Op de lange baan

AAN DE ANALYSE ligt het, zoals gebruikelijk, niet. De eerste 53 pagina's van de rapportage van de secretarissen-generaal over de organisatie en inrichting van de rijksdienst schetsen een onthullend en een zo nu en dan macaber beeld van de Haagse besluitvorming.

Nieuw is het allemaal niet, de problemen zijn immers bekend; het is vooral de toonzetting en nog belangrijker: de auteurs maken het stuk zo interessant. Eerdere rapportages over het disfunctioneren van de overheid kwamen van betrokken buitenstaanders zoals Vonhoff en Tjeenk Willink. Maar nu is het het apparaat zelf dat de knelpunten aanwijst en voorstellen doet voor verbetering. Als de ambtelijke top veranderingsgezind is, zou het toch moeten lukken.

Op politiek niveau was die bereidheid er ook al. Ambitieus waren de voornemens van PvdA en CDA zoals ze beschreven stonden in hun regeerakkoord van 1989. De reorganisatie van de rijksdienst zou opnieuw inhoud worden gegeven. De fantasieloze kaassschaafmethode werd vervangen door termen als grote efficiency en decentralisatie-impuls. Maar het bleef bij deze containerbegrippen, zodat vanuit de ambtenarij herhaaldelijk moest worden gevraagd om de politieke uitgangspunten van de gewenste reorganisatie.

ENKELE BESTUURSJAREN rijker is er bij de ministers weinig meer over van het elan van weleer. Slechts weinigen wisten niet weg te zakken in het Haagse moeras van departementale belangen. Het resultaat is dat in overwegende mate wordt gekozen voor reparatie van de gebreken in plaats van voor vernieuwing. In een brief aan de Tweede Kamer schrijft minister Dales van binnenlandse zaken dat het kabinet hoge prioriteit geeft aan de grote departementale en interdepartementale operaties die nu gaande zijn. Herindeling van departementen zou slechts een aanvulling op deze reorganisatie moeten zijn.

Het is niet meer dan een eufemisme voor het op de lange baan schuiven van de zo gewenste opschoning. Natuurlijk moet departementale herindeling geen doel in zichzelf worden, maar de praktijk tot nu toe heeft bewezen dat alleen dergelijke ingrijpende wijzigingen die vluchtgedrag minimaliseren, werkelijk effect sorteren. Het argument dat departementale herindeling verstorend werkt op de al in gang gezette operaties, doet dan ook wat gewrongen aan. Wat dat betreft maakt de hoogste ambtenaar van het ministerie van economische zaken, professor Geelhoed, in de nog niet door zijn collega's gekuiste versie van de ambtelijke rapportage korte metten met een dergelijke redenering. “In grote marktorganisaties zijn organisatorische aanpassingen een vast bestanddeel van het dagelijks bestaan”, schrijft hij.

In het kabinet is over de noodzaak van departementale herindeling nu dezelfde discussie ontstaan als in de ambtelijke top. In die zin is de brief die minister Dales naar de Kamer heeft gestuurd niet meer dan een voortgangsrapportage, en het is te hopen dat de ministers alsnog van hun departementen los raken en met het oog op de komende kabinetsformatie een gedurfder opstelling kiezen.

TEGELIJKERTIJD wordt ook een discussie over de positie van de minister-president urgent. De secretarissen-generaal komen in hun stuk niet verder dan de aanbeveling om de coördinerende rol van de premier te versterken door hem agenderingsbevoegdheid te geven. Een bevoegdheid die hij strikt genomen volgens het reglement van orde van de ministerraad al heeft. Het is dan ook een zeer subtiele nuancering waardoor de minister-president de mogelijkheid krijgt de individuele verantwoordelijkheid van een minister te doorbreken. Maar als het zover komt dat de premier van die bevoegdheid gebruik moet maken, is een ministerscrisis waarschijnlijk aanstaande.

Node ontbreken in het stuk van de secretarissen-generaal en ook in de brief van minister Dales aanbevelingen om, in het licht van de Europese eenwording, de rol van de premier wezenlijk te versterken. Met het vertrek van Van den Broek naar Brussel mag de discussie hierover zijn geluwd, het probleem is er nog wel degelijk. Nog steeds kan de minister-president in Europees verband formeel niet verder gaan dan het mandaat dat hem in de ministerraad is verstrekt.

Als de werkelijkheid is veranderd, dient dat te worden vastgelegd. Ook hier geldt dat een kabinetsformatie het geëigende moment is om daarover afspraken te maken.