Het hart is enggeestig; Breyten Breytenbach over zijn reis door Zuid-Afrika

Breyten Breytenbach: Terugkeer naar het paradijs, Een Afrikaans journaal. Vertaling Mea Flothuis. Uitg. Van Gennep/Meulenhof, 272 blz. Prijs ƒ 44,50

"Wanneer ik indommel droom ik dat ik weer in het land ben, in mijn woonplaats, in het huis waar ik zo lang geleden heb gewoond. Ik sluit mezelf op in een witte kamer, ik heb geen vertrouwen in de vrede. Ik maak een opening in de deur met een luik dat ik van binnenuit kan sluiten. Hierdoorheen kunnen ze me van buitenaf mijn voedsel aanreiken'.

Als er één ding duidelijk wordt in deze schrijnende passage uit Terugkeer naar het paradijs, het fascinerende verslag dat Breyten Breytenbach schreef van de reis die hij in de eerste maanden van 1991 door Zuid-Afrika maakte, dan is het wel dat bepaalde gebeurtenissen in zijn leven blijvende littekens hebben nagelaten. Objectief gezien was er voor de politiek geëngageerde Breytenbach in 1991 voor het eerst sinds lange tijd reden tot enig voorzichtig optimisme over de toekomst van zijn geboorteland. De vrijlating van Nelson Mandela had de hoop op democratische ontwikkelingen doen opleven en de ban op het Afrikaans Nationaal Congres was opgeheven. Breytenbach die in 1989 nog hemel en aarde had moeten bewegen om toestemming te krijgen voor een bezoek aan zijn zieke vader, kon voor de eerste keer sinds zijn ontslag uit de Pollsmoor-gevangenis in Kaapstad in 1982 en zijn daaropvolgende vertrek naar Parijs, vrij in Zuid-Afrika rondreizen. Maar sommige beelden en herinneringen laten zich niet uitwissen en waar de rede bereid is te aanvaarden en te vergeten, toont het hart zich, zoals Breytenbach het zo mooi uitdrukt, veel "enggeestiger'.

In de indrukken die Breytenbach van zijn reis in 1991 heeft opgetekend, klinkt dan ook een diep pessimisme door dat gevoed wordt door de associaties met in het verleden meegemaakte verschrikkingen en door de gewelddadige actualiteit. Zo kan het gebeuren dat in Breytenbachs dromen zijn geboortehuis in Bonnievale, dat hij eerder beschreef als een symbool van veilige geborgenheid, verandert in een benauwende zelfgekozen gevangenis: de schrijver ziet er zichzelf op de knieën liggen, "laag zwaaiend als een kameleon, met zijn oor tegen een gaatje in de deur vlak bij de grond zo nauw dat geen kat of kreeft zich erdoorheen kan wurmen, luisterend of er nog leven is buiten'.

Bij het lezen van Terugkeer naar het paradijs dringt zich natuurlijk onvermijdelijk de vergelijking op met dat andere verslag van een reis, die Breytenbach bijna twintig jaar geleden maakte, begin 1973, toen hij na dertien jaar afwezigheid naar Zuid-Afrika terugkeerde, en waaraan hij met een variatie op Rimbauds Saison en enfer de titel Een seizoen in het paradijs gaf. In dat reisverslag beschrijft de auteur een emotioneel weerzien met zijn familie en zijn geboorteplaats, een hartstochtelijk zintuigelijk treffen met de grootse Afrikaanse natuur. Ook toen kende Breytenbach de verscheurdheid van Zuid-Afrika die tot binnen zijn eigen familie verdeeldheid zaaide, ook toen was hij zich bewust van de willekeur van de macht en van de kettingreactie die het gebruik van geweld ontketent.

Hij had het echter nog niet allemaal aan den lijve ondervonden en toonde in zijn rebellie tegen het apartheidssysteem een aanstekelijke overmoed en spotlust, een grote onbevangenheid ook ten aanzien van zijn eigen rol als geëngageerd intellectueel. Hoe ingrijpend in dat opzicht de zeven jaar zijn geweest die hij daarna, beschuldigd van terrorisme, in de gevangenissen van het apartheidsregime doorbracht, blijkt uit al het werk dat hij sindsdien heeft gepubliceerd. Dat geldt voor het verslag van zijn gevangeniservaringen, De ware bekentenissen van een witte terrorist (1983) en ook voor de roman Sporen van de kameleon (1988) en springt in zijn nieuwe boek juist door de parallellen met Seizoen in het paradijs bijzonder in het oog.

