Verenigde Staten; De tweede milieupresident

De recente wereldmilieuconferentie in Rio de Janeiro heeft de Verenigde Staten geen groener imago bezorgd. Twee belangrijke verdragen - het zogeheten biodiversiteitsverdrag, dat de rijkdom aan natuurlijke soorten op aarde moet waarborgen, en het klimaatverdrag, dat de gevolgen van een mogelijk broeikaseffect moet beheersen - moesten het stellen zonder de handtekening van president Bush.

Het lijdt geen twijfel dat juist de VS fors bijdragen aan de hoeveelheid verbrandingsgassen en CFK's in de atmosfeer. Amerikaanse biotechnologische bedrijven dragen bovendien bij aan het uitsterven van dieren- en plantenleven door het winnen van grondstoffen en "genetisch materiaal', met name in Derde wereldlanden met een rijke flora en fauna, ten behoeve van farmaceutica en verededelde landbouwgewassen.

Het beperken van de uitstoot van kooldioxide vergde in Bush' optiek echter te zware offers van het bedrijfsleven, temeer daar het optreden van het broeikaseffect nooit onomstotelijk was bewezen. Bovendien verzette de Amerikaanse biotech-lobby zich tegen een compensatieregeling voor de leveranciers van het ruwe materiaal. Wanneer zij deze landen zouden moeten laten delen in hun nieuw-verworven kennis, en de winst die daaruit voortvloeit, zou dat onder meer een inbreuk betekenen op het Amerikaanse octrooirecht, redeneerde zij.

Andere landen hadden veel over voor de medewerking van de VS. Daarom zwakten zij - overigens niet geheel zonder soortgelijke eigen belangen te dienen - de beide verdragen sterk af, maar dat kon de regering-Bush uiteindelijk niet vermurwen. Veel westerse regeringsleiders reageerden “teleurgesteld”. De milieubeweging zei door de VS “vernederd” te zijn.

Vol verwachting werd daarom uitgezien naar de koers die nieuwe president Bill Clinton zal varen met zijn vice-president Al Gore, die in zijn boek Earth in the Balance (1992) onder meer voorstelde om te komen tot een "ecologisch Marshall-plan'. Dat Clinton zich gisteren bereid verklaarde het biodiversiteitsverdrag alsnog te willen ondertekenen en zich te willen vastleggen op strenge emissienormen voor alle "broeikasgassen', is daarvan een eerste teken.

De milieubeweging en de officiële milieuagentschappen hebben enthousiast gereageerd. “Iedereen heeft precies gekregen wat hij wilde”, zei een woordvoerder van het onder Clinton tot een ministerie opgewaardeerde "bureau' voor milieubescherming. Het verdrag dat Clinton nu onderschrijft is echter een zwakke afschaduwing van het verdrag dat veel andere landen en particuliere milieubeschermers zich aan het begin van "Rio' hadden voorgesteld. Schadeloosstelling van de leveranciers van genetisch materiaal is daarin slechts in zeer algemene termen vastgelegd, terwijl de bevoegdheden van farmaceutische multinationals nauwelijks aan banden zijn gelegd. Bovendien is in de tussentijd in de VS een wet aangenomen die bedrijven beschermt tegen de de "grensoverschrijdende effecten' van de ontwikkeling van en handel in biotechnologie beperkt. Stel dat een genetisch gemanipuleerde graansoort de talloze inheemse granen van - bijvoorbeeld - Peru zou verdringen, om daarna door een verborgen gebrek zelf weer ten onder te gaan, zijn de gevolgen daarvan voor Peru.

Ook de praktische mogelijkheden van de tweede environmental president - ook Bush noemde zich zo - zouden wel eens beperkt kunnen zijn. In het Congres, in het bedrijfsleven en bij de gemiddelde Amerikaan bestaat veel weerzin tegen radicale milieumaatregelen zoals een energiebelasting, strenge afvalwetten, gebruik van recyclebare gronstoffen, en het wijzigen van wetten die het gebruik van land aan banden leggen, zoals de vrijmoedige mijnbouwwet die meer dan een eeuw geleden werd ingevoerd.

Een poging om de Amerikaanse burger ervan te overtuigen dat hij zijn auto moet laten staan om de wereld te redden heeft op zichzelf vermoedelijk weinig zin. Daarom appelleerde Clinton gisteren dan ook vooral aan pragmatische overwegingen: een groter milieubewustzijn leidt op termijn tot grotere welvaart; de kern van het begrip "duurzame ontwikkeling'. Dat zou Amerikaanse bedrijven ertoe kunnen brengen te investeren in "schone' technologie, die tevens een belangrijk exportartikel zou kunnen worden. Clinton repte gisteren optimistisch van een "groeimarkt' van 200 miljard dollar.

En hoe Clinton het bedrijfsleven zonder vergaande overheidssubsidies zover wil krijgen om de uitstoot van kooldioxide in zeven jaar met dertien procent (1,6 miljard ton) te verminderen is nog volstrekt onduidelijk, temeer daar de statistieken juist een groei voorspellen. De minister van milieu Hazel O'Leary verklaarde gisteren geruststellend dat het daarvoor ook “nog te vroeg” is.