Het valt best mee met wetenschap op tv

"Televisiekijkers willen amusement. Die moet je dus niet lastig vallen met programma's over wetenschap en techniek'. Met die stelling verklaart mediadeskundige en Amerikakenner Maarten van Rossum het gebrek aan aandacht voor wetenschap en techniek op de vaderlandse buis. Dat gebeurde tijdens het debat "Waarom niet meer wetenschap op de televisie?'

TV is een massamedium. De massa wil amusement, en dat verschaft Hans van de Togt wel en Wim Kayzer niet, aldus van Rossum. Leo Kool, adjunct-directeur Programmabeleid van de NOS doet er in het maandblad Wetenschapsbeleid van afgelopen januari nog een schepje bovenop: "Je moet niet vergeten dat de televisie voor een belangrijk deel van de kijkers een amusementsmedium is. Programma's waarbij een beetje meedenken geen kwaad kan, worden door hen niet op prijs gesteld. Dat kun je vervelend vinden, maar ik moet wel met dat gegeven werken.'

Misschien is veel wetenschap dat in Nederland nog wel op de buis komt saai, en inderdaad geen amusement, waarmee beide heren gelijk dreigen te krijgen. Maar dat hoeft niet. Wie de moeite neemt om de Britse programma's Horizon, QED of Tomorrow's World eens te bekijken, wekelijks uitgezonden in prime time, of wie zich de ook in Nederland uitgebrachte serie Cosmos van Carl Sagan herinnert, of eens afstemt op Jules Unlimited van de VARA, merkt dat wetenschap en techniek op televisie absoluut niet saai hoeft te zijn.

Het is maar weinig wetenschappers gegeven hun eigen fascinatie voor hun vak pakkend over te dragen. Dat kunnen professionele presentatoren vaak veel beter. Maar nog mooier is het als beelden voor zichzelf spreken. Het woord wetenschap, door de massa vaak bij voorbaat als afschrikwekkend of te moeilijk ervaren, hoeft daarbij helemaal niet te vallen.

Britse scholieren zeggen van Tomorrow's World meer wetenschap en techniek op te steken dan op school. Maar die belangstelling wordt alleen gewekt als de programma's mooi, spannend, spectaculair, menselijk en dramatisch zijn, en als ze natuurlijke nieuwsgierigheid bevredigen.

Maar er is een tweede bezwaar tegen van Rossum's stelling dat de kijker op TV alleen amusement wil - het is niet waar. Er is regelmatig onderzoek gedaan naar de vraag door welk medium het publiek wenst te worden genformeerd over wetenschap en techniek. Daarbij scoort de televisie onveranderlijk het hoogst. Bovendien wordt informatie op televisie als begrijpelijker beschouwd dan die uit kranten of tijdschriften.

Daar komt nog bij, zoals uit onderzoek van John Durant bleek, dat het publiek zichzelf minder goed genformeerd beschouwt over wetenschap en techniek dan bijvoorbeeld over sport, films of politiek. Voor informatie over wetenschap en techniek, mits toegankelijk en zonder zwaarwichtigheid gepresenteerd, is televisie dus een ideaal publieksmedium.

Wetenschapsanalfabetisme

De grote kracht van TV is haar toegankelijkheid, de daarmee verbonden zwakte haar oppervlakkigheid. Daarom kan een programma over wetenschap of techniek dat op een breed publiek mikt ook niet méér hopen te bereiken dan het wekken van belangstelling. Is die er eenmaal, dan zijn boeken, tijdschriften of museumbezoek effektiever om die belangstelling verder te voeden en diepgang te geven, zo heeft de pionier op het gebied van wetenschapsanalfabetisme, de Amerikaan Jon Miller aangetoond.

Is er echt te weinig wetenschap en techniek op de Nederlandse TV? Onderzoek van Hendriks, Willems en Hanssen laat zien dat de Nederlandse televisie ruim 3% van haar zendtijd toedeelt aan wetenschap en techniek, een getal dat vrij stabiel is in de tijd. In Duitsland en Groot Brittanië liggen de cijfers ook in die orde van grootte, maar daar zijn wel meer zenduren beschikbaar. Zo slecht ligt dat dus verhoudingsgewijs voor Nederland nog niet, ook al is het getal als zodanig mager

Maar om eenvoudig te kunnen bepalen wat kwalificeerde als een programma over wetenschap en techniek en wat niet werd door die onderzoekers een erg strenge norm gehanteerd: in het programma moest expliciet of impliciet worden verwezen naar onderzoek, of het moest over onderzoek gaan. Zo vielen "Ja natuurlijk' en "Vinger aan de Pols' en allerlei natuurdocumentaires grotendeels of geheel af. Juist als een programma over wetenschap belangstelling wil wekken is de eis dat er verwezen moet worden naar onderzoek vertekenend.

