Psychiater wordt niet vervolgd; Aan hulp van artsen bij levensbeëindiging moeten extra eisen worden gesteld

ASSEN, 22 APRIL. De Haarlemse psychiater die in Assen terechtstond wegens het verlenen van hulp bij zelfdoding is gistermiddag door de rechtbank ontslagen van rechtsvervolging. Het openbaar ministerie gaat in hoger beroep.

De Tweede-Kamerleden Van der Burg (CDA) en Swildens (PvdA) willen nu dat extra eisen worden gesteld aan hulp van artsen bij levensbeëindiging van psychiatrische patiënten of hulp bij hun zelfdoding. In het proces zei Van der Burg al dat als extra zorgvuldigheidseis aan de bestaande criteria zou moeten worden toegevoegd dat een tweede arts de patiënt ziet.

De rechtbank acht de psychiater niet schuldig aan hulp bij zelfdoding in september 1991 van een 50-jarige vrouw uit Ruinen. De rechtbank zegt in het vonnis dat de keuze die de psychiater maakte om tegemoet te komen aan de hulpvraag van de vrouw “redelijkerwijs en gelet op de specifieke omstandigheden van dit geval als gerechtvaardigd beschouwd mag worden”.

De vrouw kwam tot haar verzoek nadat zij haar twee zoons verloren had en haar huwelijk was stukgelopen. Zij wilde al vanaf 1986, toen haar eerste zoon zelfmoord pleegde, niet verder leven. Toen in 1991 ook haar tweede zoon overleed, aan kanker, zag zij geen enkele bestaansreden meer. Uit onderzoek van de psychiater kwam vast te staan dat zij zichzelf in ieder geval zou doden. Zij was bij de medicus gekomen om een naar haar mening waardige dood te sterven. Nadat hij tevergeefs getracht had haar over te halen tot een behandeling stemde de psychiater erin toe haar te helpen. Dat gebeurde nadat hij zes deskundigen had geconsulteerd, en in aanwezigheid van een andere arts. De rechtbank concludeert dat de psychiater uiterst zorgvuldig en medisch verantwoord te werk is gegaan.

De vraag of de vrouw al dan niet psychisch ziek was, is volgens de rechtbank niet relevant. Het gaat in hoofdzaak om de vraag of haar lijden ondraaglijk en uitzichtloos was en om de vraag of haar verzoek om hulp bij haar dood in vrijheid en weloverwogen is gedaan. Volgens de rechtbank was er sprake van “een duurzaam en voor haar ondraaglijk en uitzichtloos lijden”.

Officier van justitie mr. R. Drenth had een jaar voorwaardelijke gevangenisstraf geëist. Hij vindt dat de psychiater de grenzen van het maatschappelijk toelaatbare heeft overschreden door de vrouw een duidelijke medicatie te verschaffen. Volgens de officier zou het juister zijn geweest als de vrouw door andere deskundigen zou zijn onderzocht. De rechtbank neemt dat standpunt niet over. Volgens het vonnis zal “van geval tot geval” beoordeeld moeten worden of een "second opinion' nodig is. De zeven consulenten die zijn geraadpleegd zijn “allen zeer ervaren en deskundig op hun vakgebied. Zij zijn unaniem in hun oordeel dat de psychiater uiterst zorgvuldig en deskundig te werk is gegaan”.