Leven in de rivier

"God schiep tussen hemel en aarde

Kekerdommers en Millingnaren,

Uit het kaf en de rest

de Milieurakkers uit de west.'

Aan de voet van de dijk, in het Wapen van Kekerdom, blinkt het koper je tegemoet. Achter de glimmend gewreven tapkast wachten waard en waardin op hun hoge gasten. Straks zullen Staatsbosbeheer en het Wereldnatuurfonds hier een samenwerkingsovereenkomst ondertekenen als startsein voor het veelbesproken plan "Levende Rivieren'. Uit een krakende video rept een algemeen beschaafde stem van de aanwezige, ""kwalitatief reeds zeer hoogstaande natuurwaarden'' hier pal voor de deur. Buiten in de uiterwaard zijn arbeiders van Staatsbosbeheer nog druk bezig om op een strategisch punt niet te diep in de blubber een stevig hekwerk neer te zetten met het laatste prikkeldraad dat Ed Nijpels, voorzitter van het Wereldnatuurfonds, over een uurtje symbolisch mag doorknippen. ""Maak het stevig'', wordt er geroepen, en ""laat hem maar zweten.''

Gelderse Poort

De Gelderse Poort heet het grensoverschrijdend rivierenland tussen Arnhem, Nijmegen en Emmerich. Hier komt de Rijn ons land binnen en vertakt hij zich in Waal, Neder-Rijn en IJssel. De Provincie Gelderland heeft plannen om hier 3.000, en misschien zelfs 10.000 hectare natuurontwikkelingsgebied in te richten en als de Duitse plannen daarbij worden opgeteld valt zelfs aan 30.000 hectare te denken (30 bij 10 kilometer). Planten en dieren die zich hier in de top van de Rijndelta vestigen, zullen vanzelf stroomafwaarts nieuwe natuurgebieden in de rest van ons land veroveren, zo luidt de filosofie.

Bij de Landinrichting Ooypolder, die de komende tien jaar zijn beslag moet krijgen, wordt alvast rekening gehouden met de nieuwe plannen. Boeren die nog land in de uiterwaarden hebben krijgen met voorrang nieuwe ruilgronden elders aangeboden. Zo komt in de Ooypolder 1800 hectare natuurgebied langs de beide Waaloevers voor natuurontwikkeling beschikbaar.

Ga maar naar huis

Staatsbosbeheer bezit her en der in de Gelderse Poort zo'n 800 hectare verspreid liggende natuurterreintjes en liep al langer met plannen rond om die wat "moderner' te gaan beheren. Vandaar de samenwerking met het Wereldnatuurfonds dat de Millingerwaard, het uiterwaardengebied voorbij Nijmegen richting Duitse grens, heeft uitgekozen als "voorbeeldproject' van natuurbeheer in eigen land. Actievoerders van de organisatie die ver van huis adviezen uitdeelden over het beheer van beesten als olifant, neushoorn en panda, stootten steeds vaker hun neus. ""Ga maar naar huis, bij jullie thuis is zelfs de haring bedreigd'' kregen ze dan te horen. ""We kunnen ons nergens meer vertonen. Nederland is natuurlijk ook een ecologisch rampgebied!'', erkent Leen de Jong van het Wereldnatuurfonds (WNF). Het WNFis nu bezig om in de Millingerwaard boerenland rond terreintjes van Staatsbosbeheer aan te kopen. Van een maisakker, die twee jaar geleden middenin het natuurgebied werd aangekocht, werd een dikke laag klei afgegraven en een half jaar later werden er al 180 soorten wilde planten geteld.

Inmiddels is al 70 tot 80 kilometer prikkeldraad opgerold en er zijn wildroosters geplaatst. Kuddes koniks, halfwilde paarden, en zwarte Galloway-runderen mogen het nieuwe, 140 hectare grote aaneengesloten gebied nu naar eigen inzicht gaan begrazen en ook wandelaars zijn welkom. De bordjes "verboden toegang' zijn weggehaald. Speciale attracties zijn de ooibossen en de stuivende rivierduinen, die hier in de Millingerwaard wel tien meter hoog worden en daarmee de hoogste in ons land zijn. Door zomerdijken te openen en nevengeulen in de uiterwaarden te graven wil men de rivier weer vrij spel geven.

