Potsdam viert duizendjarig jubileum; Goud zoeken tussen de ruines

In het "Versailles van Berlijn' staan honderden monumenten op instorten. Zwammen groeien uit eeuwenoude muren, regen klettert door lekke daken naar binnen en in belvédères worden fikkies gestookt. Potsdam viert haar duizendjarig bestaan, maar aan de vooravond van de opening van het jubileum is een strijd ontbrand tussen gemeentebestuur en Monumentenzorg. Wie betaalt de erfenis van veertig jaar DDR-verwaarlozing?

Zuurkool en bruinkool: daar ruikt Potsdam naar, vroeg in de morgen als de kou van de nacht nog niet weg is getrokken. Wie thuis kan blijven, port het vuur hoog en zet het eten op voor de middag. Wie moet werken, klit kleumend samen rond een Imbib en verslindt een warme worst, voordat de bus of trein vertrekt. Potsdam, hoofdstad van Mark Brandenburg en vroegere residentiestad van de Hohenzollerns, lijkt leeg te lopen 's ochtends vroeg. Met een werkloosheidscijfer van acht procent op 142 duizend inwoners heeft de stad het in vergelijking tot andere vroegere DDR-steden goed getroffen. Berlijn boomt en Potsdam pikt graag een graantje mee. Bussen en ook de S-Bahn naar het centrum van Berlijn: alles zit vol forenzen. Trabantjes hoesten in vaal pastel over de Lange Brücke de stad uit, een opstopping van snellere BMW's en Volvo's achter zich veroorzakend. Aan het eind van de dag dezelfde kolonne, dan in tegenovergestelde richting.

De tussenliggende tijd is de stad, en met name Sanssouci, het domein van toeristen. In campers en touringcars zijn Japanners, Fransen en veel Ossi's aan komen rijden via de Glienicker Brücke, de oude contrôlepost in het noorden van de stad. Ze zwermen uit over het honderden hectaren grote 'Versailles van Berlijn'. Slot Sanssouci, tussen 1745 en 1747 gebouwd door de 'verlichte' Frederik de Grote, heeft aan het eind van de dag het maximum aantal van tweeduizend transpirerende, tastende bezoekers op vilten pantoffels te verwerken gehad. Een veelvoud hiervan heeft in de tuinen eromheen vertoefd, zich vergaapt aan het buitenissige barokke paleis aan de andere kant van het park of, vervuld van Pruisische trots, een bloem op het graf van Frederik gelegd. Dat is Potsdam. Of toch niet?

De stad aan de Havel bestaat duizend jaar. Als het aan SPD-burgemeester Horst Gramlich en de projectgroep 'Potsdam Tausend' ligt, wordt dit jubileum op grootse wijze gevierd. Onder het motto 'Potsdam ist mehr als Sanssouci' zal de bezoeker worden aangespoord om zijn blik van Sanssouci af te wenden en op het stadscentrum zelf te richten. Op winkels en cafés en op de monumenten: Schinkels classicistische Nikolaikirche, het oude stadhuis, Knobelsdorffs Obelisk en het achttiende-eeuwse "Holländische Viertel' dat dit jaar haar tweehonderdvijftigste verjaardag viert.

De "Allee nach Sanssouci' is de hoofdverbinding tussen het terrein van de keurvorst en het centrum. Een straat met een veelbelovende naam die in schril contrast met de realiteit staat. Een armetierige steeg is het, met gaten in het wegdek, bouwvallige huizen en bouwterreinen die voorlopig vuilnisbelt en parkeerplaats zijn.

De fruitverkoper in zijn kraampje aan het begin van de "Allee' is woedend. Verjaagd van zijn oude stekkie bij de Brandenburger Tor omdat hij “het straatbeeld zou verpesten”, staat hij nu in het zand voor een instortende Verkaufsecke uit de DDR-tijd. Sinds Die Wende worden hier geen versnaperingen meer geserveerd. De terrasuitrusting ligt achter hem weg te roesten onder de bomen. Niets wordt gerestaureerd. “Een ellendige plaats voor een vrije ondernemer”, moppert hij.

