Het driftleven in Ruistrecht; Sympathiek debuut van Corine Kisling

Corine Kisling: Tangen. Uitg. De Arbeiderspers. 235 blz. Prijs ƒ 34,90.

De kwade genius in het romandebuut Tangen van Corine Kisling is een kunstcriticus. Hij is het prototype van de gemankeerde kunstenaar die in arren moede bespreker is geworden en daarmee van lieverlee ”gezaghebbend' is geworden. Bijzonder integer is deze criticus uiteraard niet. Hij is een man van de wereld en in die wereld draait alles om relaties, die hij er zelf ook graag op nahoudt naast zijn huwelijk. Een moord heeft hij net niet op zijn geweten, maar wel een zelfmoord, die gepleegd wordt door een jonge beeldhouwer nadat hij hem ”de grond in' heeft geschreven. En waarom? Omdat de vrouw van de beeldhouwer niet op zijn avances inging.

Wil Corine Kisling de kunstkritiek een toontje lager laten zingen? Dat geloof ik niet. Weliswaar eindigt deze criticus met een geknakte reputatie, maar dat is toch meer een individueel geval van hoogmoed die voor de val komt dan een aanval op zoiets als ”de kunstmafia'.

Tangen is geen groots, maar wel een breed opgezette roman, waaraan een halve eeuw van vernieuwing, experiment en postmodernisme spoorloos voorbij lijkt te zijn gegaan. Kisling vertelt op de aloude manier zonder te woekeren met perspectief, ruimte of tijd. De atmosfeer is dorps, of kleinsteeds en het geheel heeft wel iets weg van een televisieserie. In een flink aantal losse episodes kunnen we een flink aantal figuren een tijdlang volgen. Wie houdt van een ruim opgezet, ongecompliceerd verhaal, veel verwikkelingen en een detective-achtige ontknoping, kan hier zijn hart ophalen.

De gebeurtenissen spelen zich in en rond de Van Zittenstraat af, in wijk 7 van de stad Ruistrecht, een buurt waarin, volgens een van de bewoners, altijd ”vage en geheimzinnige verhalen (-) rondgingen over iedereen en niemand'. Om de spanning erin te houden laat Kisling in een paar maanden heel wat voorvallen. Lustmoord, incest, overspel, verkrachting, exhibitionisme, een ongewenste zwangerschap - dit zijn zo wat feiten die alle terug te voeren zijn op een ongecontroleerd driftleven. De normale gang van zaken in wijk 7 is ook al verre van zorgeloos. De vrouwen lijden onder hun huishuidelijke bezigheden of juist onder het nietsdoen. Aambeien, straatvrees, migraine, slaapwandelen en eczeem behoren tot de kwaaltjes en neurosen van alledag.

Het lijkt één doffe ellende die ons wordt voorgeschoteld, een indruk die nog wordt versterkt door typisch Hollandse hoofdstuktitels als ”Aanhoudend koel voor de tijd van het jaar' en ”Wisselend bewolkt'. Maar een al te miezerig realisme bedrijft zij toch ook weer niet.

Zij heeft een zekere afstand tot haar romanfiguren weten te bewaren die het verhaal ten goede komt, onder meer door geen van allen een hoofdrol te gunnen. Daardoor is het onmogelijk zich hun lotgevallen al te zeer aan te trekken. Ook de tijd waarin het verhaal gesitueerd is, de jaren vijftig vermoed ik, toen wasmachine, televisie en telefoon nog tot de luxe attributen behoorden, onderwijzers in spe naar de Kweekschool gingen en de kolenkachel brandde, brengen een vervreemdend effect met zich mee.

Dat Tangen een onderhoudende en soms zelfs vermakelijke roman is, moet wel te maken hebben met Kislings toon, die niet melodramatisch is, maar ook weer niet al te alledaags. Zij heeft een prettig midden weten te houden tussen hoogdravend en broodnuchter, en dat zorgt ervoor dat zij met milde spot over de besognes van de gemiddelde Ruistrechter kan schrijven. Over zijn kleinburgerlijke huiver voor onbesuisde schoolkinderen bij voorbeeld: “De school telde driehonderd leerlingen en dat betekende zeshonderd handjes die aan hekjes konden schudden, bloemen knakken, kabouters en reigers bezoedelen of grind tegen de ramen gooien aan het einde van de schooldag.”

Overigens ontkomt Kisling niet altijd aan de neiging om de dingen net iets te mooi te willen zeggen. Dat levert opgeblazen zinnen op als deze: ”De klap van een inslaande paniek blokkeerde haar adem'. Erg scheutig is ze met adjectieven, zodat een pijnscheut vanzelf ”priemend' wordt en iemand niet gewoon ”teemt', maar dat ook nog ”lijzig' doet. Ook op de bij alle verwikkelingen nogal doorzichtige compositie en op het wat zoetsappige slot van de roman valt wel het een en ander af te dingen.

Toch is Tangen een sympathiek boek, omdat het op onpretentieuze wijze meer aan de orde stelt dan alleen de narigheid in een willekeurige wijk van een willekeurige stad. Kisling weet de indruk te wekken dat dit soort narigheid overal valt aan te treffen en dat we dus met ”het leven' zelf te maken hebben. Het is een hard en harteloos leven dat Kisling oproept, waarin een huisvrouw ongemerkt een jaarlang angstig thuis kan zitten, een buurvrouw een paar weken ongemerkt dood op bed kan liggen en een invalide familielid ongemerkt in een tehuis wegkwijnt en eigenlijk iedereen die niet helemaal aan de burgerlijke normen voldoet liefst onopgemerkt blijft.

Alleen kinderen die de puberteit nog niet hebben bereikt, zo suggereert Kisling, onttrekken zich aan de algehele malaise, voor zolang het duurt. Zij handelen spontaan, zonder egostische bijbedoelingen. Zij zitten nog niet opgesloten in de tangen van een oncontroleerbaar driftleven en weten nog het verschil tussen goed en kwaad. Of jonge kinderen werkelijk een betere inborst hebben dan volwassenen, zou ik niet durven zeggen, maar het is een verleidelijke gedachte dat althans niet de hele mensheid verdorven is.