Kikkers

Vroeg in het voorjaar heeft het ooibos veel weg van een eigentijds sprookjeswoud. Het prille groen zit vol fluitende vogels. Er liggen stokoude wilgen, begroeid met mos. Het dijkje langs de kleiput is glibberig, er vallen dikke druppels in je nek en overal hopsen kikkers rond. Een van de fotografen in ons gezelschap plukt triomfantelijk een grote groene pad uit het struweel. De gesoigneerde persvoorlichtster van Staatsbosbeheer pakt het klamme beest zonder blikken of blozen aan en houdt hem voor de lens. ""Goh'', verzucht de fotograaf, ""jij bent een van de eerste vrouwen in mijn leven die een pad voor me wil vasthouden.'' De collega van Trouw, die graag wil weten of hier al genoeg kikkers zitten voor de zwarte ooievaar, moet helaas worden teleurgesteld. ""Daarvoor heb je er echt miljoenen nodig, bij elke stap vijf kikkers, zoals in de Duitse uiterwaarden'' zegt bioloog Wouter Helmer. Hij is namens een particulier hydrobiologisch adviesbureautje aan het Wereldnatuurfonds uitgeleend en kent dit gebied op zijn duimpje. Temidden van tjiftjaf, zanglijster en vink onderscheidt hij moeiteloos de eerste fitis van het jaar en vervolgens ook de blauwborst, een voor Nederland tamelijk uniek moerasvogeltje dat zich vanuit de Biesbosch nu met vijf tot tien broedparen in de Millingerwaard heeft genesteld. Volgens Helmer is dit een van de vogelrijkste bosjes van Nederland. Verder zijn hier 15 van de 30 Nederlandse pissebedsoorten te vinden en zojuist heeft een enthousiaste amateur daar zelfs een nieuwe, in ons land nog niet eerder waargenomen soort aan toegevoegd.

Krabbescheer

Botanisch is het gebied niet echt bijzonder. Vermeldenswaard is de krabbescheer, die alleen nog te vinden is in enkele kleiputten die door helder grondwater worden gevoed. Het is de bedoeling om de toekomstige waterhuishouding zo in te richten dat geïsoleerde waterplassen, die gevoed worden door schoon kwelwater, niet met het vuilere rivierwater in contact zullen komen omdat anders allerlei waardevolle soorten verdwijnen.

Er komen in de Millingerwaard zeven of acht soorten wilgen voor, waaronder de amandelwilg, een schubbige struikwilg, en de schietwilg waar de buidelmees graag zijn nest aan vlecht. Wilgebossen zijn bijzonder rijk aan allerlei mos- en korstmossoorten. Om de slaapmossen, typerend voor oude wilgebossen, is even een hekje gezet, want anders eten de koniks ze op. Wilg en populier vallen onder het zachthoutooibos. Daarnaast vind je hier in de buurt het enige echte natuurlijke hardhout-ooibos, gevormd door iep en abeel. Het bijzondere aan ooibossen is dat ze bestand zijn tegen waterstandsschommelingen van meer dan tien meter. Pal aan de rivieroever staan enkele zwarte populieren als een soort mangrovebomen met hun steltwortels in de branding. Om daar de kudde blonde koniks met in hun midden het pasgeboren veulen langs te zien stuiven is een adembenemend gezicht.

De dieren lopen zomer en winter buiten. Sommige plekjes worden zeer kortgegraasd en andere gemeden. Zo ontstaat een afwisselende begroeiing met grasland, struweel en bos. Met één grote grazer per drie of vier hectare is de "graasdruk' hier tienmaal lager dan op commercieel weiland. De dieren vinden het hele jaar genoeg te eten, zodat bijvoeren niet nodig is.

Als je de uiterwaarden helemaal met rust zou laten, zou er een dichte wilgenjungle ontstaan. Volgens voorschriften van Rijkswaterstaat echter mag niet meer dan een beperkt percentage van de uiterwaarden bebost zijn, omdat anders de stromingsweerstand van de rivier die in de winter buiten haar oevers treedt, te hoog wordt. Hoe meer dieren er grazen, hoe minder bos en hoe meer grasland er ontstaat. Zo hopen de beheerders via de grote grazers de begroeiing van het gebied enigermate te sturen. Het Wereldnatuurfonds studeert nog op mogelijkheden om naast paarden en koeien ook oorspronkelijke grazers als edelherten en elanden terug te halen. Als de dijken worden doorgestoken en het rivierwater ruim baan krijgt, vinden de dieren een soort hoogwatervluchtplaatsen op de hoge rivierduinen, die droog blijven. Dat is wel iets wat ze moeten leren. Ze boffen dat ze aardig kunnen zwemmen.

