Het bewustzijn onder stroom; Dibboek, of de macht van het theater

Uit een bewustzijn verdwijnen levens lang zo gemakkelijk niet als uit de werkelijkheid. Neem Lea, de hoofdpersoon van het toneelstuk Dibboek: zij wordt zo volledig door haar dode geliefde in beslag genomen dat ze zichzelf niet meer is. Zo wekt ze een ziel uit het schimmenrijk tot leven. “Dibboek is voor mij een van de compleetste metaforen voor acteren en toneelmaken die er zijn.”

Volgens de Chassidische joden mocht je na een begrafenis wanneer je wegliep niet omkijken naar het graf. Dit doet Lea natuurlijk wel. Ze kan haar ogen niet afhouden van de plaats waar haar geliefde Chanan ter aarde is besteld. Volgens diezelfde Chassidische overlevering mocht je een vrouw die op het punt stond te trouwen niet alleen laten op een kerkhof. Lea wordt daar natuurlijk wel even alleen gelaten, net voor ze wordt uitgehuwelijkt. En dan gebeurt het: de ziel van Chanan neemt bezit van haar. Hij wordt een dibboek. De Hebreeuwse stam d-b-k, lees ik, betekent "kleven' of 'plakken'.

Over dit kleven of plakken van verdwenen mensen is het onvermijdelijk nogal eens gegaan in deze rubriek, want film, theater, ballet en muziek bestaan bij de gratie van kleven en plakken. Ze zijn dikwijls het werktuig van een verlangen om iets, of iemand, of een wereld die verdwenen is voor ogen te toveren of hoorbaar en gedenkbaar te maken. Het idee dat levens werkelijk van de aardbodem verdwijnen heeft het bewustzijn altijd, en van meet af aan, onder stroom gezet, want uit een bewustzijn verdwijnen levens lang zo gemakkelijk niet als uit de werkelijkheid. Door van een dode te beseffen dat hij nu en dan dus onherroepelijk weg is, wordt hij soms levender dan toen hij nog leefde.

Dit heet verdriet, of rouw. Lea, de hoofdpersoon van het toneelstuk Dibboek, komt uit een cultuur die, na eeuwen van pogroms, verdrijving en angst, doordrenkt was geraakt van de pogingen om rouw te ritualiseren. Wat vooral inhoudt: om aan het missen niet te bezwijken. Lea wordt zo volledig door haar dode geliefde in beslag genomen dat zij, zoals dat heet, "zich zelf' niet meer is. En de familie besluit haar naar een wonderrabbi te brengen, de enige die een dibboek uit kan drijven.

xp Het toneelstuk is van de etnoloog An-ski (S.S. Rappoport, 1863- 1920). Het verhaal is simpel, maar het gedachtengoed er achter niet; het is in een stukje als dit niet samen te vatten. Van de tekst, in de bewerking van Judith Herzberg en Myra Rafalowicz is negen jaar geleden een boekje uitgebracht door Toneelgroep Baal, met een onontbeerlijke inleiding van Rafalowicz. Het verhaal komt er op neer dat Chanan, de geliefde, eens aan Lea is beloofd als toekomstig echtgenoot, en Lea aan Chanan. Toen ze nog niet geboren waren. Met deze enthousiaste belofte overtraden de dik bevriende vaders een gebod: je zult niets beloven waar je nog niet over beschikt. En de vader van Lea breekt de belofte dan ook eenentwintig jaar later, uit bruidschattechnische overwegingen, door Lea uit te huwelijken aan een ander dan Chanan. Toevallig is Chanan, zonder dat men beseft wie hij is, een kostganger ten huize van Lea. En natuurlijk worden de twee verliefd, niet wetend dat eens hun levens al aan elkaar beloofd waren. Zij zijn het beloofde paar.

