Vrouwen hadden vroeger sterkere botten

Twee eeuwen geleden hadden vrouwen sterkere botten dan tegenwoordig. Dat blijkt uit metingen van de botdichtheid bij 87 vrouwen, die tussen 1729 en 1852 overleden. Deze vrouwen waren allemaal begraven in een kerk in het Londense Spitalfields, waarvan onlangs wegens een restauratie tijdelijk alle grafkelders ontruimd moesten worden. Het unieke was dat van alle opgegraven skeletten de leeftijd bij de dood, de familiegegevens en de leefomstandigheden bekend waren uit grafregisters.

Een Engels onderzoeksteam, bestaand uit twee stofwisselingsdeskundigen, een paleontoloog en een anatoom, heeft bij 87 goed bewaard gebleven vrouwelijke skeletten de botdichtheid van het dijbeen gemeten en vergeleken met die van huidige vrouwen. Niet alleen bleek de botdichtheid bij de vrouwen van twee eeuwen terug duidelijk hoger dan die bij tegenwoordige vrouwen, maar ook was het aantal dijbeenderen met tekenen van een vroegere breuk buitengewoon klein.

Onder de in het totaal duizend dijbeenderen die werden opgegraven vertoonde er slechts één een oude fractuur. De kans dat een vrouw van nu ooit in haar leven zo'n breuk oploopt is vele malen hoger (The Lancet, 13 maart).

De laatste decennia neemt het aantal heupfracturen bij vrouwen na de overgang steeds verder toe. Een verlaagde botdichtheid (osteoporose) speelt daarbij een belangrijke rol. Dat heupfracturen vooral na de menopauze voorkomen, komt doordat de osteoporose dan snel toeneemt door het afnemen van de uitscheiding van oestrogeen hormoon.

Botdichtheid

Dat was twee eeuwen geleden natuurlijk ook zo, maar uit het onderzoek in Spitalfiels blijkt dat vrouwen in vroeger eeuwen ook vóór de overgang al een hogere botdichtheid hadden dan de vrouwen van nu. De onderzoekers denken dat dit komt door de veel grotere lichamelijke activiteit van de vrouwen uit het achttiende eeuwse Spitalfields. Dat was toen het centrum van de zijde-industrie. Het merendeel van de vrouwen was weefster en dat betekende werkdagen van 14 tot 16 uur, daarna lopend naar huis en dan nog het huishouden. Dat alles zal gemaakt hebben dat de botdichtheid in hun dijbeenderen sterk toenam.

Er zijn nog andere factoren die de botdichtheid beïnvloeden, bijvoorbeeld een kalkrijk dieet, een groot aantal kinderen en in negatieve zin roken en alcohol. Het dieet van de vrouwen uit Spitalfields verschilde natuurlijk sterk van dat van de tegenwoordige vrouwen. Zo gebruikte men toen veel meer melk (pap). Uit recent onderzoek is echter gebleken dat een grotere opname van calcium uit de voeding maar een kleine invloed heeft op de botdichtheid. Het dieet alleen kan dus nooit het lagere botverlies bij de vrouwen van toen verklaren.

Voor heupfracturen is vallen natuurlijk ook een belangrijke risicofactor. De onderzoekers denken dat de kans om te vallen in vroeger tijden groter was dan nu. Weliswaar loopt men tegenwoordig meer risico om te vallen door het gebruik van slaapmiddelen, maar de ongeplaveide, donkere straten van de achttiende eeuw wogen daar vermoedelijk ruimschoots tegen op.

De geringe lichamelijk activiteit van de tegenwoordige mens lijkt dus de belangrijkste oorzaak van osteoporose en het toegenomen aantal heupfracturen. Meer sporten dus, al moeten tegenwoordige vrouwen welhaast topsport bedrijven om maar enigszins te kunnen tippen aan de actviteiten van een weefster met tien kinderen uit Spitalfields.