Ontkleien

De grote motor achter de natuurontwikkeling in het uiterwaardengebied vormt de ontkleiing. Volgens de plannen moeten de oude nevengeulen van de rivier, die met metersdikke kleilagen zijn opgeslibd, weer subtiel worden afgegraven, zodat het water hier weer vrij spel krijgt. In de geulen ontstaan zand- en grindbanken, waar vissen kunnen paaien, en er hoopt zich levend en dood hout op, in de natuurplannen aangeduid als "klinkhout'. Daarop vestigen zich bodembewonende algen en andere kleine waterorganismen die voedingsstoffen uit het voedselrijke rivierwater filteren en daarmee een essentiële schakel in de voedselketen vervullen. Zij worden op hun beurt namelijk gegeten door vissen, die zelf weer worden gegeten door roofvissen en vogels. Door het verdwijnen van bodembewonende algen en filteraars uit het rivierengebied is volgens biologen een essentiële schakel in de voedselketen gebroken en daardoor zouden vele soorten uit het rivierenlandschap zijn verdwenen. Ongetwijfeld heeft de slechte waterkwaliteit daarbij een rol gespeeld. Het uiterwaardenslib staat bekend als klasse drie, wat wil zeggen dat het zozeer vervuild is dat het niet zomaar mag worden gestort. Het is een reden waarom sommige boeren wel weg willen uit de uiterwaarden.

Nevengeulen

Nu de waterkwaliteit van de Rijn verbetert, vindt het Wereldnatuurfonds de tijd rijp om de uiterwaarden te ontkleien en de oorspronkelijke biotoop te herstellen. In het plan "Levende Rivieren" dat in november vorig jaar werd gelanceerd wordt bepleit om in het hele rivierengebied de oude nevengeulen in ere te herstellen. Vissen zouden dan weer onbelemmerd kunnen trekken zonder dat daarvoor dure kunstmatige vistrappen nodig zijn. Door het graven van de nevengeulen zou op andere plaatsen in de uiterwaarden de invloed van de kwel toenemen, wat gunstig is voor de plantengroei.

Als de uiterwaarden natter worden, kunnen drinkwatermaatschappijen daar op den duur wellicht meer (vanuit de rivier genfiltreerd en in de bodem al enigszins voorgezuiverd) oppervlaktewater gaan winnen in plaats van het schaarse grondwater van elders op te pompen.

Groot voordeel van het ontkleien is volgens de natuurbeschemers dat de waterstand in de rivieren daardoor zou dalen. Als er twee meter klei uit het rivierbed wordt afgegraven, neemt het waterbergend vermogen van de uiterwaarden toe. Volgens voorlopige berekeningen van het Waterloopkundig Laboratorium zou het Maatgevend Hoogwater - waarop de dijkhoogten zijn afgestemd - maar liefst anderhalve meter dalen. Dat roept de vraag op of dijkverzwaring dan nog wel zo hard nodig is. Inmiddels hebben de schippers al laten weten fel tegen zulke plannen gekant te zijn. Zij knokken juist voor een paar centimeter waterstandsverhoging om extra laadvermogen te krijgen. Om de waterstand in de diepste vaargeul op peil te houden zou de rivier met 30 tot 40 meter moeten worden versmald door verlenging van de kribben. De schippers voelen daar niets voor.

Of de waterstand werkelijk zoveel daalt als nu beweerd wordt, valt nog te bezien. Rijkswaterstaat is inmiddels in de uiterwaarden van de IJssel bij Olst begonnen met het graven van enkele experimentele nevengeulen. Onderzocht wordt wat het effect daarvan is op de stroomsnelheid van de rivier. Bij geringe stroomsnelheid kan de rivier dichtslibben, hetgeen de scheepvaart belemmert.

Het plan is om de afgegraven klei te verkopen aan de baksteenindustrie. Als het hele plan "Levende Rivieren' zou worden uitgevoerd, wat niet waarschijnlijk is, kan de baksteenindustrie daarmee 60 jaar vooruit en daarmee valt een groot deel van het plan te financieren. Baksteenfabrikanten en grindwinningsbedrijven weten niet wat hun overkomt. ""Vijf jaar geleden golden ze nog als halve criminelen en nu zijn ze ineens de grote redders van de natuur'', gniffelt hydrobioloog Wouter Helmer.

Kraamkamers

De kleiputten in de Millingerwaard dienen als kraamkamers voor jonge vis. Het wemelt er van de watervogels. Aalscholvers vliegen af en aan, er zijn hier 1400 "aalschoverslaapplaatsen'. Aan de overkant van de Waal, bij Pannerden, bevindt zich hun broedkolonie. 's Winters zitten hier tienduizenden grauwe ganzen, de meeste daarvan zijn begin maart al weer naar het hoge noorden vertrokken. Overigens betekent het omvormen van de uiterwaarden naar bosgebied dat ganzen en eenden daar op den duur minder te zoeken hebben.

