De rekening van Irans Revolutie

Het economisch herstel in het door oorlog getroffen Iran verloopt stug. Spanningen tussen regering, geestelijken en bureaucratie moedigen niet aan tot investeren. Tegen heug en meug wordt toenadering gezocht tot het vermaledijde Westen.

Toen de Islamitische Republiek Iran op 19 juli 1988 door de gifgassen van Saddam Hussein tot een wapenstilstand werd gedwongen, stond de Iraanse regering voor aantal zeer moeilijke opdrachten. De bevolking moest moed worden ingesproken en de geruneerde economie weer op gang worden gebracht.

Om het moreel op te vijzelen stond de regering een galopperende import toe van produkten die niet van levensbelang waren. Zo voerden Iraanse handelaren ijskasten en televisietoestellen in, betaald met dollars die ze kochten tegen de officiële koers van 70 rial. Door de apparatuur te verkopen tegen de zwarte-marktkoers van de dollar verdienden ze slapend het twintigvoudige.

Iran introduceerde tijdens en na de vernietigende oorlog een veelvoud aan wisselkoersen, afhankelijk van het belang van de gemporteerde produkten. De laagste koers, die van 70 rial per dollar, moest de eerste levensbehoeften goedkoop houden en de belangrijkste industrieën in staat stellen hun machines en onderdelen uit het buitenland te betrekken. Dit stelsel van indirecte subsidies maakte realistische berekeningen over kosten en baten op wat langere termijn onmogelijk. Het had als enige zekerheid dat zij die dollars tegen de lage koersen wisten te bemachtigen het steeds beter kregen. Maar doordat de waarde van de rial steeds minder werd, daalde de algemene koopkracht in snel tempo.

Een door het parlement opgesteld rapport berichtte twee jaar geleden dat de kloof tussen arm en rijk sinds de zege van de Islamitische Revolutie en in strijd met haar voortdurende beloften bepaald niet was verkleind, aangezien twintig procent van 's lands vermogenden in het bezit was van 50 procent van 's lands rijkdommen. Diverse analisten vonden die cijfers veel te optimistisch. Sindsdien verdubbelden de uitgaven aan import, waarbij de inkomsten beneden de verwachtingen bleven. De rijken werden nog rijker en de armen nog armer.

De orkaan van uitgaven werd aangewakkerd toen het vroegere Sovjet-blok met verleidelijke wapenaanbiedingen (tegen contante betaling) kwam. Daardoor is de Islamitische Republiek, die vroeger een onberispelijke naam had als debiteur, in een situatie geraakt dat zij haar buitenlandse schulden niet langer kan afbetalen. Buitenlandse ondernemers kregen het verzoek hun goederen met een krediettermijn van twee jaar te leveren. De meesten weigerden.

De heropbouw van de economie - om de Islamitische Revolutie in leven te houden - was natuurlijk nòg dringender dan uitstel van betaling. De autoriteiten, die tijdens de oorlog de bevolkingsgroei zeer hadden gestimuleerd, merkten daarna dat de bevolkingsgroei een weergaloze omvang had aangenomen. In 1979 waren er 37 miljoen Iraniërs, nu meer dan 60 miljoen. Werkloosheid, analfabetisme, woningnood en drug- en alcoholverslaving zijn daardoor alleen maar gegroeid. Zestig procent van deze bevolking is jonger dan 15 jaar, en dus eigenlijk niet in staat enige bijdrage te leveren aan de arbeidsproduktiviteit.

De verwachting is dat Iran binnen twintig jaar meer dan honderd miljoen mensen telt, ondanks de geboortenbeperking - enkele jaren geleden nog taboe, thans zelfs door de overheid sterk gepropageerd. Vrouwen mogen zich laten steriliseren en het parlement besloot vorig jaar het vierde kind niet langer goedkope coupons voor de eerste levensbehoeften toe te kennen. Die maatregelen zijn onvoldoende; als de economie niet drastisch verbetert, zullen de Iraniërs binnen afzienbare tijd al hun olie-inkomsten voor de import van voedsel moeten aanwenden.