In Terugkeer naar het paradijs vertelt Breytenbach over zijn ontmoetingen met familieleden, vrienden en vijanden, en over de lange tochten die hij samen met zijn vrouw Yolande door het land maakt, met in de achterbak van zijn auto een in een onbewaakt ogenblik gekochte, vals grijnzende buste van houtsnijwerk die hij met een doorzichtig anagram Mr. Ixele heeft gedoopt. Mr. Ixele of Elixe of Exile, is net zoals het personage Walker, een incarnatie van het spookbeeld van de cynische en ontwortelde balling waardoor Breytenbach gedurende zijn hele reis achtervolgd wordt en waarmee hij steeds opnieuw probeert af te rekenen.

Lyrisch

Ook in dit boek bezingt Breytenbach weer in onveranderlijk prachtig lyrische beelden de schoonheid van de Afrikaanse natuur, maar hij kan zijn ogen niet sluiten voor de overal woekerende corruptie, het geweld en de armoede. In de bergen tussen Zuid-Afrika en Mozambique loopt als een litteken de elektrische grensafrastering waar talloze vluchtelingen uit het door het Renamo verwoeste Mozambique het leven hebben gelaten. In de schaduw van de Tafelberg, "hoger reikend dan de hemel, geplooid in ravijnen en bloedend uit witte watervallen', strekken zich de eindeloze krottenwijken van Kaapstad uit, de golfplaten daken overdag blikkerend in de zon, 's nachts in het spookachtige licht van enorme schijnwerpers. De groenglooiende heuvels van Natal zijn bezaaid met uitgebrande dorpen die ten prooi zijn gevallen aan het geweld van de Inkathabeweging: "Het land staat blank van het bloed'. Het is geen wonder dat Breytenbach droomt van een Afrika waarvan "het wezen ligt in helderheid, in kaalte, in van geschiedenis en tijd schoongebrande horizons', een continent waar de natuur verschoond zou zijn gebleven van de menselijke aanwezigheid.

Deze beschrijvingen zijn nauw verweven met herinneringen aan de reizen die Breytenbach in het recente verleden naar verschillende andere Afrikaanse landen maakte als bemiddelaar tussen de progressieve Zuid-Afrikaners en het toen nog verboden Afrikaanse Nationaal Congres. Onder zijn pen verandert het hele Afrikaanse continent in een enorme schouwburg waar het toneelstuk van de macht in de meest groteske versies tegen een achtergrond van steeds nijpender armoede wordt opgevoerd. Natuurlijk is niet iedereen aangetast door corruptie en Breytenbach portretteert met respect enkele uitzonderingen op de regel zoals Sankara, de inmiddels vermoorde president van Burkina Faso, Nelson Mandela natuurlijk en al die andere anti-apartheidsstrijders die lange jaren in de gevangenis hun morele integriteit hebben weten te bewaren. Talrijker zijn echter helaas de presidenten, generaals en partijleiders die elkaar het liefst de van macht opgezwollen keel zouden willen afsnijden, operettepotentaten die voor een uitgehongerd publiek hun bloederige spektakel opvoeren. Breytenbach drijft met dit alles genadeloos de spot zonder het de rug toe te keren en zonder zijn serieuze strijd voor een democratisch Zuid-Afrika te laten varen, want, zo schrijft hij, "de wereld waarin ik thuis hoor, is uiteindelijk toch Afrika . . . De huid onthoudt, pijn trekt voren en holten en gleuven in het veld der herinnering, de aarde liegt niet'.

In Terugkeer naar het paradijs lijkt het voor Breytenbach moeilijker dan ooit om een evenwicht tussen afstandelijkheid en betrokkenheid te vinden. Afstand nemen komt neer op een amputatie met dodelijke afloop, want als Breytenbach definitief een streep zou zetten onder zijn bemoeienissen met zijn geboorteland, zou hij zich ontdoen van wat hem gemaakt heeft tot wat hij is. Een blijvende betrokkenheid daarentegen lijkt op het met alle geweld willen behouden van een door gangreen aangetast lichaamsdeel, want bijna alles in Zuid-Afrika roept onverdraaglijke herinneringen en associaties op: "Voor mij is het te laat,' luidt Breytenbachs zwaarmoedige conclusie "mijn tochten zijn pijnlijke bekentenissen geworden. Ik heb een leven opgekweekt en dat leven bedreigt me nu met de dood, als een door koudvuur aangetaste Siamese tweelingbroer'.