De verslaafde is als een hagedis in de woestijn

Nederland telt volgens de Vereniging van instellingen voor maatschappelijk georiënteerde verslavingszorg zo'n twintig verslavingsklinieken en vijf landelijke behandelcentra. De behandeling varieert soms sterk. Derde aflevering in een korte serie over behandelcentra.

ZEIST, 23 APRIL. Het zieleleven van Jan is uitvloeiend. Jan is een dromer, hij geeft geen vorm aan wat er in hem leeft. De eerste maanden moest hij veel kunsttherapie volgen. “Hij kropte alles op; door met kunst bezig te zijn kon hij zich uiten en weer vorm vinden”, zegt R. Dunselman, psycholoog bij behandelcentrum voor drugverslaafden Arta.

De therapie op Arta, een centrum met vestigingen in Staphorst, Driebergen en Zeist, is - als enige in Nederland - gebaseerd op een antroposofisch mens- en wereldbeeld. De folder van de inrichting legt uit dat Arta-therapeuten voortdurend op zoek zijn naar de positieve kanten van de ex-verslaafden. Eerst leren ze, bij wijze van spreken, kruipen, dan richten ze zich op aan de rand van de box en vervolgens zetten ze hun eerste stappen. Het is uit den boze dit proces geforceerd te versnellen. Het krachtigste hout dat er in Nederland bestaat is immers eikehout, en dat groeit het langzaamst, aldus de folder.

Het rendement op Arta is hoog. Ongeveer honderd van de honderdzeventig mensen die sinds 1985 zijn behandeld, waren begin dit jaar nog clean en hadden een baan. Hierbij zijn de 63 mensen die tijdens de behandeling voortijdig afhaakten meegerekend. Volgens Arta ligt het gemiddelde rendement van klinieken in Nederland op 25 procent.

Ongeveer negentig mensen komen jaarlijks op de detoxificatie-afdeling in Staphorst binnen en kicken daar "cold-turkey' af. Methadon wordt niet gebruikt. “Dat is nog verslavender dan herone”, zegt J. van der Haar, coördinator van het centrum. Bijna veertig procent van de detox-klanten haakt af, omdat zij het afkicken niet aankunnen.

De meesten afkickers stromen door naar de therapeutische gemeenschap van Arta, de Witte Hull: een oude villa verscholen in de Zeister bossen. In een gesprek met psycholoog Dunselman moeten de nieuwe bewoners aangeven wat hun doelen zijn. Deze doelen blijven gedurende de tien maanden van het verblijf als een rode draad door de therapie lopen.

Jan (21) woont nu acht maanden op de Witte Hull. “Hij gaf bij binnenkomst als doelen aan weer contact met zijn ouders te willen en dat hij zijn depressies wilde kwijtraken”, zegt Dunselman. “Hij was poly-druggebruiker, had in zijn jeugd sucide-neigingen, is in Suriname opgegroeid en zijn idealen zijn nooit van de grond gekomen. Hij is een natuurliefhebber, heeft een sterk geweten, is origineel en moedig.”

Sommige Witte Hull-therapeuten mediteren over de bewoners. Dunselman: “Je probeert dan een zo exact mogelijk beeld van iemand te krijgen. Binnen een paar minuten komt er dan vanzelf iets in je op: een beeld, of woorden, waarmee je iets onzichtbaars van een persoon zichtbaar kunt maken.”

Zo zag een therapeut tijdens het mediteren over een bewoner laatst een hagedis voor zich, terwijl Dunselman een woestijn als beeld kreeg. De psycholoog: “Zo iemand moet je water aanbieden. Water stroomt, dus moet je bewegende elementen in de therapie voegen. Eurythmie is dan belangrijk. En water verdampt, dus je moet zo iemand laten ervaren dat sommige dingen vanzelf oplossen, door hem bijvoorbeeld al schilderend de kleur blauw naar wit te laten oplossen.”

Over Jan is ook gemediteerd. “Mij zagen ze als bellenblazer”, zegt hij. “Omdat ik in een illusie leef.” Dat hij kunsttherapie moest volgen omdat zijn zieleleven uitvloeiend was, weet hij niet. Dat is ook niet de bedoeling, volgens Jan. “Ze willen ons echt niet hun antroposofische denkbeelden opdringen.”

Jan weet alleen wat hij van de therapie geleerd heeft. “Toen ik hier net kwam, kreeg ik massage-therapie. Dat was goed: ik werd me sinds jaren weer bewust van mijn lichaam, voelde dat ik best wel atletisch was. Tijdens de kunsttherapie, die ik later volgde, moest ik kleuren mengen om een goudkleur te krijgen. Na een tijdje leer je de juiste mengverhoudingen te hanteren, grenzen te bepalen bij wat je doet. Ik had nooit gedacht dat dat mij zou lukken. Verder heb ik veel muziektherapie gehad. Waarom weet ik niet, ik denk dat het met het kweken van gevoel voor ritme te maken heeft. Maar ja, ik hoef het ook niet te weten. Ik voel dat het me goed doet, ik word er rustig van.”