De Verkaufsecke is nooit met enige artistieke pretentie gebouwd, maar maakte deel uit van het 'proletariseringsprogramma' dat in de DDR-jaren in Potsdam werd doorgevoerd. In 1959 week het barokke Stadsslot voor een vierbaanskruising, in 1968 werd de eeuwenoude Garnisonkirche opgeblazen om plaats te maken voor een modern rekencentrum en in 1969 verrees een veertien verdiepingen hoog Interhotel aan de oever van de Havel - midden in het zicht van de Nikolaikirche. Het oude stadscentrum was na deze 'socialistische saneringen' onherkenbaar verminkt.

Toch heeft Potsdam niet te klagen over monumenten. Of liever gezegd, er wordt wel geklaagd - door het gemeentebestuur - maar dan over het teveel aan monumentale panden, paleizen, landschapstuinen, belvédères, follies en kerken. Een in 1991 opgestelde lijst spreekt van 1105 wettelijk beschermde monumenten. Maar eigenlijk zijn het er veel meer, want Sanssouci, Babelsberg en de Neuer Garten tellen met al hun paleizen maar voor één. En al deze gebouwen, binnen en buiten de historische stadskern, vereisen dringend onderhoud. Onderhoud dat veertig jaar lang achterwege is gebleven.

Het park en de sloten van Sanssouci zien er relatief goed onderhouden uit, al vertelt de directeur van de Stichting Paleizen en Tuinen Potsdam-Sanssouci dat de ondergrondse waterhuishouding van het park en de verwarming van de paleizen en kassen dit jaar vernieuwd moeten worden. Bij het eveneens onder het beheer van de stichting vallende Marmorpalais, sprookjesachtig gelegen aan de oever van de Heiliger See in de Neuer Garten, is nu daadwerkelijk begonnen met de vervanging van het lekke dak en de restauratie van het beschadigde marmer. Geschatte kosten: ruim twee miljoen mark. Van het paleis zelf zijn al jarenlang alleen de vage omtrekken tussen de steigers door te zien. Openstelling voor publiek wordt pas in 1996 verwacht.

Op de top van de Pfingstberg ligt een van de zwartste getuigen van veertig jaar DDR-verwaarlozing: de uit het begin van de negentiende eeuw stammende Belvédère, waarvan de torens boven de bomen uitsteken en waar vanaf je - zo staat in de reisgids - bij helder weer naar Berlijn, Spandau en soms zelfs naar Brandenburg kijken kon. Nu is de Belvédère een "sfeervolle' rune in een verwilderd park. Er zijn fikkies gestookt, brokken siersteen zijn van de trans naar beneden gestort, gaten in de muren en toegangsdeuren provisorisch volgestopt met cement. Iedere vierkante meter is bedekt met Russische graffity van soldaten die onderaan de berg zijn ingekwartierd. Het blauw-witte bordje "Denkmal' doet lachwekkend aan.

Volgens Andreas Kalesse, hoofd van de afdeling Monumentenzorg in Potsdam, zijn de kosten voor de restauratie van de Belvédère te schatten op een slordige twintig miljoen mark. Een sponsor heeft zich nog niet gemeld.

Kalesse zetelt met zijn afdeling in een monumentaal pand in een achttiende-eeuwse buurt die beter bekend staat als de "tweede barokke stadsuitbreiding'. Ingeklemd tussen de Breite Strabe en de Hegel Allee, is de wijk tot urgent saneringsgebied verklaard. Een op de zeven huizen hier is onbewoonbaar verklaard. Bij panden in de Mittel-, de Gutenberg- en de Jägerstrabe stroomt de regen door het dak naar binnen. Zwammen groeien uit de muren, deuren en kozijnen zijn verrot, muren vertonen gaten en scheuren. Krakers nestelen zich er, verven de gevels in tien kleuren, beginnen er cafés en galeries, en voeren actie tegen grond- en huizenspeculanten. "Gramlich weib was Spekulater wissen' staat op een dichtgetimmerd huis aan de Lindenstrabe. En vlak daarnaast: "Kaminski 4-teilen'. Het is duidelijk: Detlef Kaminski - gemeenteraadslid voor stedebouwkundige ontwikkelingen - en burgemeester Gramlich zijn bepaald niet geliefd in de Potsdamse krakersscene. Ook tussen Monumentenzorg en het gemeentebestuur botert het de laatste tijd niet. Aan de vooravond van de opening van het jubileumjaar heeft zich een strijd ontbrand met als inzet de monumenten van Potsdam.