De razendsnelle bevolkingsaanwas noodzaakt de regering nu al jaarlijks een half miljoen woningen en 40.000 nieuwe klaslokalen te bouwen. Op de een of andere manier moeten 600.000 nieuwe banen worden geschapen. In de landbouwsector moet ten minste vijf miljard dollar worden genvesteerd. Volgens de minister van gezondheid is 37 procent van de kinderen onder de zeven jaar ondervoed. En volgens de minister van onderwijs “zouden wij, om gelijke tred te houden met de bevolkinsgroei, jaarlijks tienduizend geschoolde onderwijzers erbij moeten hebben. Wij kunnen nu slechts zestig procent van de onderwijsvoorzieningen verschaffen.”

Pag.10: Regering Iran zoekt aansluiting bij het gendustrialiseerde Westen

Al die gegevens van de overheid steken schril af bij haar eigen retoriek. Drie maanden geleden stelde president Rafsanjani dat de terugkeer van imam Khomeiny naar Iran op 1 februari 1979 “alles had veranderd van het negatieve naar het positieve, van ellende naar welvaart”. Hij beloofde dat het huidige ontwikkelingsplan voor een gelijke verdeling zou zorgen van alle mogelijkheden onder de bevolking.

Die belofte is moeilijk waar te maken. Want om het land uit de economische ellende te halen besloot Rafsanjani, toen hij in 1989 president werd, radicaal om te schakelen: van een centraal gedirigeerde oorlogseconomie naar een marktgerichte, kapitalistische economie. Daarvoor was het nodig kapitaal en expertise uit het buitenland aan te lokken, verliesgevende industrieën te privatiseren (tachtig procent is nog in handen van staat of overheidsinstellingen) en meer discipline in te voeren in de chaotische staatshuishouding.

De door Rafsanjani gewenste economische maatregelen impliceerden binnenlands een vriendelijker investeringsklimaat en wijziging van de arbeidswetten. Maar de talloze elkaar tegensprekende wetten en verordeningen, gevoegd bij grootscheepse tegenwerking van de bureaucratie, moedigen potentiële investeerders allerminst aan. En de nog steeds van kracht zijnde arbeidswetten bepalen dat ondernemingen met meer dan vijftig man personeel hun werknemers moeten voorzien van voedsel, goedkope winkelbonnen en opleidingen, terwijl gedwongen ontslag vrijwel onmogelijk is. De nieuwe economische politiek leidde tot de noodzaak de politieke relaties met de gendustrialiseerde wereld - lees: het Westen - te verbeteren. Maar dat staat haaks op de even dringende noodzaak van het bewind om, terwille van zijn eigen legitimiteit, de idealen van de Islamitische Revolutie trouw te blijven, dat wil zeggen oorlog tegen het Westen te voeren.

De overheid probeert al geruime tijd beide doelen na te streven - zowel verzoening, als oorlog met het Westen. Vorig jaar juni deelde de pas benoemde parlementsvoorzitter Ali Akbar Nateq Nouri mee dat de Westerse media “haastige en foutieve” verwachtingen hadden gecreëerd toen zij een andere koers van de Islamitische Republiek voorspelden nadat de radicale voorstanders van een socialistische economie bij de parlementsverkiezingen van april en mei waren verslagen en een nieuwe wet was aangenomen die buitenlandse deelname in bedrijven niet langer tot 49 procent van het aandelenkapitaal beperkte. Hij waarschuwde Amerikaanse ondernemingen dat “het niet in hun belang is in Iran te investeren”. Want “zolang de VS hun agressieve houding handhaven, zal het volk van Iran zelfs niet naar de VS kijken.”

De werkelijkheid blijkt iets anders. Vorig jaar werden de Amerikanen de belangrijkste afnemers van Iraanse olie en stegen de Amerikaanse verkopen aan Iran tot een bedrag van één miljard dollar - even veel als die uit Frankrijk. Diverse Amerikaanse ondernemingen verkopen al geruime tijd vanuit Dubai of Abu Dhabi made-in-USA-produkten aan Iran. En onlangs mocht de Amerikaanse Coca Cola-vestiging in Pirjand, vlakbij Meshed, een nieuwe fabriek openen. Thans bestudeert de Amerikaanse regering een verzoek van de Iraniërs om twintig Boeing-vliegtuigen te mogen kopen voor een totaalbedrag van 750 miljoen dollar.

