Kennis van het verleden is onmisbaar

“Er is geen enkel dwingend verband tussen de studie van het verleden en enig handelen, inzicht of maatschappelijke opstelling in het heden”. Zo luidt de kern van het betoog van Bastiaan Bommeljé in "Geschiedenis is niet onmisbaar' (NRC Handelsblad, 31 maart).

Bommeljé sluit zich aan bij de opvattingen van twee jonge Belgische historici, Jo Tollebeek en Tom Verschaffel, die hun prikkelende visie verwoordden in het boek "De vreugden van Houssaye'. “Het is niet de taak van de historicus het heden te verhelderen, te legitimeren of te veranderen”, schrijven zij in hun boek. De historicus bestudeert de geschiedenis omwille van haarzelve; hij is vergelijkbaar met iemand die een verre reis door de tijd onderneemt en daarvan verslag doet.

De afkeer van het heden en dit nostalgisch verlangen naar vreemde tijden hebben volgens mij veel te maken met een aantal recente ontwikkelingen in de Nederlandse geschiedwetenschappen. Allereerst kan men constateren dat er in de historische interesse een verschuiving is geweest van een meer wetmatige, sociologische aanpak naar een meer verhalende, biografisch-literaire benadering. De (historische) biografie floreert meer dan ooit, evenals het narrativisme. De belangstelling voor de cultuurgeschiedenis is sterk toegenomen en het werk van Johan Huizinga is herontdekt.

Het gaat hier meer om esthetische motieven en cultureel-mentale zaken dan om praktisch nut of politieke geschiedenis. Hiermee hangt samen een duidelijke afwijzing door historici van deterministische en teleologische opvattingen. Er zijn nog maar weinig historici in dit anti-utopische tijdperk die bepaalde ideologieën of instituties "historisch' willen rechtvaardigen. Mede uit reacties op deze ontwikkelingen is het polemische essay van Tollebeek en Verschaffel ontstaan. De vraag is echter of hun stellingname in alle opzichten houdbaar is.

Een van de vragen die zij niet beantwoorden is hoe de historische interesse zelf is verankerd in de tijd waarin deze ontstaat. Hoe kan een historicus los van zijn historische bepaaldheid en de sociaal-culturele dimensies van zijn eigen leefwereld naar het verleden kijken? Niemand zal ontkennen dat motieven die voortkomen uit het heden hierin een rol spelen. Het zijn en waren juist de grote historici die uit een sterke betrokkenheid bij hun eigen tijd hun werk hebben geschreven.

Een tweede argument tegen de bovengenoemde stelling is dat Tollebeek en Verschaffel, en in hun voetspoor Bommeljé, niet uitleggen hoe het verleden doorwerkt in het heden. Dan gaat het niet zozeer om de dwang van de actualiteit, om journalisten of wereldverbeteraars, maar het is ook geschiedfilosofisch van belang om vast te stellen hoe het zit.

De doorwerking van het verleden in het heden geldt niet alleen voor individuele gevallen (hoeveel mensen worden niet achtervolgd door pijnlijke herinneringen aan vroeger), maar deze benvloeding geldt zeker ook voor collectieve entiteiten zoals naties en sociale groepen die zich nog steeds beroepen op collectieve herinneringen of tradities om hun eigen posities te legitimeren, hun identiteit vast te stellen of de geschiedenis willen gebruiken om politieke doeleinden te verwezenlijken. De gecompliceerde politieke en militaire situatie in ex-Joegoslavië spreekt in dit verband boekdelen.

Huidige historici zijn terecht huiverig voor een ideologisering van hun vak. Het bestrijden van allerlei anachronismen, vooroordelen, mythes van politieke, sociale of religieuze aard, is een goede zaak, maar het is nog geen reden om uit het heden in het verleden te vluchten en de rol van het heden in de geschiedbeoefening te verwaarlozen. De belangeloze belangstelling voor het verleden, hoe enthousiast gebracht ook, draagt het gevaar in zich uit te lopen op een vorm van escapisme.

