VNG vecht tegen bestuurlijke vernieuwing aan de basis

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de "vakbond' van de lokale overheden, ziet de bestuurlijke vernieuwing naar grotere en daadkrachtige regio's als een ongewenste centralisatie en uitholling van het gemeentelijk bestuur. Haar raadgever is: angst.

In ons land zijn er talloze voorbeelden te noemen van zaken die door politiek-bestuurlijke onmacht niet of nauwelijks tot een oplossing zijn te brengen. Dergelijke zaken slepen zich vaak eindeloos voort totdat er plotseling een eind aan wordt gemaakt. De euthanasiewetgeving en de reorganisatie van de politie zijn hiervan sprekende voorbeelden. De discussie over het politiebestel is, na de Politiewet van 1957, onverminderd doorgegaan. Uiteindelijk zijn tijdens de kabinetsformatie Lubbers-III tal van ferme besluiten genomen en is de discussie over de organisatie(structuur) van de politie letterlijk voltooid.

In de rij van dergelijke bijna onoplosbare problemen schaart zich ook de bestuurlijke organisatie van Nederland. Er wordt daarover al jaren eindeloos gepraat. (Eén sector vaart daar in ieder geval wel bij, namelijk de organisatoren van symposia). In de afgelopen decennia zijn er al vele aanzetten tot oplossingen gegeven, maar zij stierven uiteindelijk een zachte of harde dood - zoals de ontwerpwet op de gewesten en de mini-provincies.

Het is merkwaardig dat wij ons zo veel tijdverslindende activiteiten van al die overleggende en pratende bestuurders kunnen permitteren: ongestraft blijkbaar, want geen bewindspersoon is er ooit in het parlement over gestruikeld.

Laat ik niet pessimistisch zijn, want een oplossing komt steeds meer binnen handbereik. Het vrouwelijke duo dat de toon zet op Binnenlandse Zaken heeft bestuurlijk Nederland inmiddels verblijd met een drietal opeenvolgende kabinetsnotities Bestuur op niveau (de zogeheten Bon-nota's).

De gemeenten hadden daarbij niet te klagen over gebrek aan speelruimte en creativiteit voor eigen oplossingen op maat. In 1991 konden de gemeenten, maar vooral een aantal geselecteerde grootstedelijke regio's, zelf voorstellen doen voor oplossing van hun interbestuurlijke problemen. De grootstedelijke, of ruimer de regionale, problematiek zag men gaandeweg overal weer op de politieke agenda verschijnen. Vooral ook omdat een gedifferentieerde aanpak per regio als oplossing bespreekbaar is. In feite is het een proces van bestuurlijke vernieuwing aan de basis.

De bestuurlijke vernieuwing zal nu in eerste instantie zwaar worden aangezet in de volgende zeven "Bon'-gebieden: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven-Helmond, Arnhem-Nijmegen en Enschede-Hengelo. De positie van Rotterdam is daarin het meest geprononceerd, zij moet uiteindelijk spoedig uitgroeien naar een provincie-nieuwe-stijl.

Hoe men het wendt of keert, de andere gebieden in het land, de zogeheten niet-Bon-gebieden, kunnen daarbij niet achterblijven. Voor alle duidelijkheid wil ik er de nadruk op leggen dat er hierbij geen sprake mag zijn van volstrekte uniformiteit in de bestuurlijke structuur. Differentiatie is mogelijk, en noodzakelijk. De stedelijke gebieden in ons land hebben alle hun eigen geaardheden en hun eigen potenties. De bestuurlijke structuur moet daarop worden ingesteld en niet omgekeerd. De huidige lappendeken van samenwerkingsregelingen zal gesaneerd en geordend moeten worden.

Wil men dat proces van bestuurlijke vernieuwing (enigszins) succesvol kunnen voltooien dan zal een adequaat wettelijk instrumentarium moeten worden ingezet. De voorgestelde "aanscherping' van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen, de revival van de wet uit 1985, is in dit verband slechts een mager begin. De aanscherping biedt volstrekt geen perspectief op de realisering van daadkrachtige regio's. Krachtige regio's zijn geen modegril, maar een bittere noodzaak om de maatschappelijke problemen die een gemeentegrens-overschrijdend karakter hebben, op te lossen. Die liggen op het terrein van ruimtelijke ordening, van volkshuisvesting, van verkeer en vervoer, economische ontwikkeling en milieubeheer. Dat de huidige gemeenten daarbij een stapje terug moeten doen is duidelijk en onontkoombaar: kijk maar naar de aanpak van de vervoersmobiliteit binnen de vervoersregio's.

Maar men moet bij die veranderingen in het gemeentelijk werkgebied niet te nostalgisch worden. Het uitgangspunt moet toch zijn de beleving van de burgers. Zij claimen van hun gemeentebestuur recht op veiligheid, een goed en gezond woon- en leefmilieu en de zorg voor adequate dienstverlening.

Het grensoverschrijdende karakter van vele zaken valt buiten de belevingswereld van de individuele burger, hetgeen heel begrijpelijk is. Het is voor de burger dan ook geen verlies wanneer genoemde zaken op een hoger bestuurlijk niveau worden gebracht. De calculerende burger zou er wel slechter van worden wanneer het gemeentebestuur de alledaagse dingen zou laten liggen, door een overdadige belangstelling voor bovengemeentelijke zaken.

Op dit punt worden de gemeenten niet echt geholpen door hun "vakbond', de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Kortweg gezegd ziet de VNG de bestuurlijke vernieuwing naar grotere en daadkrachtige regio's als een ongewenste centralisatie en een uitholling van het gemeentelijk bestuur. Zo'n reactie komt op mij over als zou er gemeen spel door het Rijk, lees vooral Binnenlandse Zaken, worden gespeeld. Alsof die honderden burgemeesters en duizenden wethouders die zich intensief en serieus met dit proces bezighouden, zich zo maar zouden laten sturen. Zij weten verdraaid goed waar het om draait. In dit verband noem ik maar het democratisch gehalte van een nieuw regionaal bestuur. De gemeenten zijn zeker niet van plan een ingrijpende herverkaveling van taken tussen gemeenten en regio's te laten plaatsvinden, zolang dat regionaal bestuur niet rechtstreeks gekozen wordt door de inwoners.

De VNG komt vervolgens met het bezwaar dat straks de regiobesturen de provincies gaan vervangen. Het is een opmerking die mij niet meteen zorgelijk stemt. De aandacht van gemeentebesturen zal zich voornamelijk moeten concentreren op de vormgeving en inhoud van het regionaal bestuur.

Ook in West-Brabant zijn wij met veel inzet en enthousiasme zojuist daarmee gestart. Lastig is wel het grote aantal gemeenten (39) dat zich hiermee moet bezighouden en straks allerlei formele procedures moet doorlopen. Overigens helpt de provincie ons daarbij een handje door gelijktijdig het proces van gemeentelijke herindeling in gang te zetten. Maar daar is de VNG, bij monde van directeur Fleers, niet bij voorbaat een voorstander van. Zij zit veeleer op de lijn van de gelijkwaardigheid van gemeenten.

Naar mijn mening moet nu de kans worden aangegrepen om tot nieuwe vormen van regionaal bestuur te komen, maar met differentiatie in het land. De gemeenten zullen daartoe het heft in eigen hand moeten nemen.

De VNG zou er goed aan doen zich hiertegen minder te verzetten. Angst blijft, ook bij bestuurlijke reorganisatie, een slechte raadgever.