Gore bes

Ze belden op om te vragen hoe het is om veertig te zijn. Zelf waren ze dat ook bijna, en het leek ze voor hun tijdschrift interessant om over zo'n actueel vraagstuk eens verschillende vrouwen aan het woord te laten. Ik zei dat het afschuwelijk is; dat vonden ze, zoals te verwachten was, leuk. Maar toen ze vroegen waarom, had ik ineens geen zin meer om te antwoorden.

Je gaat toch niet in het openbaar vertellen hoe vervelend het is om te merken dat je onherroepelijk en definitief van een meisje tot een mevrouw bent geworden? Niet meer nafluitbaar, minder strak in het vel? Hoe je je afvraagt of het nu toevallig aan dit draadje en deze wel erg fijne naald ligt, of dat het inderdaad een tikje moeilijker is om de een door het oog van de ander te krijgen? (Je zit er op te wachten, want je hebt, harteloos en voortvarend, voor je eigen moeder menig naald-en-draadje geregen.)

Je zou je doodschamen voor zulke ontboezemingen. Ten eerste zou de wereld misschien nog niks in de gaten hebben als je je bek hield, en ten tweede is veertig worden natuurlijk een tragiek van likmevestje. Stel je voor dat je bejaard was. Je nek niet meer kon draaien. Traag worden, moeite met de veters, alles vergeten. Hoe erg moet dat wel niet zijn?

In het Amsterdams Historisch Museum, waar een tentoonstelling over de ouderdom is ingericht, staat een tijdmachine. Hij lijkt een beetje op een pasfoto-automaat. Je gaat zitten, je eigen portret verschijnt op een zwart-wit-scherm, en vervolgens moet je zelf een heleboel dingen in een computer tikken: waar je ogen zitten, of je man of vrouw bent, hoe oud. Het ding is blijkbaar net zo stekeblind als vanouds profeten zijn, maar het idee is dat hij op strikt wetenschappelijke grondslag ieder portret jaren ouder kan maken.

De leukste mensen die ik ken zouden onmiddellijk manieren verzinnen om zo'n apparaat in de war te brengen door de gekste gegevens in te voeren. Ik niet. Mak als een schaap werk ik mee. Goed, tien jaar ouder dan maar. Geen verschil te zien. Is de machine stuk? Vijfentwintig jaar dan, verder wil hij niet vooruitzien. Misschien ben ik wel dood als ik vijfenzestig ben! Maar nee. Ik lijk op mijn tante N., die wel erg lief is en leuk om te zien voor haar zeventig jaar, maar geen echte familie. Wist hij kennelijk niet.

Maar de aftakeling van een kwart eeuw, zo vind ik samen met de meisjes die wachtend op hun beurt over mijn schouder mee in de toekomst kijken, is niet dramatisch. Daar zijn allerlei verklaringen voor te bedenken. De tijdmachine deugt niet, of hij flatteert expres. Of ik zie er nu al erg oud uit, zodat er weinig meer valt te verleppen. Of, de plezierigste variant, het zal inderdaad meevallen.

Die tentoonstelling over het bejaardzijn - hedendaags getiteld Tijd van leven - is er verder eentje van het bekende soort dat eigenlijk liever een boek had willen zijn. De bezoeker krijgt ”informatie' en wordt uitgenodigd tot bespiegeling, terwijl hij toch naar een museum gekomen was om te kijken naar mooie of ontroerende dingen. Foto's en bedrukt papier hebben we thuis ook. Maar goed, we zijn niet allemaal estheten en er liepen schoolklassen in het museum voor wie het allemaal vast erg leerzaam was. Sommige prenten - want er hangen ook veel oude prenten - zijn toch wel leuk. Zoals die van de ”Gore bes', een zeventiende-eeuwse zedeprent van een oude vrouw die alle vuylichheit zomaar uit het raam kiept. Blijkens het vers dat er onder staat werpt zij vuil naar de mensen in de hoop dat haar eigen feilen onopgemerkt blijven. Dit moet gaan over een roddelaarster, maar het museale bijschrift rept daar niet van. Misschien omdat vuilnis zo'n actueel probleem is. In elk geval blijft de term, gore bes, je wel even bij.

Want het is het eufemisme, het kruipende, als schimmel alles bevlekkende eufemismendom dat het moderne seniorenbestaan onderscheidt van het oude oud-zijn. Eerst was oud oud, daarna werd het bejaard, nu is ook dat woord bedorven en is ”ouder' de politiek correcte term. Ik herinner mij het getob toen ik eens te maken had met plannen voor een tijdschrift voor oude mensen (gat in de markt mijnheer, ze roepen het al jaren) - want hoe moest dat blad heten? Gouden Tijden? Rijp & Rijk? Men kwam meen ik uit bij September, maar het blad is er niet gekomen want, zo weten alle marketingdeskundigen, je moet de mensen niet proberen te lokken met iets waaraan zij niet herinnerd willen worden. Je kunt net zo goed een tijdschrift voor ongeneeslijk zieken aan de man willen brengen (werktitel: Meegenomen).

Nee, de moderne eufemist gaat geen zee te hoog. De tentoonstelling in het Amsterdamse museum is, zo staat op een bord bij de ingang, georganiseerd in het kader van het door de VN uitgeroepen Jaar voor de Bejaarde - maar zo heet dat natuurlijk niet. Het heet: het Jaar van de Solidariteit tussen de Generaties. Kom er maar eens op.

Niet dat vroeger alles beter was. Even voorbij de ”Gore bes' laat de brave museumbordjesschrijver weten dat er volgens de recentste inzichten der historici geen ”gouden tijd' voor de ouderdom heeft bestaan. Geen tijd waarin de oude lui, anders dan nu, verzorging, liefde en eerbied in overvloed genoten. Je voelt de overwinning die het de meester kost om zoiets toe te geven. Het is altijd zoveel makkelijker bij het schetsen van moderne problemen, als er een periode in het verleden is aan te wijzen waarin de mensen nog wèl wijs waren.

Herinneringen, dat is wat overblijft, het moet het leukste aspect van de ouderdom zijn. Ik hoop dat ik dan ook nog weet hoe, lang geleden, de schoolklas waar ik zelf bij hoorde een reisje maakte naar een afgelegen landstreek in het noorden van Duitsland. Een mijnheer (leraar? gids?) legde ons stadskinderen uit dat in de boerderijen meestal drie generaties woonden, want natuurlijk ging de oude boer niet weg als zijn zoon het bedrijf overnam. Als de oudjes te lastig werden, het huis te vol, dan viel er wel eens per ongeluk in de schuur een zware balk op opa of opoe. Ja, dat waren nog eens tijden.