakt zijn spullen en vertrekt. Veel kritischer dan dat wordt Hrabal niet, hij is eerder melancholiek en berustend, hij laat alleen maar zien hoe een tijdperk verdwijnt, met al die kleine dingen die erbij horen ("de befaamde stadsleverworstjes en de befaamde spekworstjes') en hoe er een nieuwe tijd komt, weliswaar vol elan, maar waaraan de oude mensen van de oude tijd niet meer mee kunnen doen: "de oude tijd was stil blijven staan zoals bij een Doornroosje die een vergiftigd appeltje had gegeten en voor wie de prins almaar niet kwam opdagen.' Dolzinnige broer

Waar een papa is, is ook een zoon. In het begin van de roman is hij als kleine en ernstig tekortschietende jongen aanwezig en vertelt hoe iedereen bij hem thuis - papa, mama en hijzelf - verschrikkelijk lijdt omdat ze allemaal van elkaar willen dat ze anders zijn dan ze nu eenmaal zijn en hoe ze dus elkaar pijnigen en teleurstellen en gek maken. In een meesterlijke zin die wel een bladzij lang doorgaat beschrijft Hrabal hoe de kleine jongen vreest dat zijn vader hem nu toch echt zal vermoorden en papa staat op en pakt het mes en slijpt het en de jongen schrijft zijn huiswerk, schrijft en schrijft alsof hij er zijn leven mee kan redden. Langzaamaan verdwijnt deze "ik' uit het verhaal om ruim plaats te maken voor papa en zijn dolzinnige broer oom Pepin, die we ook al kenden uit Gekortwiekt.

"Dit Stadje heb ik in het vroege voorjaar van 1973 geschreven toen zich een ziekte bij me aangemeld had en ik dwaas genoeg veronderstelde dat enkel en alleen ik de sleutel tot de verhalen van de twee broers bezat', schrijft Hrabal in een nawoord. Zo dwaas lijkt dat helemaal niet, het is niet voorstelbaar dat iemand anders het zachte schreeuwen van de tot stikkens toe gefrustreerde vader of de fenomenale danskunst van de uitbundige oom Pepin had kunnen beschrijven. En al helemaal niet dat iemand anders zo overtuigend zou kunnen laten zien hoe ze later helemaal van rol wisselen, hoe papa vlees gaat eten en gaat schreeuwen en oom Pepin verstilt bij droge boterhammen en koffie tot hij een zwijgend en ver weg oud mannetje is dat sterft in een ziekenhuisbed. Dan ziet ook papa dat zijn tijd voorbij is, in een treurig maar sterk slot: "Goed dan, zei papa, bij zichzelf, alles komt weer bij zijn beginpunt terug, nu zie ik dat de tijd echt stil is blijven staan en er echt een nieuwe tijd is begonnen, maar ik heb alleen de sleutel tot de oude tijden en tot de nieuwe wordt me die ontzegd, en in een nieuwe tijd leven gaat niet meer, want ik behoor tot de oude, die dood is.' Zo een boek is iets dat lovend gebrom van het hele lijf oplevert.