"Dertig jaar hebben we geleden, dertig jaar gestreden, nu zijn we bevrijd'; Arm Eritrea wil op eigen benen staan

MASSAWA, 22 APRIL. Voor burgemeester Abdullahi Ibrahim van Massawa is de strijd nog lang niet voorbij. “Dertig jaar hebben wij geleden, dertig jaar hebben wij gestreden. Nu zijn wij Eritreeërs bevrijd. Maar wij moeten doorvechten, om ons vernietigde land weer op te bouwen.” De telefoon rinkelt. Er is dus al iets bereikt, want jarenlang waren alle verbindingen in en met Massawa verbroken. Ook is er weer elektriciteit en in sommige delen van de stad druppelt er zelfs wat water uit de kraan.

Vrijdag, zaterdag en zondag stemmen de Eritreeërs in een door de Verenigde Naties gecontroleerd referendum voor hun onafhankelijkheid. Sinds de val van de Ethiopische president Mengistu in mei 1991 heeft Eritrea zich overigens in alles behalve naam al onafhankelijk van Ethiopië opgesteld. De puinhoop waarop de 3,2 miljoen Eritreeërs hun natie moeten opbouwen is enorm. De havenstad Massawa aan de Rode Zee vormt zo mogelijk het meest schrijnende voorbeeld van de schade van dertig jaar strijd.

De oude stad vertoont in bouwstijl Italiaanse, Aziatische en Arabische invloeden. Ruim zeventig procent van alle huizen blijkt ernstig beschadigd, de daken hangen er als flarden bij, de kop van de stenen leeuw bij het voormalige keizerlijke paleis ligt ver van zijn voetstuk verwijderd. De bombardementen door de Ethiopische marine na de inname in 1990 door het Eritrese Volksbevrijdingsfront (EPLF) waren zonder onderscheid. Woningen, het paleis, het grote ziekenhuis, al deze gebouwen werden in puin geschoten. De bevolking trok de bergen in, op de vlucht voor napalmbommen.

Eritrea ligt als een eiland van vrede in de verder uiterst instabiele en gewelddadige Hoorn van Afrika. Maar van een grootschalige campagne voor wederopbouw gesteund door de buitenwereld is nog geen sprake. “Buitenlanders hebben ons het afgelopen jaar van alles beloofd, maar niemand kwam ook werkelijk over de brug met hulp”, verzucht burgemeester Abdullahi. “Zij komen hun beloftes gewoon niet na. De heel beperkte wederopbouw die er plaats had, werd door ons verricht. Meer kunnen wij niet doen want wij beschikken niet over de financiën.” Pas na de officiële onafhankelijkheid na het referendum willen Westerse donoren hulpprojecten opzetten in Eritrea.

De buitenlandse hulp zal onontbeerlijk zijn. Bijna 45.000 Eritreeërs raakten invalide door de oorlog, 90.000 kinderen werden wees, een half miljoen vluchtelingen in Oost-Soedan wacht erop te kunnen terugkeren. Deze berooide ontheemden treffen een kaal geplukt land aan. Door de ontbossing, waaraan door de oorlog nauwelijks iets kon worden gedaan, voltrok zich een grootschalige milieuramp. Het bergachtige landschap raakte zodanig geërodeerd dat landbouw nog slechts beperkt mogelijk is. Door een exceptioneel goed regenseizoen voorziet Eritrea dit jaar voor de helft zelf in zijn voedselbehoeften. In vorige jaren was tachtig procent van de bevolking afhankelijk van voedselhulp.

De hoofdstad Asmara maakt op buitenlanders een uiterst aangename indruk. De Italiaanse kolonisten, die het moderne gedeelte van de stad bouwden, noemden Asmara hun "tweede Rome'. Achter de prachtige woningen en kerken aan de brede avenues gaat echter een diepe armoede schuil. De helft van de inwoners zit zonder werk. Door het grote gebrek aan woningen willen maar weinigen van de tienduizenden succesvolle en goed opgeleide Eritrese vluchtelingen uit Europa en Amerika terugkomen. De Eritrese regering rekent juist op de financiën en kennis van deze rijke ballingen om de wederopbouw snel ter hand te kunnen nemen, zoals het EPLF tijdens de strijd kon rekenen op hun maandelijkse bijdragen voor de oorlogsinspanningen.

Burgemeester Abdullahi spuwt zijn pruimtabak achter zijn bureau. Hij is er niet de man naar om zich door al deze schrik aanjagende economische feiten somber te laten stemmen. De geestdrift en de hardnekkigheid van dxe Eritreërs bracht hem de overwinning en Abdullahi gelooft dat met deze eigenschappen ook de volgende strijd kan worden gewonnen. “Het vechten in de bush was het moeilijkst. Wij hadden geen voedsel, geen water, alleen wapens. Nu kan ik de schaduw zoeken in een huis en daar verblijven. Ik heb het geluk gehad dat ik dit referendum mag meemaken, dat ik nog leef. Daarom ga ik door, zoals tijdens de bevrijdingsstrijd, met hetzelfde enthousiasme. Zoals tijdens de oorlog de strijders geen geld ontvingen, krijgen wij nu als ambtenaren geen salaris. Wij vechten immers nog steeds voor ons land.”