Eind januari wonden diverse Iraanse kranten zich enorm op over de vergunning die de overheid aan een Amerikaanse firma had verleend om Winston-sigaretten onder de naam Bistoon op de Iraanse markt te brengen. Het weekblad Kayhan Havai schreef bitter dat de Amerikaanse regering de export van hoogwaardige technologie naar Iran tegenhoudt, “maar nu de deur openzet voor de export van schadelijke, kankerverwekkende produkten”.

Ondanks al die boze protesten gaat de regering door met haar pogingen aansluiting te zoeken bij de gendustrialiseerde wereld. Dus verminderde zij eerst op aandrang van het Internationale Monetaire Fonds het aantal wisselkoersen tot drie. Maar voor een aantal artikelen handhaafde zij de koers van 70 rial voor één dollar, terwijl de werkelijke koers meer dan 22 maal zo hoog was. Officieel om de mustazafin (de misdeelden op aarde) aan hun trekken te laten komen, in werkelijkheid ook om al degenen die dicht bij de macht staan ter wille te zijn met de toewijzing door de Centrale Bank van spotgoedkope dollars.

Zij die het meest van de wirwar van wisselkoersen profiteerden waren de bonyads, de niet op winst gerichte stichtingen. Na de zege van de Islamitische Revolutie werden ze op bevel van imam Khomeiny opgericht om allerlei goede doelen na te streven op sociaal-economisch gebied, zoals materiële en geestelijke steun aan de mustazafin, de martelaars voor het geloof, de landloze boeren, veraf gelegen dorpen, enzovoorts. Zij beschikken over vele miljarden dollars, door confiscatie van kapitalen, fabrieken, landerijen, hotels en bedrijven van Iraniërs die na de Revolutie naar het buitenland vluchtten. Met die fenomenale Ali Baba-schat konden de bonyads grootschalig opereren en zich - na de olie-industrie, die in handen van de staat is - ontwikkelen tot de belangrijkste economische macht in Iran.

De macht van deze schimmige stichtingen kon ook zo groot worden omdat hun eigendomsverhoudingen niet vastliggen. Nooit werden de confiscaties wettelijk en voorgoed geregeld; ze werden integendeel voor een deel zelfs nominaal teruggedraaid. De vroegere eigenaars konden, als ze naar Iran terugkeerden, in theorie hun bezittingen terugkrijgen. In de praktijk was dat echter afhankelijk van de relaties die men had of de gelden die men bereid was onder de tafel te betalen. De praktijk heeft ook geleerd dat de bonyads absoluut niet van plan zijn hun winstgevende ondernemingen terug te geven.

Een andere reden voor hun alsmaar groeiende macht is dat zij aan niemand rekening en verantwoording hoeven af te leggen, behalve aan ayatollah Khamenei, de Gids van de Revolutie. Door de enorme invloed van de geestelijken, die op de achtergrond de leiding hebben en precies weten welke wegen zij moeten bewandelen om aan de gewenste overheidssubsidies te komen, zijn de bonyads als geen ander in staat de staatsfinanciën af te romen.

Alle privé-ondernemers, ja zelfs advocaten, houden rekening met de nieuw geschapen machts- en marktverhoudingen. Zij weten dat zij goede (financiële) contacten moeten onderhouden met specifieke geestelijken die de juiste wegen kennen om speciale gunsten of privileges te verkrijgen. Getuige groot im- en exporteur Hossein. Gevraagd of hij zich niet nerveus maakte, vlak voor de aangekondigde unificatie van de wisselkoersen waardoor hij zijn benodigde dollars veel duurder zou moeten inkopen, antwoordde hij koeltjes: “We zullen wel zien. We onderzoeken nu welke kanalen we moeten aanboren.” Zelfs als buitenstaander kan men constateren hoe groot de macht van de geestelijken is geworden. Na de Islamitische Revolutie waren zij, wandelend, een normaal onderdeel van het straatbeeld. Tegenwoordig zitten ze op de achterbank van hun dure Mercedessen, die voorzien zijn van geblindeerde ruiten. Men ontmoet ze in de kantoren, omdat ze intussen hoge kaderleden zijn geworden in vrijwel alle ministeries, ondernemingen en kranten. Als ze tegenwoordig de koran bij zich hebben, is die veilig opgeborgen in een dure attaché-koffer.

