De geschiedenis van de Nederlandse grafische vormgeving; Druksels en tiksels

Alston W. Purvis: Dutch Graphic Design 1918-1945. Uitg. Van Nostrand Reinhold, New York; imp. Valeton & Henstra, Amsterdam. ISBN 0-442-00444-3. 234 blz. Prijs ƒ 110,-

Alston W. Purvis, hoogleraar aan Boston University, is een Amerikaan voor wie de Nederlandse grafische vormgeving zowel een beroep is als een roeping. In 1971 kwam hij voor één jaar als gastdocent naar de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag; dat mondde uit in een verblijf van elf jaar. Hij schrijft regelmatig over dit onderwerp, bijvoorbeeld in het aan Nederland gewijde kerstnummer van het vaktijdschrift Print, en onlangs is zijn magnum opus verschenen: Dutch Graphic Design 1918-1945.

De opzet van het boek is even eenvoudig als degelijk. De nadruk ligt op de jaren twintig: Van Doesburg en De Stijl, Wendingen en Wijdeveld, en daarna de splitsing tussen de constructivisten als Piet Zwart en Paul Schuitema enerzijds en de meer traditioneel ingestelde ontwerpers als De Roos, Van Krimpen en Nypels anderzijds. Aan Hendrik Werkman, wiens eigengereidheid Purvis duidelijk apprecieert, is een apart hoofdstukje besteed (inclusief onvertaalbare begrippen als druksels en tiksels). Vanaf de jaren dertig lijkt het of de auteur de stal ruikt. Het hoofdstukje over immigranten is erg klein, zeker gezien hun inbreng in Nederland in de jaren dertig. De geringe aandacht voor bijvoorbeeld Laszlo Moholy Nagy, die een jaar in Nederland doorbracht, en Otto Treumann die zich hier heeft gevestigd - deze maand genterviewd door Anthon Beeke in het tijdschrift (affiche) - is een echt gemis. Ook over Jan Kamman, Jan Bons en Cas Oorthuys, die begin jaren dertig een eigen ontwerpbureau had, had ik iets willen lezen.

Als geheel is het boek in een soepele en leesbare stijl geschreven, maar het is eerder een vaardige samenvatting van bestaand kennis en materiaal dan een verslag van nieuw of eigen kunsthistorisch onderzoek. Af en toe vergeet hij ook de losse eindjes af te knopen. Zo vermeldt hij bijvoorbeeld terloops in een fotobijschrift dat Paul Schuitema mogelijk Piet Zwart benvloedde bij het ontwerpen van zijn beroemde PTT-boekje, maar als hij later uitgebreid het PTT-boekje behandelt, noemt hij alleen de invloed op Zwart van de Rus Rodtsjenko. Ondanks de omvangrijke bibliografie lijkt hij op een beperkt aantal bronnen te leunen, en dan met name het Amsterdamse echtpaar Schuhmacher. Een zeer aanzienlijk deel van de afbeeldingen is uit hun antiquariaat afkomstig. Het is ook jammer dat het boek zelf als object te wensen overlaat: de layout is prettig en overzichtelijk, maar de druk heeft veel weg van een veredelde vorm van desktop publishing, met regels die niet registeren en - op één kleurkatern na - fletse zwart-wit reprodukties.

Het is een bizar toeval, dat Purvis' boek net even eerder verscheen dan de nog veelomvattender studie Grafische vormgeving in Nederland, een eeuw van Kees Broos en Paul Hefting. Het is ook meer geluk dan wijsheid, dat ze voldoende in opzet, verteltrant en uitvoering verschillen om elkaar niet alleen maar te overlappen, maar aan te vullen. En het is natuurlijk raar, dat de eerste uitgave die dit onderwerp in de breedte behandelt, van een buitenlander is en in een andere taal. Zo is het met de geschiedschrijving van de Nederlandse architectuur ook gegaan, alleen toen waren het Italianen als Fanelli, Dal Co en Casciato die het voortouw namen. Kennelijk heeft Nederland eerst erkenning van "buiten' nodig om zijn eigen bijzondere verdiensten op waarde te kunnen schatten. Net twee maanden geleden heeft Ben Bos, een van de oprichters van Total Design, een stichting in het leven geroepen die voor het behoud van "s lands grafische erfenis ijvert.

De verzameling van de Vereniging verhuisde, in 1952, van het Amsterdamse Stedelijk Museum naar het Rijksmuseum. De collectie is in bruikleen gegeven en wordt door het laatstgenoemde museum beheerd. De catalogus Aziatische Kunst in het Rijksmuseum toont aan dat de kunstwerken van de Vereniging het leeuwedeel van de collectie uitmaken. “De belangrijkste stukken in de verzameling zijn van de Vereniging”, bevestigt de conservatrice van de afdeling Aziatische kunst in het Rijksmuseum, Pauline Lunsingh Scheurleer. Na de renovatie van de zuidvleugel van het Rijksmuseum, door de architect Wim Quist, zal de verzameling in een nieuwe opstelling worden gepresenteerd. “Ik verheug me er nu al op, zo'n kans krijg je maar één keer”, zegt de conservatrice.