De problemen waar de gemeente zich mee geconfronteerd ziet zijn legio. Een bijna lege kas, ruim tienduizend woningzoekenden, een kapitalen verslindend arsenaal aan wrakkige monumenten, duizenden panden waarvan de eigenaar zich nog niet heeft gemeld en die tot die tijd niet gerenoveerd kunnen worden, en explosief stijgende grondprijzen. Waarom dan geen particuliere investeerders in de arm nemen, die staan te trappelen om aan Berlijns toekomstige goudkust appartmenten te bouwen en bedrijven te vestigen? En waarom zelfs niet sommige monumenten doodgewoon slopen of oude wijken volbouwen? In Der Tagesspiegel zei Kaminski het onlangs zonder omwegen. “Het is de vraag of Potsdam zich zoveel monumenten kan permitteren.[-] Zelfs in rijke gemeentes in het Westen zijn historische stadskernen helemaal afgebroken. Maar van ons verlangt men om, met een lege beurs, duizenden monumenten als uitzonderingsobjecten te behandelen.”

Het verwijt van de gemeente aan Kalesses Monumentenzorg is dat ze "een investerings-vijandig klimaat' zou kweken met al haar restauratie-reglementen. “We verzetten ons tegen schone schijn,” zegt Kalesse op zijn werkkamer. “Je kunt niet zo maar een kunststof kozijn in een trapgevelpandje in het Holländische Viertel plaatsen. Achter een barokke gevel mag geen interieur uit het atoomtijdperk schuilgaan, vinden wij. Dat ervaren boetiekhouders en café-eigenaren als lastig.”

Gelukkig voor Kalesse heeft hij een wet voor monumentenbescherming om op terug te vallen, al staat deze onder sterke druk. Ook het feit dat de UNESCO eind 1991 Potsdam en haar omgeving als een Gesamtkunstwerk op de lijst voor Wereld-Cultuur-Erfgoed plaatste, betekent voor hem een steun in de rug. Maar wat levert dit in de praktijk op? In 1991 kreeg Kalesse nog vier miljoen mark, in 1992 was dit verminderd tot een miljoen en dit jaar vreest hij een verdere bezuiniging van vijf ton.

“Voor Monumentenzorg wordt het jubileumjaar een jaar van rouw,” zegt hij. “Het stadsbestuur denkt alleen in termen van hijskranen en arbeidsplaatsen. Het wederopbouw-gevoel herleeft en daar passen geen monumenten bij. Monumentenzorg ziet men als een luxe-probleem, als iets dat de "vooruitgang' belemmert. Steeds weer worden de oude retorische frasen van stal gehaald - 'brood op de plank', 'woonruimte en werk voor iedereen'. Men zinspeelt op gevoelens van angst en onzekerheid bij de bevolking en schetst alleen korte termijn-oplossingen. Hoe je binnen een jaar van een mark honderd maakt. Dat is heel eenvoudig hier in de stad. Maar men vergeet dat het kapitaal van Potsdam op lange termijn juist ligt in de monumenten die men wil slopen of laat verpieteren. Waarom komen de mensen naar Potsdam? Niet voor ons verschrikkelijke busstation of ons lelijke hotel, maar voor de kunst, de paleizen, de oude huizen en ons prachtige parklandschap. Frederik de Grote zei het al in 1758: "Potsdam, Potsdam, das brauchen wir, um glücklich zu sein'. Dat willen wij graag zo houden.”