Een eindje verderop, middenin het natuurgebied waarvan de eigenaren inmiddels zoveel rasters hebben opgeruimd, stuiten we ineens op een geëgaliseerd, vierkant afgerasterd veldje met bordjes ""Pas op! Schrikdraad!'' Het schrikdraad moet de grote grazers buitensluiten. Dit veldje is namelijk als voerakker bestemd voor fazanten, reeën en konijnen die beheerd worden door de Stichting Behoud Natuur- en Leefmilieu, het nieuwe jasje van de jagers. Een argeloze fazant speelt met zijn leven door zich vanuit het natuurgebied, waar niet gejaagd wordt, op dit voerakkertje te wagen en aan de graanplanten te knabbelen. De Stichting Behoud Natuur- en Leefmilieu beheert hier in de omgeving zo'n 200 tot 300 hectare boerenland. Leden van de stichting sluiten overeenkomsten met boeren, waarbij ze bijvoorbeeld voor het knotten van wilgen zorgen in ruil voor de jachtrechten. Voor het Bureau Beheer Landbouwgronden is samenwerking met de Stichting Behoud Natuur- en Leefmilieu aantrekkelijk, omdat de overheid dan geen beheersvergoedingen aan de boeren hoeft te betalen in ruil voor natuurbeheersmaatregelen.

Miljarden

Volgens Leen de Jong van het WNFkosten de landbouwoverschotten de Europese belastingbetaler miljarden guldens per jaar. Dat geld zou beter besteed kunnen worden om overtollige landbouwgronden een natuurbestemming te geven. Bovendien schrijven internationale normen voor dat een land voor minstens 10 procent uit pure natuur moet bestaan als men plant- en diersoorten duurzaam wil laten voortbestaan.

In Nederland beslaat de natuur op dit moment, naaldbossen inbegrepen, hooguit 3 tot 4 procent. Er zou dan ook volgens het WNFde komende tien jaar 2000 vierkante kilometer (200.000 hectare) nieuwe natuur bij moeten komen. Hiervoor is tien jaar lang 1 miljard gulden per jaar nodig. De organisatie is met bankconsortia in gesprek en is naarstig op zoek naar sponsors uit het bedrijfsleven. Voor de Gelderse Poort zijn 12 sponsorprojecten beschikbaar, variërend van het aantrekken van een beheerder of voorlichter tot de herintroduktie van edelhert of bever. In totaal gaat het om vijf miljoen gulden. Het kleinste project, de terugkeer van de steur, is begroot op 45.000 gulden.

Zeearend

Met het grootste project, de terugkeer van de zeearend, is mede vanwege de lange duur, bijna een miljoen gemoeid. De tegenprestaties verschillen per project, in nauw overleg met de sponsor. Een vogelschuilhut bijvoorbeeld kan best een bordje met de naam van de gulle gever krijgen, maar een eland kun je moeilijk met het logo van zijn sponsor laten rondlopen.

Wie moeite heeft om zich na het aanhoren van al deze mooie plannen los te rukken uit de Millingerwaard kan het afscheid nog even uitstellen door terug te rijden langs het kronkelende oude dijkje. De zon schijnt volop en het miegelt hier van de leuke vogels. Amper drie kilometer stroomafwaarts wordt de illusie ineens wreed verstoord. Bij Erlecom wordt de dijk verzwaard. Ronkende kranen en brullende bulldozers richten hier in naam der wet een ongekende catastrofe aan. Ideeën over alternatieve dijkverzwaring komen voor Erlecom te laat.

Bij het Wapen van Kekerdom hebben Staatsbosbeheer en WNF een informatiecentrum ingericht. Het natuurgebied is vrij toegankelijk op wegen en paden. Rondleidingen worden vaak gehouden. Inl.: Johan Bekhuis, WNF, 08813-3535.

Harry Westhuis, SBB, 08893-2470.

Foto-onderschrift: De Millingerwaard zoals hij er over tien jaar uit kan zien. Op de voorgrond grazende koniks, halfwilde Poolse paarden die nauwelijks verzorging behoeven. Rechts vier Galloway-runderen uit Schotland, een ras dat sterk op het oerrund lijkt. Links een edelhert en iets rechts daarvan, staande in een poeltje, een eland. Al deze dieren, door de mens uitgezet, vertonen verschillend graasgedrag en hebben daardoor elk een andere invloed op de vegetatie.

Zo eet de eland vooral wilgetwijgen en waterplanten. Ook het edelhert is een takkenknabbelaar. Beide houden de struiken in toom. Koniks en runderen houden meer van grassen.

Op spontane terugkeer mag worden gehoopt van de zwarte ooievaar (links midden), zeearend (midden) en kleine zilverreiger (midden). Veel vogels die nu in de verdrukking leven, vinden in de ooibossen een broedplaats zoals de zwarte stern (midden), de wintertaling (vliegend) en de grauwe klauwier (vooraan rechts).

In het plan "Levende rivieren' van het Wereldnatuurfonds wordt voorgesteld om rivier en uiterwaarden twee meter te verlagen. Met de uitgezette dieren zal de natuur zich spontaan ontwikkelen in de richting van een ooibos met rivierduinen.