Reuzenkracht

Het idee van de belofte is de pendant van het besef dat we doden levend kunnen denken. Ik bedoel: een belofte is al evenzeer een act van verbeelding. Je besluit tot iets wat er nog niet is. Je laat het leven beheersen door iets wat alleen nog maar in gedachten bestaat. Daarom is het gebod "je zult niets beloven waar je nog niet over beschikt', zo voornaam, want het is een manier om de reuzenkracht van de verbeelding aan banden te leggen. Diezelfde reuzenkracht kan mensen die te zeer door een dode worden bezeten, kapot maken. En in Dibboek wordt de beloofde jongen dan ook de demon die Lea vernietigt. Het lukt de rabbi om hem uit te drijven. Dit is beslist een van de spannendste scènes van deze eeuw, ofschoon hij al in 1920 is geschreven. Lea spreekt met de stem van Chanan. Deze allereenvoudigste toneeltruc levert iets op dat kan wedijveren met de grote Griekse tragedie-scènes, of met de hoogtepunten uit Shakespeares toneelstukken: een soort aartsletterlijk beeld van een personage dat, alleen maar door te playbacken op een mannenstem, volmaakt een bezetene wordt, en dat, koste wat kost, van die vreselijke, stervende, zich aan haar vastklampende stem verlost moet worden. Deze verlossing bezegelt Lea's einde - zonder Chanan blijft alleen nog maar haar dode lichaam over.

xp Er zullen afgelopen zondagnacht niet veel mensen gekeken hebben naar de ZDF waar een Pools/Duitse filmversie uit 1937 van dit stuk werd uitgezonden. En ook de muziektheaterversie van Toneelgroep Baal, uit 1984, hebben veel te weinig mensen gezien, ofschoon die een groot succes was, en in mijn herinnering de aangrijpendste voorstelling van Baal. Er zijn altijd te weinig mensen die Dibboek kennen zo lang niet evenveel mensen Dibboek kennen als, zeg, De kleine blonde dood.

Dweepzucht

Dat ik in dit laatste stukje van deze reeks schrijf over iets dat u vooralsnog niet kunt zien, en dan ook nog op basis van een film die de scène waar het uiteindelijk om draait verknalde, door tijdens de uitdrijving Lea met haar eigen stem te laten spreken, doet me eens te meer beseffen wat het speciale onontbeerlijke van theater voor mij is, en dus ook wat de speciale uitdaging van schrijven over podiumkunsten is. Het zijn kunsten van de dibboek, van het tot leven wekken van onzichtbare levens. Je kunt de dibboek op vele manieren beschouwen, maar voor mij is het stuk Dibboek vooral een van de compleetste metaforen voor acteren en toneelmaken die ik mij kan voorstellen. Het gaat bij toneel immers om de meest tastbare wijze van inleving in iemand die men niet is die denkbaar is. Neem de actrice die Lea zal spelen. Zij speelt dat zij verliefd is op een jonge man. Om haar te kunnen spelen moet de actrice zich vullen met iemand die zij niet is - met een Lea, die vast wel iets met haar als actrice te maken heeft, maar die ook uit een verre, verdwenen wereld vol bijgeloof, dweepzucht en moeilijk te doorvorsen theologische finesses afkomstig is.

Dit alleen al is een soort Orpheus-act: er wordt een ziel uit een schimmenrijk naar boven geloodst en tot leven gewekt. De actrice wordt een ander dan die ze was, ze spreekt met een nieuwe tong, die van Lea - en vervolgens speelt ze dat ze overmand wordt door nog een ziel, die van haar geliefde. Het is een soort kwadratuur van de inleving. Een actrice wordt Lea door zich Lea in te beelden, en die Lea beeldt zich weer een gestorven ander in.

Op dat moment is het geen spelletje meer, en toch blijft het toneel. We beseffen dat het grootste dat we bezitten, de inleving, ook het rampzaligste kan zijn, want als de geliefde wordt uitgedreven, wat blijft er dan van Lea over?

Zo herinner ik me de voorstelling van Baal, zoals die door de film uit '37 tot leven werd gewekt dan ook: als een poging om schimmen uit een uitgeroeide wereld naar boven te lokken, met hulp van acteurs en actrices die alleen maar beschikten over iets immaterieels: hun inleving en hun techniek. De strenge, enerverende regie was van Leonard Frank, en de lichte en toch rouwende muziek was van Jeff Hamburg; de voorstelling, die tot ieders schande niet eens voor de tv vereeuwigd is, en dus nooit meer kan worden gezien, was een van die zeldzame avonden waarop het enigszins tot je doordringt hoe krankzinnig het allemaal is. Als we niet aan doden denken dan zijn ze helemaal niet dood, dan zijn ze domweg verdwenen.