"Ex-communisten profiteren van EG-handelspolitiek'

PRAAG, 22 APRIL. De ongekend scherpe reacties die vijf Midden- en Oosteuropese landen sinds twee weken hebben laten horen op het verbod van de Europese Gemeenschap om vee, vlees en zuivelprodukten uit die landen te importeren wegens mogelijke besmetting met mond- en klauwzeer, hebben, behalve een handelspolitieke, ook een belangrijke binnenlands-politieke component.

Dat blijkt vooral uit uitlatingen van de Tsjechische onderminister van buitenlandse zaken, Pavel Bratinka, naar aanleiding van het invoerverbod. Ook vanuit andere Oosteuropese hoofdsteden zijn geluiden te horen dat de EG-maatregel, onafhankelijk van de vraag of ze al niet niet gerechtvaardigd is, de meestal centrum-rechtse regeringen in Oost-Europa voor problemen heeft geplaatst.

Het gaat daarbij om de vraag hoe die regeringen hun op de wensen van de Europese Gemeenschap geënte hervormingsbeleid, dat gepaard gaat met grote opofferingen van de bevolking, aan hun kiezers moeten verkopen als diezelfde Europese Gemeenschap maatregelen neemt die dat beleid ondergraven.

Bratinka, een man die erom bekend staat dat hij geen blad voor de mond neemt, klaagde deze week dat “al onze inspanning om ons voorbeeldig te gedragen vergeefs is”. “Het is voldoende als iemand uit dit deel van de wereld iets verkeerd doet en dan moeten alle anderen daarvoor boeten.” Bratinka doelde daarmee op het feit dat Tsjechië helemaal niets te maken heeft met het in Italië aangetroffen, met mond- en klauwzeer besmette vlees, dat uit Kroatië kwam, maar waarschijnlijk van Roemeense of Oekraiense oorsprong was. Mond- en klauwzeer komt namelijk in de landen die getroffen zijn door het invoerverbod al vele jaren niet meer voor.

“Het gaat nog niet eens zozeer om de materiële verliezen”, zo zei Bratinka, “de morele en politieke schade is veel erger.” Hij wees daarbij op de brief die de leider van de Tsjechische communistische partij, Jir Svoboda, deze week aan premier Václav Klaus had geschreven, waarin de leider zich had beklaagd over de ongelijke positie van de Tsjechische producenten van landbouwprodukten tegenover hun machtige gesubsidieerde EG-collega's.

Die emotie is kenmerkend voor de algemene stemming onder Oosteuropese burgers, niet alleen bij links, maar vaak ook bij uiterst-rechts: “Waarom die duurdere Westerse produkten kopen, terwijl we zelf ook heel goede dingen maken?”

Een dergelijk standpunt maakt zonneklaar, zo meende Bratinka, dat “krachten van het verleden” de wat hij noemde “kortzichtige EG-politiek” proberen te misbruiken in hun strijd tegen de economische hervormingen. Het maakt ook duidelijk waarom de Oosteuropese regeringen, de Hongaarse het eerst, gevolgd door de Poolse, de Slowaakse, de Bulgaarse en in iets mindere mate de Tsjechische, gereageerd hebben met een op zichzelf weinig genuanceerd lik-op-stuk-beleid: “Jullie grenzen dicht voor ons vlees, dan die van ons voor dat van jullie”.

Een dergelijke overreactie was echter uit binnenlands-politiek oogpunt waarschijnlijk de enige mogelijke. Het verlies voor de binnenlandse producenten wordt er enigszins door beperkt - enigszins, want de binnenlandse prijzen staan sterk onder druk wegens het toegenomen aanbod - en het beeld bij de publieke opinie dat de Oosteuropese regeringen zich de les laten lezen door Brussel wordt wat geretoucheerd.

Maar wat allerminst is geretoucheerd is het beeld dat de Oosteuropese burgers hebben van de Europese Gemeenschap. Dat is vooral dat de politieke beloften en de hoogdravende retoriek uit Brussel weinig in overeenstemming zijn met de als protectionistisch ervaren praktijk van alledag: de vorig jaar ingestelde extra heffingen op de import van staal uit Slowakije en Tsjechië liggen nog vers in het geheugen en andere handelsbelemmeringen tegen Oosteuropese produkten liggen in het verschiet.

Wanneer een man als Sir Leon Brittan, de Commissaris voor buitenlandse handel in de Europese Commissie, de lidstaten voorhoudt dat de handel met Oost-Europa vorig jaar voor de EG-landen voordeliger was dan andersom, dan is dat voor de Oosteuropese burger een wel erg navrante vergulding van de bittere pillen die hij moet slikken. “Het leven was in de vroegere tijd nog niet zo slecht”, is dan een begrijpelijke reactie. En dat is koren op de molen van de voormalige communisten die het oog richten op de volgende verkiezingen.