Vroeger maakte de hoge geestelijkheid, die dank zij de religieuze belastingen altijd over zeer veel geld beschikte, gebruik van de diensten en de ambachtelijkheid van de bazar - het gilde van handelslieden. De bazari's waren de vakmensen die precies wisten hoe ze het geld van de geestelijken winstgevend konden maken. Beide groepen hadden zowel een economische als een ideologische belangenverstrengeling. Nu wordt dat bondgenootschap minder vanzelfsprekend. De geestelijkheid gedraagt zich niet langer als aristocratie, wier schoenen automatisch door derden worden aangereikt en gepoetst, maar als een groep kapitalisten die haar economische macht en belangen maar al te goed weet te beschermen - indien nodig zelfs tegen de overheid van de Islamitische Republiek.

De macht van de bonyads is intussen zo groot geworden, dat de technocraten rondom president Rafsanjani, zelfs ayatolllah Khamenei, daar weinig tegen kunnen doen. Als de overheid tegen hen zou optreden, zouden er ernstige conflicten binnen de toch al niet zo eensgezinde geestelijkheid optreden. Dan zouden de machthebbers wel eens hun legitimiteit in de Islamitische Republiek kunnen verliezen. Dus blijven Rafsanjani's economische herstelmaatregelen per definitie halfslachtig. Hij kan, zoals hij vorig jaar nog deed, van tijd tot tijd publiekelijk klagen dat de olierijkdom van het land door de rijken wordt “verslonden”, terwijl de armen vrijwel niets krijgen - het haalt niet zoveel uit. De geestelijken die van een vrije markt houden zijn niet erg gesteld op concurrentie uit binnen- of buitenland. Zij houden die op alle mogelijke manieren tegen en gebruiken daarvoor het gemakkelijkste ideologische argument - de immer doorgaande strijd tegen de Machten van de Arrogantie.

Sinds 21 maart heeft de regering, alweer op aandrang van het IMF, één wisselkoers voor de rial vastgesteld. Maar weer niet helemaal. Op uitdrukkelijk verzoek van ayatollah Khamenei worden gemporteerde wapens, bepaalde voedingsmiddelen en medicijnen nog steeds gekocht met dollars die 70 rial kosten. Toch zal die nieuwe, "dobberende' koers de inflatie en de werkloosheid tot ongekende hoogte aanjagen. Officiëel bedroeg de geldontwaarding op jaarbasis tot 19 februari 31 procent, hoewel de prijzen van de belangrijkste levensmiddelen in werkelijkheid met 50 tot 60 procent waren gestegen. Daarna explodeerden de gezinsuitgaven - volgens de Iraanse pers sinds begin maart met nog eens 30 procent. Door de duurdere import zullen veel bedrijven moeten sluiten. De aarzelende overheidsmaatregelen zijn erop gericht - zoals president Rafsanjani herhaaldelijk aangaf - de Iraanse bevolking binnen tien jaar een redelijk bestaan te geven. Maar dat kan alleen als aan één van twee voorwaarden wordt voldaan. Òf Iran heeft op termijn voldoende eigen middelen om de herschikking van zijn economie mogelijk te maken - wat uitgesloten is gezien de vooruitzichten op de internationale oliemarkt en een geschat olie-inkomen dat dit jaar niet meer dan 17 miljard dollar bedraagt. Òf Iran krijgt voldoende vertrouwen en krediet in het buitenland - wat steeds minder waarschijnlijk is gezien zijn politiek en de groeiende vijandige houding van de Amerikaanse regering.

De toestand van halve oorlog met de buitenwereld en halve paardemiddelen in het binnenland zal dan ook volgens de meeste waarnemers over niet al te lange tijd tot ernstige spanningen leiden - in het binnenland. En als gevolg daarvan mogelijk ook met het buitenland.