De geschiedenis van de Nederlandse grafische vormgeving; Adelbrieven voor de nouveau riche

Kees Broos & Paul Hefting: Grafische vormgeving in Nederland, een eeuw. Uitg. Veen, 223 p. Prijs F 149,50.

De warme en aanhoudende, ook buitenlandse belangstelling voor het grafische ontwerpen in Nederland blijkt heilzaam voor het vak. Mede daardoor kwam in De Beyerd in Breda een overzicht tot stand van de prestaties van deze beroepsgroep sinds haar geleidelijke opkomst uit de kunstnijverheidsbeweging aan het eind van de vorige eeuw. Volledigheid lijkt niet nagestreefd - van thema's als tijdschrift-en televisievormgeving ontbreekt ieder spoor, terwijl de boekverzorging er maar bekaaid van af komt - maar wel is recht gedaan aan de geschakeerdheid en smakelijkheid van het onderwerp. Voor de hartstochtelijke drukwerkconsument levert dit een traject op vol feestelijke ontmoetingen en herkenning, te beginnen met het reclamebiljet van C.A. Lion Cachet, waarop een fles goudgele slaolie zich flonkerend losmaakt van een stemmige achtergrond (rond 1900), en uitmondend in de kunstcatalogus Oceaan coalities (1993) waarin Roelof Mulder, door een geraffineerd gebruik van kleur en vernis, het platte vlak overwonnen lijkt te hebben.

De uitgave Grafische vormgeving in Nederland, een eeuw die bij deze tentoonstelling verscheen zou de 'Janson' van de Nederlandse vormgeving genoemd kunnen worden, als deze troef, formeel gezien althans, niet net was weggekaapt door Dutch Graphic Design 1918-1945) van de Amerikaanse vakdocent Alston Purvis (1992). De voordelen van vierkleurendruk, de grotere tijdspanne en de uitstekende geinformeerdheid van twee in het vak doorknede auteurs, Kees Broos en Paul Hefting, bestempelen de Nederlandse uitgave echter zonder twijfel tot de meest ambitieuze van de twee, en de enige die het predikaat 'vakgeschiedenis van het grafisch ontwerpen in Nederland' verdient.

Zonder dat dit expliciet toegelicht wordt kan ieder zich uit de honderden afbeeldingen en hun uitstekende, informatieve bijschriften een idee vormen van het werkterrein van de ontwerper. Sommigen van hun ontdoen materiaal van de oorspronkelijke vorm en maken met (typo)grafische cosmetica genietbaar voor eigentijdse consumptie. Zo kwam Goethes gedicht 'Uber allen Gipfeld ist Ruh' in 1932 opnieuw ter wereld als een De stijl-tableau, dit door toedoen van Bart van der Leck. Anderen stellen hun 'goede smaak' in dienst van collega's en ontwerpen letters, hetzij voor de drukkers (S.H. de Roos), hetzij voor de verfkwast, getuige de exemplarische opschriften - 'garen en band', 'nat!' - van de emigrant Stefan Schlesinger, 1939. Weer anderen tarten deze idealen van smaak en schoonheid en ontwerpen een letter die zienderogen aftakelt (de 'Beowulf' van Erik van Blokland en Just van Rossum, 1990). De lezer ontdekt ontwerpers die de triomf van het woord over het beeld vieren (J. van Krimpen) en anderen die het omgekeerde doen (beeldstatistieken van Gerd Arntz); ontwerpers die slechts de eigen tijd erkennen en anderen die de verbinding aandurven met het verleden (zoals Gielijn Escher met de oudste Franse affischetraditie). En dan zijn er nog de opdrachtgevers zoals de PTT, die dit boek met zijn ontwerpen domineert, en de drukkers, cruciale factoren in iedere geschiedenis van het ontwerpen.

Smachtend

De verschijning van deze vakgeschiedenis heeft fascinerende implicaties. Ineens krijgt het grafisch ontwerpen, dat voor velen uit weinig meer bestond dan Nieuwe Typografie en nieuwste typografie - grofweg Piet Zwart en Irma Boom - een verleden en continuiteit. De nouveau riche verschaft zich een afkomst door de aankoop van adelsbrieven, zo simpel is het.

Maar is het wel zo simpel? Wat houdt dat eigenlijk in, het Nederlandse grafisch ontwerp? Hoe heeft de ontwerper zich als onafhankelijk bemiddelaar kunnen losmaken van zetterij en drukkerij, hoe verloopt de wisselwerking tussen de technische mogelijkheden en de artistieke belangen, waardoor heeft een ontwerper succes, welke rol vervult vormgeving economisch gezien, waarin verschilt de Nederlandse situatie van de buitenlandse, welke waarde heeft een ontwerp, hoeveel van het totale drukwerk wordt uberhaupt ontworpen?

Terwijl de leek zich geen plezieriger kennismaking kan wensen, blijft de beter geinformeerde lezer smachtend achter. Van zijn vragen hebben de auteurs zich geen rekenschap gegeven en ook de redacteur laat hem in de steek, met onbeholpen paragraaftitels als 'Piet Zwart ontdekt de drukkerij', 'Drukkers en ontwerpers' en 'Affiches, nog steeds' en een register dat slechts persoonsnamen ontsluit. Broos en Hefting spelen in op de artiestencultus, in de ontwerpwereld al even dominant als in het kunstcircuit. Met Sandbergiaanse maatstaven canoniseren ze de gecanoniseerden. Alles wat naar modernisme zweemt, schurkt zich in het zonnetje van hun aandacht, vanaf de alom erkende - maar elders al ruimschoots aan bod gekomen - meesterwerken van Zwart en Werkman tot aan de bescheidener prestaties van Wim Brusse. Daarentegen ontbreekt het zicht op bijdragen uit een andere hoek, bijvoorbeeld van na-oorlogse illustrator-ontwerpers als Kees Kelfkens en Nicolaas Wijnberg. Nu kunstacademies hun illustratieafdeling 'liquideren' is deze stellingname, of liever gezegd het ontbreken daarvan, gemakzuchtig, bijna cynisch te noemen.

Toch verdient het boek zeker een genereuze ontvangst. Dankzij de vele buitenlandse edities - met vertalingen tot in het Japans - zal het een impuls geven aan het particuliere verzamelen over de hele wereld, wat op de langere termijn ten goede kan komen aan de collecties van dezelfde musea die nu nog niet kunnen beslissen of en hoe ze grafische vormgeving dienen te verzamelen. Maar de belangrijkste verdienste is wel dat het een overzicht geeft. Grafische vormgeving in Nederland, een eeuw is hoe dan ook een mijlpaal, voorbestemd om geprezen en gepareerd te worden.