Woede voor binnenlands gebruik; Lord Owen praat langdurig met leiders in Belgrado

BELGRADO, 22 APRIL. Zo'n twintig oorlogsinvaliden hadden zich opgesteld langs een weg van het vliegveld naar de Servische hoofdstad Belgrado, om met hun geamputeerde benen en andere oorlogsverwondingen vredesbemiddelaar Lord David Owen de rug toe te keren als hij voorbijkwam. Maar Owen, naar Belgrado gekomen om de Serviërs nog een laatste keer van de noodzaak te doordringen het vredesplan voor Bosnië-Herzegovina te ondertekenen, nam een andere route, of misschien deed de begeleidende Servische politie dat voor hem. De woede van althans een deel van de Servische publieke opinie tegen Owen, die onlangs de mogelijkheid van luchtaanvallen tegen Servische aanvoerlijnen opperde, blijkt voorshands toch meer iets voor binnenlands gebruik, elke avond op de Servische staatstelevisie.

Eergisteravond was die campagne begonnen. Zoals gebruikelijk werd "de man in de straat' ondervraagd. Moesten de Serviërs in Bosnië het vredesplan - zonder een corridor die hun veroveringen in West-Bosnië en Kroatië verbindt met die in Oost-Bosnië en met Servië - ondertekenen? Alle voorbijgangers in het journaal zeiden nee. Daarvoor al had het televisiejournaal, het voornaamste propagandamiddel van de Servische president Slobodan Milosevic, een bijzonder zuur commentaar over de persoon van de Britse Lord. Na zijn "pleidooi' voor bombardementen op de Serviërs had hij als bemiddelaar afgedaan, heette het, “men vraagt zich af of de leiders van Joegoslavië nog aandacht aan hem moeten besteden”.

De onderhandelingswerkelijkheid was gisteren wat vriendelijker. Owen sprak eerst langdurig met de Joegoslavische president Dobrica Cosic, en daarna met sterke man Milosevic. En daarna, in afwijking van het programma dat zijn vertrek naar Macedonië voorzag, nog een keer met beiden. Bovendien komt hij hier vrijdag terug. Waarover spraken zei? Niemand wilde het zeggen. “Onderhandelingen in de openbaarheid hebben geen zin”, meende Owen enigszins geprikkeld. “Dit is een gevaarlijk moment en er moeten grote beslissingen worden genomen.”

Volgens een zegsman in Owens entourage is het zeer kort dag, wil men de door de Veiligheidsraad van de VN besloten aanscherping van de sancties, die op 3 mei moet ingaan, nog door een Servisch "ja' tegen het vredesplan willen afwentelen. Eventuele veranderingen in de kaart, met name dus die corridor, behoeven bovendien de instemming van de andere partijen in het conflict, de moslims en de Kroaten. “Er wordt nu net gedaan alsof wij met deze kaart anderen onze wil willen opleggen”, aldus deze bron, “maar Vance en Owen hebben niet meer gedaan dan met een regeling komen, waarover de drie partijen zelf in de verste verte niet in staat bleken tot overeenstemming te komen.”

Grote afwezige bij de gesprekken in Belgrado was Radovan Karadzic, de "president' van de Serviërs in Bosnië. Hij had eerder al gezegd, onderhandelingen over de kaart niet meer zinvol te achten, Owen als bepleiter van bombardementen op Serviërs niet langer onpartijdig te vinden en was vertrokken naar zijn achterban in Bosnië. De Servische media signaleerden hem bij Srebrenica, waar hij leiding gaf aan de Servische naleving van het staakt-het-vuren aldaar. Geen overbodige moeite lijkt het, want de gewapende achterban in Servisch Bosnië ziet allang weinig meer in al die ingewikkelde onderhandelingen en afspraken, die aan de werkelijkheid van de oorlog geen recht doen.

Toch is het Radovan Karadzic, die een eventueel Servisch "ja' tegen het vredesplan zal moeten uitspreken, om de volksgenoten in Servië en Montenegro te redden van een verdergaande isolatie van de rest van de wereld.

Milosevic en de zijnen kunnen hoogstens druk uitoefenen, en of hun invloed daartoe voldoende is, daarover verschillen de meningen. Diplomaten wijzen erop dat de Bosnische Serviërs hun olie, en volgens inlichtingen ook wapens en munitie, nog steeds zoniet van Servië, dan toch via Servisch grondgebied krijgen.

Anderen menen daarentegen dat het eerder de Bosnische Serviërs en hun collega's in Kroatië zijn die Milosevic de wet kunnen voorschrijven of zelfs, met al hun wapens en militantisme, voor de president van Servië een machtsbedreigende factor kunnen zijn. Later deze week houden deze Serviërs een soort conventie op de grens tussen Bosnië en Kroatië, naar het schijnt om hun beider parlementen tot een fusie van hun beide republieken - de "Servische republiek' in Bosnië en de "Servische republiek Krajina' in Kroatië - te laten besluiten; een eerste stap naar de door hen vurig gewenste vereniging van alle Servische landen in één staat.

Aan ferme taal inmiddels geen gebrek, ook niet in Servië zelf. “Opheffing van de sancties is voorwaarde voor verdere deelname van Joegoslavië aan het vredesproces”, zei de Joegoslavische minister van buitenlandse zaken, Vladislav Jovanovic. Dat Joegoslavië omvat thans Servië en Montenegro.

