Verslaafde kan niet meer buiten geloof

Nederland telt volgens de Vereniging van instellingen voor maatschappelijk georiënteerde verslavingszorg zo'n twintig verslavingsklinieken en nog een vijftal landelijke behandelcentra. De manier waarop de verslaafden worden behandeld, varieert soms sterk. De tweede in een korte serie over behandelcentra.

DORDRECHT, 22 APRIL. Na ongeveer een week afkicken krijgen de drugverslaafden zes uur per dag arbeidstraining. Maximaal vier maanden later moeten ze ergens stage kunnen lopen en aan een veertig-urige werkweek beginnen. Met een no-nonsense aanpak bereidt evangelisch centrum De Hoop in Dordrecht langdurig verslaafden voor op terugkeer in de maatschappij. “En het moet nog zakelijker worden, want ex-verslaafden kunnen veel meer dan menigeen denkt”, zegt stafmedewerker F. Koopmans.

Het voorbeeld is San Patrignano, een klein plaatsje in Italië. Daar verblijven zo'n tweeduizend ex-verslaafden in een centrum en houden met elkaar allerlei winstgevende projecten draaiende, zoals een internationale paardenrenbaan. In San Patrignano werd De Hoop eind jaren tachtig bevestigd in het idee om verslaafden zo snel mogelijk aan het werk te zetten. Koopmans: “Junks horen altijd en eeuwig dat ze nergens goed voor zijn. Als ze functioneel werk doen, schiet hun eigenwaarde omhoog.”

Aan het centrum zijn gelieerd een drukkerij, broodjeszaak Breadline en een metaalbewerkerij. Allemaal volledig rendabele bedrijven, waar de ex-verslaafden werken. Jos (33) bijvoorbeeld, is al zestien maanden te gast bij De Hoop en werkt veertig uur per week bij de drukkerij. Tijdens zijn leven als druggebruiker, heeft Jos nog regelmatig gewerkt. Daarom heeft hij aan de arbeidstherapie tijdens zijn verblijf in het opvangcentrum weinig gehad, zegt hij. “Dat was saai werk”, meent Jos. Volgens Koopmans delen veel gasten die mening. “Maar dat geeft niet”, zegt de stafmedewerker. “Het gaat er in die eerste weken meer om weer structuur in hun bestaan te brengen, en ze zelfdiscipline aan te leren.”

Maximaal vier maanden duurt het verblijf in het opvangcentrum in het centrum van Dordrecht. Vervolgens wonen ze acht maanden in therapeutische boerderij het Anker aan een Dordtse dijk en de laatste fase heet de Brug: de gasten wonen dan, gemiddeld een tot anderhalf jaar, onder begeleiding op kamers in een huis in het centrum. Ongeveer de helft van de gasten verlaat voortijdig het opvangcentrum.

Van de ex-verslaafden die het hele Hoop-circuit hebben doorlopen - ongeveer veertig procent van de mensen die eraan begonnen lukt dat - is negentig procent jaren later nog drugsvrij en heeft een baan. Het behandelen van een gast kost het ministerie van WVC zo'n tachtigduizend gulden per jaar. Directeur T. Stortenbeker: “Dat is nog minder dan wanneer je zo iemand niet zou behandelen. De gemiddelde junk kost ons land drie ton. In dat bedrag zijn uitkeringen, doktersbehandelingen en de financiële schade die een criminele junk aanricht verwerkt. En detentiekosten zijn dan nog niet eens meegerekend.”

Christelijk hoeven de cliënten van De Hoop niet te zijn: wie zich aanmeldt is welkom. Koopmans: “Wij gaan ervan uit dat ieder mens een uniek schepsel van God is. Vandaar ook dat de therapie op het individu is gericht. Groepstherapieën waar de ex-verslaafden eerst emotioneel worden afgebroken om ze vervolgens weer in elkaar te zetten, zoals in veel klinieken gebeurt, daar houden wij niet van. Daar kun je mensen gek mee maken.”

Behalve aan een aantal regels, zoals het vloekverbod, merken de gasten volgens Koopmans in de therapieën weinig van het christelijke aspect van De Hoop. “Wij willen ze ook niet bekeren”, aldus de stafmedewerker. “Pas als de gasten erover beginnen, praten we erover.” Toch ziet een aantal gasten tijdens het verblijf op De Hoop het licht.

Martin (33): “Ik ben twintig jaar aan de drugs geweest. Slecht luisteren naar regels was mijn probleem, ik ben punker geweest, heb als anarchist bommen gegooid en heb wapens verkocht. Ik heb in een villa in Wassenaar gewoond, maar ik heb ook uit de asbakken van McDonalds gegeten. Ik zit nu bijna anderhalf jaar bij De Hoop. Een paar maanden geleden liep ik naar een staflid, ik vroeg hem hoe het kwam dat hij nooit uit zijn dak flipte of naar de fles greep, terwijl hij toch ook heel de dag in de stress zat. Toen begon die over het geloof te praten, en het greep me aan. Nu zou ik niet meer zonder kunnen.”