Een derde tegenargument is dan ook dat een historicus geëngageerd kan zijn met een bepaald actueel onderwerp en op grond daarvan gaat kijken hoe het in het verleden is toegegaan. Dat wil nog niet zeggen dat hij finalistisch of anachronistisch hoeft te denken en dat hij dit per se hoeft uit te dragen in zijn onderzoeksresultaten. Er is geen dwingend verband tussen betrokkenheid bij de actualiteit en bijvoorbeeld de kwaliteit van een historische studie. Wordt in de veelgeprezen "historische sensatie' niet juist het contact gelegd tussen heden en verleden, wanneer de historicus zich laat meeslepen door een deel van dat verleden?

Er kunnen allerlei persoonlijke redenen zijn om uit het heden een bepaalde visie op het verleden te ontwikkelen. Zo krijg ik in het geval van Tollebeek en Verschaffel sterk de indruk dat hun verzet tegen het academisch bureaucratisme een rol speelt in hun historische interesse. Hun wrevel hierover is een bewijs dat hun belangstelling voor de geschiedenis als louter culturele behoefte iets te maken heeft met het in hun ogen verwerpelijke utilitaristische karakter van onze tijd. De stelling van genoemde historici laat volgens mij echter te weinig ruimte voor de verschillende manieren waarop iemand zich aan de geschiedenis kan wijden.

De openheid waarmee de historicus volgens Bommeljé - Huizinga citerend - zijn historisch object tegemoet treedt (de historische actor weet immers niet hoe de geschiedenis gaat verlopen), zou ook van toepassing moeten zijn op de keuzevrijheid van de historicus voor wat betreft zijn onderzoeksinteresses. Er is meer dan alleen cultuurgeschiedenis.

Ten slotte wil ik nog wijzen op een andere consequentie van de stelling van Tollebeek, Verschaffel en Bommeljé. Deze betreft het nut van de geschiedenis en het vraagstuk van de waarden in de geschiedschrijving. In hoeverre moeten bepaalde waarden overboord gezet worden? Enerzijds bepleiten Tollebeek en Verschaffel het nutteloze, het anti-normatieve van de geschiedwetenschap. Anderzijds hebben zij er zelf in hun boek op gewezen dat de historicus, door zich met het verleden bezig te houden, mogelijk een tolerantere houding en zelfs wijsheid zou kunnen ontwikkelen. Hierin klinkt wel degelijk de boodschap door dat geschiedbeoefening ook op het heden betrokken is. Het normatieve element in de geschiedschrijving is in Nederland altijd sterk verbonden geweest met de verzuiling en ook met de Tweede Wereldoorlog.

De houding ten opzichte van normen en waarden is vooral onder een jongere generatie historici sterk aan het veranderen. Tollebeek geeft daar zelf blijk van in een interview in het Amsterdamse historische tijdschrift "Skript' van vorig jaar.

Hoe de afkeer van de gerichtheid op het heden kan ontsporen, bewijst de volgende passage: “Ik vraag me af of je als historicus over de holocaust mag schrijven. Daarover moet je immers een moreel oordeel vellen. Relativeren is dan uit den boze. Daarom moet de historicus zijn historische interesse scheiden van zijn morele betrokkenheid. Zo blijft je morele engagement zuiverder en scherper. De holocuast is iets dat buiten, boven of naast de geschiedenis ligt. Als historicus moet je daarvan afblijven”.

Hoe Tollebeek deze uitspraken wil rijmen met zijn stelling dat de geschiedwetenschap moet meewerken aan “de opvoeding tot relativering en tolerantie”, is onduidelijk. De vernietiging van de joden tijdens de oorlog laat zich volgens Tollebeek blijkbaar niet in "aanschouwelijke' termen, zoals Huizinga voorschrijft, beschrijven. Die historische werkelijkheid is daar te gruwelijk voor. De mogelijke consequentie van Tollebeeks uitspraken is dat historici de comtemporaine geschiedenis moeten overlaten aan politicologen, economen en sociologen. Dit is geen aanlokkelijk perspectief.

De vraag is of men zich van een moreel oordeel moet of kan onthouden. Volgens Tollebeek is de scheiding tussen geschiedbeoefening en morele oordelen blijkbaar alleen te verwezenlijken als het gaat om de geschiedenis van voor 1900. Het is echter bij uitstek de twintigste eeuw die toont hoe dwingend het verband is geweest “tussen de studie van het verleden en enig handelen, inzicht of maatschappelijke opstelling in het heden”. De geschiedwetenschap moet die relatie helpen duidelijk te maken en niet aan de kant staan. In die zin is geschiedenis onmisbaar.