Voor zijn Servische collega van informatie, Milivoje Pavlovic, is het probleem niet “dat de wereldjournalisten de waarheid over de dreigende genocide tegen het Servische volk niet zou kennen”. Nee, die waarheid wordt verzwegen of gemanipuleerd als instrument in een samenzwering tegen de Serviërs, waarbij hen de "nieuwe wereldoorlog' moet worden opgedrongen. Een hele rij, door de staatstelevisie of andere nationalitisch ingestelde media hameren deze zelfde boodschap er dagelijks in.

Daadwerkelijk meent een groot deel van de publieke opinie in Servië, afgaande op persoonlijke indrukken, dat het jongste vredesplan onaanvaardbaar is, omdat de Servische natie zonder een korridor in Noord-Bosnië in tweeën wordt gehakt. Maar slechts weinigen, althans in de grote stad Belgrado, geloven in de grote samenzwering, het meesterplan voor de "biologische vernietiging' van het Servische volk, waarover je over de televisie zoveel hoort. Stemmen tegen de oorlog in Bosnië blijven betrekkelijk discreet, met één belangrijke uitzondering: de vrouw van oppositieleider Vuk Draskovic, Danica. “Als mijn man meevocht in de oorlog in Bosnië, dan was het aan de kant van de moslims”, verklaarde ze tegen het onafhankelijk televisiestation Studio B. Vuk heeft nog niet laten weten of hij het daarmee eens is.

Sommige buitenlanders in Belgrado maken zich ernstig zorgen over de mogelijkheid van een geweldsuitbarsting, mocht het tot incidenten met buitenlandse militairen in Servië komen. Gisteren werd bekend dat de tweehonderd Franse en honderd Belgische militairen van de vredesmacht UNPROFOR, die gelegerd zijn in het bij Belgrado gelegen stadje Pancevo, met spoed zullen vertrekken naar een legerplaats buiten Servië. Hun gevoel van onveiligheid is niet alleen hypothetisch: reeds langer hebben zij te maken met kennelijk georganiseerde bedreigingen of belemmeringen, met name voor de hulpkonvooien die vanuit Pancevo vertrekken naar Oost-Bosnië, Sarajevo en Tuzla.

Met de door velen gevreesde demonstraties voor ambassades is het tot nu toe meegevallen. Slechts enkele tientallen werkers in de gezondheidszorg kwamen gisteren opdagen voor een met veel tam-tam aangekondigde tocht langs de Russische, de Amerikaanse, de Franse en de Britse ambassades. Zij bleken, meer dan de gemiddelde dokter in Belgrado, overtuigd van de dreigende "genocide' tegen de Serviërs en uitten zich door de megafoon dienovereenkomstig. De problemen in de gezondheidszorg in Servië zijn niettemin reëel: antibiotica en andere medicamenten zijn schaars, 41 kinderen overleden alleen al in Belgrado dit jaar door hartproblemen die anders operatief verholpen zouden zijn.

Of dit uitsluitend aan de sancties te wijten is, zoals de demonstranten meenden, is de vraag. Medische goederen zijn in principe van de sancties ontheven, vermoedelijk is het meer een kwestie van het ontbreken van harde valuta voor aankoop in het buitenland, nu de vroegere farmaceutische industrie van ex-Joegoslavië in duigen ligt. Overigens hebben voor morgen de vakbonden een anti-sanctie-demonstratie voor ambassades in Belgrado aangekondigd.

Maar ook zonder sancties lijkt het isolement van de Serviërs toe te nemen, in ieder geval mentaal, nu de rest van de wereld voor hun gedachten en idealen nauwelijks meer begrip lijkt op te brengen. Onbedoeld bleek dat deze week bij het bezoek van een delegatie Russische parlementariërs. Die waren tegen de verdergaande sancties - wel jammer natuurlijk dat hun vertegenwoordigers in de Veiligheidsraad niet tegen hadden gestemd, maar toch goed voor een brede behandeling in Milosevic' televisiejournaal.

Maar de suggestie dat deze Russen zouden overlopen van sympathie en begrip voor de Servische strijd werd in een ontmoeting met hen niet bewaarheid. Vrede wilden ze, en het schieten moet ophouden. De door Servische nationalisten zo ijverig gecolporteerde gedachte over de lotsverbondenheid tussen twee Slavische, orthodoxe broedervolken wekte bij de Russen eerder bevreemding. Kroaten en moslims zijn toch zeker ook Slavische broedervolken?

Behalve Owen zal ook de Russische onderminister van buitenlandse zaken, Vitali Tsjoerkin, zich nog in Belgrado vervoegen, voordat zondagavond om middernacht het doek valt en zonder een Servisch "ja' de volgende fase van de internationale bemoeienissen een aanvang nemen.

Zal voor die tijd Milosevic nog - niet voor het eerst - optreden als "redder des vaderlands' en zijn tovenaarsleerling tot ondertekening bewegen? Veel Serviërs lijken daarin niet meer te geloven. "Oh, ben je weer terug', zei iemand tegen de buitenlandse verslaggever. “Dan gaat het nu zeker beginnen?”