Vanuit het gegeven dat TV programma's over wetenschap en techniek eerder geschikt zijn om belangstelling te wekken dan de laatste stand van zaken grondig uit de doeken te doen, hebben we zelf nog eens opnieuw gekeken hoeveel van dat soort wetenschap en techniek er op TV is. Dat gebeurde op een veel tolerantere manier: het onderwerp moest alleen maar wetenschappelijk of technisch van aard zijn. Dus ook kennisquizzen (sterk in opmars!), documentaires, consumenteninformatie, kunsthistorie en educatie.

Een grove inventarisatie van de drie netten van de publieke omroep en RTL4 over een willekeurige recente week in het voorjaar (13 tm. 19 maart '93) laten het volgende beeld zien.

Van de 202 uur dat op de drie publieke netten werd uitgezonden waren er volgens de hier gehanteerde, ruime definitie van wetenschaps- en techniekinformatie 42 uur, of 20,7% gewijd aan wetenschap en techniek, waarvan het minst op Nederland 1 (15,7%), gemiddeld op Nederland 2 (20%) en het meest op Nederland 3 (25,7%). De hoeveelheid van dit soort programma's op RTL4 is zowel in absolute zin (225 minuten) als in relatieve zin (2,8%) te verwaarlozen.

Wensen

Kunnen we nu met enige zelfgenoegzaamheid konstateren dat de bijdrage die in ieder geval de publieke omroepen leveren aan het verschaffen van informatie over wetenschap en techniek niets te wensen overlaat? Zeker niet. Er valt nog van alles te wensen.

Eerste voorwaarde voor meer wetenschap op televisie is een grotere bereidwilligheid van wetenschappers hiervoor materiaal aan te dragen en zich als lobby jegens Hilversum op te stellen, zoals de culturele lobby dat al jaren met succes doet. Er is een bekend circuit van wetenschappers dat deze aansporing niet nodig heeft. Wagenaar, Galjaard en Vroon zijn bekende Nederlanders.

Maar waarom laten de jongere, minder gevestigde onderzoekers nog zo weinig van zich horen? De wetenschappers zijn er nog onvoldoende van doordrongen dat inzicht in hun werk, en respekt en waardering voor hun vakgebied gebaat zijn bij zichtbaarheid, en die kan televisie verschaffen.

De belangrijkste wens: frequent, liefst wekelijks terugkerende programma's in prime time. Onze vluchtige inventarisatie zegt wel iets over de kwantiteit, die dus best meevalt, maar niets over kwaliteit, en evenmin over programmering in de tijd. Kwaliteitstelevisie is niet per definitie identiek aan elitaire programma's voor hoogopgeleiden. Programma's die mikken op een breed publiek hoeven niet debiliserend te zijn, ook al gaan ze niet diep op de materie in. Een schoolmeesterstoon moet echter ten koste van alles vermeden worden. Juist het maken van spannende, interessante televisie, met conflict en humor, toegesneden op het minder hoog opgeleide publiek en voor de jeugd, is moeilijk en duur.

Klokhuis is een goed voorbeeld dat het kan, en ook in Nederland gebeurt. Niet voor niets kwamen er meer dan 30 000 protestbrieven, een unicum in de Nederlandse televisiegeschiedenis, toen dit programma van het scherm dreigde te verdwijnen.

Het soort regulier wetenschaps- en techniek magazine voor een breed publiek dat ons voor ogen staat, op elk net iedere week minstens één, is duur. Met ons barokke omroepbestel is een regelmatig verschijnend wetenschapsprogramma gauw te duur voor één omroep. Zoals VARA en NOS op het derde net er inmiddels in geslaagd zijn samen te werken in NOVA - en daarvoor zelfs een wetenschapsredacteur aan te stellen - zo zou ook op andere netten naar samenwerking gestreefd kunnen worden om een dergelijk magazine te realiseren.

Als daarbij ook eens wat meer gekeken zou worden naar wat er aan geschikt, spannend, onderhoudend en toegankelijk materiaal uit het buitenland is te halen en aan te passen aan de Nederlandse situatie, dan komt het met de kijkcijfers ook wel goed.